Ik las het & zag het: de kern van John Ashbery’s poëtica: ‘art is to flee the external world’ – zíjn manier om met de buitenwereld om te gaan. Uit een essay dat hij op achttienjarige leeftijd schreef.
     Naar Rottevalle voor een kilometer of negen. De mist is dik & melkwit. Ik parkeer voor De herberg van Smallingerland, waar we 31 jaar geleden ons huwelijksfeest hielden. Mooi feest, goed huwelijk.
     Als ik de Mûntsgroppe insla sta ik er alleen voor: een nat zandpad waar ijzeren platen overheen zijn gelegd en nauwelijks huizen aan staan. Kaarsrecht en kilometers lang. Ik loop langs weilanden en stoppelvelden en zie af en toe wat schapen staan. Plots schrikt er vlakbij een hert op, rent weg, blijft staan, draait zich om, zoekt oogcontact en begint weer te rennen.
     Ik laat Witveen links liggen en wandel langs De Leien terug, waar honderden ganzen luidkeels opstuiven als ik passeer. Ze zouden eens moeten weten: ik doe geen vlieg kwaad.
     In mijn ‘herinneringen op Facebook’ hervind ik een gedicht dat ik op de kop af vier jaar geleden schreef:

IK ZIT OP KANTOOR, LUISTER NAAR HET FILENIEUWS

Tik ‘file’ en ‘Nietzsche’ in en bemerk dat Google de voorkeur geeft aan betekenis 2: (computer) (gerangschikte) groep gegevens; bestand.

Ik tik ‘rij wachtende voertuigen’ en ‘Nietzsche’ in en lees: Blijf dan staan en rij niet door rood.

Ik beantwoord een e-mail, voel me ongemakkelijk, denk.

We zijn zo graag in de vrije natuur omdat zij geen mening over ons heeft.

Met de trein naar Den Haag voor een lunchafspraak met Syl. Omdat de coupé maar zuinigjes wordt verwarmd heb ik mijn jas aan. John Ashbery’s jeugd dient als leesvoer. Opvallend hoe hij reeds vroeg in de ban raakt van literatuur. Als vijftienjarige verslindt hij al bloemlezingen poëzie, de leeftijd waarop ik Bob Evers nog las. Ook Ashbery’s schrijftalent wordt rap door zijn school onderkend.
     Ik schreef mijn eerste gedichten toen ik zeventien was. Mijn scheikundeleraar, hij heette IJzermans geloof ik, pakte er ooit eentje onder de les van me af en moest er hartelijk om lachen; het was een vunzig vers dat ook nog de schoolkrant haalde.
     Over Syl: veel tegenspoed & o zo veel levensmoed; moordwijf.
     Ashbery houdt enkele jaren een dagboek bij maar stopt daar in 1944 mee. Hij is dan bijna zeventien en denkt te weten wat hij wil. Zijn laatste aantekening luidt als volgt: ‘I shall rent Brute’s typewriter tomorrow. I will write better poems than I ever have and publish them. If I die in the attempt, I’ll make them respect me yet.’ Wat een aspiratie!
     Als we langs de Oostvaardersplassen tuffen stop ik met lezen en geniet van de duizenden grazers en talloze foeragerende vogels op de natte vlaktes. Ze worden allemaal bedreigd. Door ambitieuze politici die economisch belangen laten prevaleren boven die van het dier: toeristen, met busladingen tegelijk, moeten en zullen door en over dit unieke natuurgebied toeren. Idioten.

6780A8F4-8E54-442B-8E9D-B87AE283034C
Een familielunch, juli 1945, John Ashbery zit in het midden en kijkt recht in de camera, zijn moeder staat schuin achter hem, zijn oma zit uiterst rechts.

Dat John Ashbery’s poëzie niet zozeer een product is van zijn verbeelding maar vooral stoelt op zijn ervaringen, wist ik al. Maar dat veel van zijn gedichten verweven zijn met wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt, dat had ik niet gedacht. Karin Roffman in The Songs We Know Best: John Asbbery’s Early Life: de kijkdozen van de Amerikaanse kunstenaar Joseph Cornell brachten de 10-jarige Ashbery op het idee dat ‘dingen van zijn eigen “stomme, suffe” leven weleens in kunst zouden kunnen worden omgezet.’ Scheppen is hergebruiken.
     Oudega is mijn uitvalsbasis vandaag voor een wandeling door De Alde Feanen, een oogstrelend laagveenmoeras tussen Leeuwarden en Drachten in. De kou is uit de lucht en de wind gaan schuilen. Elke heg van het dorp herbergt tientallen vrolijke mussen. Boven het lage wolkendek vliegt een vliegtuig lawaaierig richting de Noordzee. Ik constateer dat de elzen in deze streek numeriek in de meerderheid zijn, zwarte elzen, waar je goed klompen van maken kunt. Langs de weg scharrelen wat kippen en een vuilniswagen stuift veel te haastig voorbij. Na negorij De Kooi passeer ik de eerste petgaten en rietlanden. Borden waarschuwen me voor overstekende otters en herten, en uiteraard barst het ook hier van de ganzen, brandganzen vooral, met hun gemaskerde koppies. Op het schelpenpad langs de Hooidamsloot word ik vervolgens ook nog verrast met een biddende sperwer en een ooievaar. Ik wil hier voor altijd blijven.

Nog altijd op zoek naar het beste boek van de wereld (zie o.a. dit bericht) kom ik in Maarten van der Graaffs debuutroman Wormen en engelen (Atlas Contact, 2017) de volgende passage tegen:

‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen. Soms begrijp ik hoe ingrijpend het eigenlijk is om gesprekken te voeren waarin je daadwerkelijk iets wil verduidelijken. Het lijkt simpel, maar dat is het niet.’

Een boek schrijven is inderdaad niet simpel, laat staan een goed, extraordinair of zelfs levensveranderend boek. Het boek dat in aanmerking wil komen voor ‘het beste boek van de wereld’ dat ík ooit gelezen heb zal van die laatste orde moeten zijn: levensveranderend. Dat boek zal op zijn minst mijn leven blijvend veranderd moeten hebben.

En er zijn al boeken die dat hebben gedaan. Ze staan in mijn boekenkast. Vijf boeