Het derde gedicht uit A Worldly Country heet ‘Streakiness’ en kaart ouderdomskwalen aan. Ashbery was een grote, zware man, die op z’n tachtigste menig pondje vet met zich mee torste.

Het ongemak dat in dit gedicht centraal staat is slechthorendheid. Of Ashbery hier ook zelf mee kampte, weet ik niet. Mensen met gehoorverlies hebben, zeker in gezelschap, moeite om gesprekken te volgen. Ze moeten zich inspannen om te kunnen horen wat een ander zegt. Nadat de lezer in de eerste regels is voorgesteld aan een stijve bejaarde die de ouderdom al scheldend maar moeilijk kan aanvaarden, volgt een specifieke verwijzing naar dovigheid: ‘Terwijl het ene / na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur / telkens een enkele bezoeker toe.’
Hoewel de eerste strofe met een schouderophalen eindigt, worden in de tweede enkele nare consequenties van slechthorendheid uit de doeken gedaan. Het mijden van ‘aandachttrekkende / momenten’, waarop het een lawaaiige drukte van belang is, lijdt tot vereenzaming. Nieuwtjes blijven uit en ‘perspectief schrokkende reuzen’ verengen je wereld. Vaak verloopt een achteruitgang van het gehoor sluipenderwijs en kan niet of nauwelijks worden gekeerd. Geen olijk gedicht, wel uit het leven gegrepen.
Een van mijn oma’s eindigde blind en doof.


Geef een reactie