Levenscoaches

Over een gedicht van John Ashbery

O God! daar heb je Ashbery weer. Hij schreef gedichten die je vrees inboezemen. Ter nagedachtenis aan deze grote Amerikaanse dichter zei Paul Muldoon in 2017 in The New Yorker: ‘To read a John Ashbery poem is to be scrutinized by it.’ Wie een gedicht van John Ashbery leest, wordt door dat gedicht nauwkeurig bekeken, in detail onderzocht. Waarmee Muldoon natuurlijk bedoelde dat je geneigd bent om Ashbery’s poëzie op jezelf te betrekken, dat zijn gedichten je aanzetten tot zelfbespiegeling, zelfonderzoek. O God! daar heb je Ashbery weer. Hij schreef gedichten die je vrees inboezemen.

En telkens blijk ik weer even magistraal onsamenhangend te zijn.

Het vierde gedicht uit Ashbery’s fenomenale bundel A Worldly Country (2008), ‘Feverfew’, luidt in mijn vertaling als volgt:

MOEDERKRUID

Het is allemaal lang geleden gebeurd –
een dikke, troebele neerslag
van een bepaalde periode die afliep
zoals rioolputten verzakken. Woede op de weg had flanken doorbroken;
alles was onzeker op de Via Negativa
behalve de zekerheid van terugkeer, terugkeer
naar het om en nabij.

‘s Nachts en ‘s ochtends klonk er een hoorn,
die de volgelingen opriep tot gebed, de afvalligen tot plezier.
In dat onmogelijke steegje ademde ik eerst uit
scherts voor je koddige gepaneerde lippen:
Wat als we allemaal niet weten wat ons allemaal overkomen is,
het lied dat om middernacht begint,
de droom later, van ezelsoor en mos
vlakbij waar Acheron indertijd stroomde?

Maar nu ben ik alleen, ik kwam omdat je huilde en ik moest.
Gevlochten schors dempt de klopper, maar de deurbel
dringt diep door in de hersens van iemand die hier woonde.
O brak wolkendek en riskant,
de maan is ondubbelzinnig.

‘Moederkruid’ is een plantje dat vroeger werd gebruikt om weeën op te wekken en kraamvrouwenkoorts te verdrijven.

‘Via Negativa’ is een theologische praktijk waarin je God benadert door te zeggen wat hij níet is.

‘Acheron’ is de rivier van het leed waarover Charon de veerman de schimmen van de doden naar de onderwereld bracht.

De strekking van dit gedicht is: als je geboren wordt weet je één ding zeker: je gaat ook weer dood. Alles wat daar tussenin gebeurt blinkt uit in onzekerheid.

En wat ik ook proef: de liefde van Ashbery voor zijn moeder, de sympathie die uitgaat naar alle moeders, onze eerste levenscoaches. 

Oogverblindende schittering

Over een gedicht van John Ashbery

In zijn bespreking van A Worldly Country omschrijft Forrest Gander de late John Ashbery als een dichter die niet alleen clichés laat zingen, maar ook morrelt aan de syntaxis, het DNA van het Engels, om lezers te dwingen tot het inhouden van hun pas, zodat zij het ‘continuüm’ kunnen zien, van het leven in het algemeen en de Amerikaanse geschiedenis, inclusief haar taal, in het bijzonder.

Mooie, maar wellicht ook wat vergezochte woorden. Ahsbery was geen dichter die een programma had, maar iemand die op zijn gevoel afging, intuïtief handelde. Wat mij opvalt aan Ashbery’s latere poëzie zijn de vele passages die buitengewoon schoon en tevens raadselachtig zijn, momenten waarop taal ongenaakbaar is maar tegelijkertijd een betoverende abstracte gratie heeft, waar ik maar geen genoeg van kan krijgen.

Neem, bijvoorbeeld, de afsluitende zin van het derde gedicht van A Worldly Country: geen idee wat de betekenis ervan is, maar o God wat een oogverblindende schittering!

STREEPJESPATROON

Bij het passeren van de lage brug geeft je lot lucht
aan een scheldkanonnade. De kastanjebomen
laten hun bladeren één voor één vallen. Terwijl het ene
na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur
telkens een enkele bezoeker toe. Waarom ook niet?

Was dit de reden dat we aandachttrekkende
momenten op het plein schuwden nadat de zon
was uitgemokt? Er waren konijnen in de oase
en wij wisten van niets, al helemaal niet
van opeengepakte nogahandelaren. Eén
slaapliedje voor iedereen. Het verhoor kent geen clausule,
alleen lichtvoetige reuzen die perspectief schrokken
of eenzaamheid komen voor zichzelf op, kleurloosheid
die contrasteert met lichtpillen.

Maar waarheen?

Bleef vanochtend langer stilstaan bij slotbouten dan het ochtendnieuws. Welke geschikte slotbout kon ik waar krijgen? Voor de kastanjehouten pergola.

De pimpelmezen zijn uitgevlogen. Maar waarheen?

Kastanjehouten pergola gefikst. Volgende deelproject: het waterornament. Langzaam beginnen onze ideeën vorm te krijgen.

Ook nog gewerkt aan de vertaling van het derde gedicht uit John Ashbery’s A Worldly Country, ‘Streakiness’. Alleen de titel kostte al heel wat hoofdbrekens.

Dichter? Ik werd het per ongeluk, was het nooit van plan geweest, en weet nog steeds niet waar het nou eigenlijk allemaal over gaat.

En natuurlijk heb ik Gerbrand Bakkers nieuwe boek al binnen, Knecht, alleen, alleen wil ik eerst de twee andere boeken waarin ik bezig ben uitlezen. Geduld!

Terwijl ik dit bericht tikte, klom er op nog geen tien cm voor mijn ogen ineens een groene spin naar het plafond. Zo’n dikke.

Een eenzame archetypische ergernis

Over een gedicht van John Ashbery

In een recensie van John Ashbery’s A Worldly Country (2007) wijst Bryan Appleyard op een grondtoon van Ashbery’s poëzie die ik herken: ‘het constante, treiterende vermoeden dat er in feite iets te zeggen valt’ over de wereld waarin wij ons bevinden, iets wezenlijks.

In een van zijn gedichten verwoordt Ashbery dit als volgt: ‘Zo velen zaten goed fout / over bijna alles, het doet er / nauwelijks toe, iets anders wel / anders zou alles kassiewijle zijn.’

Geen bakerpraatjes, maar essentialia.

Wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Ashbery zoekt zijn heil niet in generaliserende beweringen, maar in omtrekkende bewegingen en falsifiëringen.

In het tweede gedicht van A Worldly Country, ‘To Be Affronted’, komt de term ‘mandala’ voor. Een mandala (zie illustratie hieronder) is een symbolische uitbeelding van het heelal en heeft een oosterse oorsprong (Sanskriet: cirkel). Vooral Ashbery’s latere gedichten, waarin het zinnebeeld en de allegorie niet worden geschuwd, hebben wel iets weg van mandala’s.

OPENLIJK BELEDIGD

Een tijdje vingen we het wezen van de dingen op
zoals ze in het verleden hun beloop hadden gehad. En we leerden ze
heel goed kennen. Spinnenwebben hingen
boven de kust. Onverschrokken plukte het meisje
ze uit de wolken, een en al geheimzinnigheid
en elasticiteit. Later tilde een waas
ze boven de cementen droom van taxie en leven uit.
Dit was de min of meer gebruikelijke
wijze waarop dingen uit- en weer
samenvloeien. Wat we niet konden zien was
verrukkelijk. Juli ging heel snel voorbij.

Meer dan een mankement, meer zelfs
dan cirkels die tegen het midden
en het einde loslaten, was de kaars die onder het gewelf stond
en barre dingen mompelde tegen het weer,
de gevels. Stel je een film voor die lijkt
op iemands leven, dezelfde lengte, dezelfde waarderingscijfers.
Stel je nu voor dat jij erin speelt en de tweede hoofdrol vervult,
een rol die eigenlijk belangrijker is dan die van de opdrachtgevers.
Hoe weet je dat meer dan de helft
voorbij is? Terwijl pastellen toendra
als een mandala van alle kanten toestroomt
kan het kleine meisje nergens heen.
Ze speelt met ons, in onze pronkstoet; je schaamt je
omdat je zo lang bent weg geweest en laat wat dan ook
in de toestand geraken waarin het nu verkeert. Te laat, de berenkop
op de schoorsteen loopt rood aan van eenzame
archetypische ergernis over de wijze waarop tijd zojuist verstreek.

Het is te laat voor de huzaren en de gebogen figuur
op de achtergrond: toen ik jong was dacht ik
dat hij een tovenaar was, of misschien een vergeten
charlatan uit een verre hoofdstad. Nu weet ik dat niet zo zeker meer.

Net als in het openingsgedicht van A Worldly Country staat ook in dit tweede gedicht de tijd – als ‘grootheid van de voortgang en opeenvolging van de gebeurtenissen als een ononderbroken stroom’ – centraal. Meer specifiek: het besef dat de tijd snel gaat.

En wie, net als ik, in ‘de gebogen figuur op de achtergrond’ de man met de zeis ziet, hoort uit dit gedicht de prangende vraag opklinken – Ashbery werd tachtig in 2007 – ‘Wanneer zal het mijn tijd zijn?’

Godsakkerse!

Bij het krieken van de dag: plensbuien. Wat tuin en mij genoegen verschafte. Toen ik mijn neus buiten de deur stak rook het allejezus lekker.

Las met beschaamde kaken in de LC harde cijfers in een opiniestuk van publicist Jan de Boer: ‘Honger en armoede doden volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) iedere dag 25.000 mensen op onze onherbergzame planeet. Om die uit te bannen moet er in de hele wereld 1 miljard euro per dag worden gevonden, terwijl in de strijd tegen het coronavirus alleen Frankrijk al niet aarzelt om daarvoor het dubbele uit te trekken.’

Begon aan een vertaling van het tweede gedicht uit John Ashbery’s A Wordly County (2007), ‘Openlijk beledigd’.

Plaatste een nieuwe lamp in de garage, verving het stopcontact en vernieuwde alle bedrading; het oude zootje was een godsakkerse doodswens.

Dronk een biertje en een glas wijn. Luisterde naar de herkenningsmelodie van Mash, ‘Suicide is Painless’, en zong het refrein mee. Dacht even aan mijn tijd in Afghanistan, waar ik pal naast het helikopterplatform van het veldhospitaal werkte.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Zo werken dingen dus

Literatuur of muziek? Dan toch muziek.

En waarom het ene nummer me meer boeit dan het andere? Ik kan er geen zinnig woord over zeggen. Maar op mijn begrafenis wordt een nummertje van Man an Ocean gedraaid.

En een gedicht van John Ashbery voorgedragen.

Mijn ziel is het met hun klanken eens.

Ochtend. Ik las (nog meer) nieuws en realiseerde me (opnieuw) dat dingen niet oké zijn. Dingen waar niets meer aan valt te doen. Honderdduizenden mensen zijn al gedood door het coronavirus, een deel van het poolijs is al weggesmolten, talloze plant- en diersoorten zijn al verdwenen, de kloof tussen arm en rijk is al om je de ogen uit het hoofd te schamen, etc. Het zijn kwade tijden.

Zwijnenstal. Schouders eronder, potverdomme.

Wat? Eet Zuckerberg alleen dieren die hij eigenhandig heeft gedood?

Sinds lange tijd weer eens buiten de deur geluncht: patatje oorlog met ui & een kroket.

Nog een uurtje door de weilanden gekuierd, waar volop werd gemaaid door boeren.

Zo werken dingen dus.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Voordat God ons bevrijdt

Over een gedicht van John Ashbery

Naar de latere gedichten van John Ashbery, die hij vanaf zijn zeventigste schreef, is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd 91 en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery 80 werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Kenners beschouwen deze bundel als een van zijn successtukken. Ik vertaalde de afgelopen dagen het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent. En, zo vroeg ik mij vanmiddag af, waarom vertaal ik deze zomer de hele bundel niet? Om wat dieper in Ashbery’s latere poëzie door te dringen.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: 'Tot in de kerk!'
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar toentertijd Bush junior de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

Ik drijf stuurloos rond, maar wát een zicht, wát een ervaring.

Een dag aan de poort

John Ashbery in Can You Hear, Bird (1995):

EEN DAG AAN DE POORT

Een slobberige en demotiverende
wind nam het over van het knarsende verkeer.
Wolken van de stokerij
bedekten de hemel. De verkoop van ocarina’s kelderde.

Geloof me, het was een situatie waarin Aladins lamp
misschien een ommekeer teweeg had kunnen brengen. En waar was ik?
Tussen architectuur, tijdschriften, gerecyclede vis,
wachtend totdat slijtage
in mijn grafiek zou verschijnen. Succes,

bonne chance. Wijs de citers
en hun vrienden op me, de ondes-Martenot.
Alleen zeg ik: Wat hierheen komt verkwijnt
automatisch. En de mist, ingrijpend.

Zoals een gevleugelde traan
geheime rijksdocumenten becommentarieert,
verminderen andere tederheden de scherpe kantjes
van het wachten. Groot, pislink,
gekleed in de kleren van de dag,
zijn paraplu vasthoudend, draaide hij zich half om
en riep kst. Zei dat hij ons nodig had.
Zei dat de lucht vanavond Iers groen zou zijn.

Wie ooit vol spanning op de uitslag van een medisch onderzoek heeft gewacht, zoals ik, herkent zichzelf wellicht in dit gedicht. De vreselijkste gedachten spookten door mijn hoofd. Ik klopte bijkans aan de hemelpoort. Want je weet: op een dag is het voorbij: ‘Wat hierheen komt verkwijnt / automatisch.’

Ashbery was bijna zeventig toen Can You Hear, Bird werd uitgebracht. Een leeftijd waarop je je nadrukkelijk realiseert dat alles verandert, vergankelijk is. Het is niet onaannemelijk dat hij dit gedicht schreef met een nare wachtkamerervaring in zijn achterhoofd.

Maar wie is die ‘hij’ in de laatste strofe? De arts die de uitslag van het onderzoek meedeelt? Een gepikeerde man met de zeis? Petrus, eerste der apostelen? God zelve? Niets is zeker bij Ashbery.

Over een gedicht van Kenneth Koch

AAN HET ONBEKENDE

Hoewel we niets van je weten,
Windt zelfs een kleine verandering in je ons op – we willen trouwen.
We veranderen van baan. We veranderen van land. We slaan een boek open
En weer dicht en weten nog steeds niets van je. We ontdekken dat er meer en meer van je is.
Miljoenen dingen. Je leunt achterover en laat ze
Eén voor één gemakkelijk los. Toch bleef en blijf je immens.
Sommigen hebben je geschilderd, maar het waren maar piepkleine vegen.
Hoe kunnen we veel van je laten zien? Ik heb een vaste afspraak met je,
Maar dat heeft uiteindelijk iedereen. Tegen die tijd weten wij niets
En ben jij weer gewoontjes, zoals je in het begin was.
Je sproot voort uit het te weten komen.
Zodra men weet, bijvoorbeeld, dat een vriend een naam heeft
Wordt men zich er langzaam van bewust dat er miljarden namen moeten zijn
Die men nooit allemaal kan kennen, en je kwam dicht bij me en zei:
'Het doet er nauwelijks toe. Maar sommige dingen zijn nog zoeter,
Veel veel zoeter, en misschien zul je die ook nooit te weten komen
Tenzij je ze in me vindt.’ ‘Waar ben je? Hoe kan ik
Dichter bij je komen?’ zei ik. Ik was maar klein
En door jou – was dat gek? – voelde ik me fantastisch,
Belangrijk, als een van de groten,
Die jou kenden, en niet kenden, evenzogoed. Wij waren, ten aanzien van jou, partners.
In jou klinken de stemmen van alle levende wezens door
Als readymades. Misschien is jouw idee van betekenis
(Ik ga ervan uit dat je een idee hebt) om dingen te laten
Rondzwerven totdat er geen beweging meer is.
Als er een manier is om meer over je te weten te komen,
Laat me dat dan van tevoren weten, dan kom ik naar je toe
Tot aan het open stuk waar je woont.

Twee jaar voor zijn dood bracht Kenneth Koch (1925-2002) de bundel New Addresses uit, met vijftig gedichten waarin hij het woord richt tot concrete en abstracte zaken: ‘To Some Buckets’, ‘To Psychoanalysis’, ‘To Testosterone’, To Driving’, To the Roman Forum’, ‘To Some Abstract Paintings’ etc. Koch personifieert deze zaken door ze met ‘jij’ aan te spreken (stijlfiguur apostrof). Het resultaat is nu eens hilarisch, dan weer doodserieus.

Koch wordt met John Ashbery, Barbara Guest, Frank O’Hara en James Schuyler gerekend tot de dichters die – samen met een aantal schilders, dansers en musici – aan de basis stonden van de ‘New York School’, een losjes gevormde experimentele kunstbeweging die na de Tweede Wereldoorlog in Manhattan opkwam en wortels heeft in het expressionisme en surrealisme. 

De poëzie van de New York School wordt gekenmerkt door directheid, spontaniteit, intimiteit, gerichtheid op het dagelijks leven en frequent gebruik van eigennamen en dagboekachtige vormen. Dat Koch zich ook bewust was van het materiaal waarmee hij werkte, drukte Charles Simic ooit kernachtig uit in The New York Review of Books: ‘[Kochs] idee is om iets met taal te doen dat nog nog nooit eerder is gedaan.’ Ook later bleven een intieme toonzetting en experimentele inzet karakteristiek voor de gedichten van Koch.

Eigenlijk is ‘Aan het onbekende’ een ode aan het experiment. Voor Koch maakte het onbekende niet onbemind maar nodigde juist uit tot verkenning, exploratie. Het inzicht dat het ongekende oneindig groot is en zal blijven schrok Koch niet af, integendeel, het stelde hem gerust: er valt gelukkig nog eindeloos veel te achterhalen, we kunnen eeuwig op ontdekking blijven uitgaan. Want om de zoetheid van de ontdekking was het hem allemaal te doen. En dat het daarbij niet alleen om objecten maar ook om subjecten draaide kunnen we lezen in de zin: ‘In jou klinken de stemmen van alle levende wezens door / Als readymades.’ Ieder schepsel is uniek, ieder schepsel is een ontdekkingstocht waard.

In dit gedicht laat Koch zijn pioniersgeest zien, legt die als het ware bloot, bestempelt zichzelf als nieuwsgierig aagje. Eigenlijk is ‘Aan het onbekende’ een lierdicht van het zuiverste water.

Hoe het vandaag is

Same old, same old.

Bestelde nog wel een accu kettingzaag, om onze houtvoorraad voor de komende twee, drie jaar in handzame blokken te kunnen zagen.

‘We leven nooit lang genoeg in onze levens / om te weten hoe het vandaag is. / Scherven, stralende stranden, / laten ons, zelfs als we met ze praten, op de een of andere manier aan ons lot over. / En de luipaard is transparant, zoals ijsthee.’

John Ashbery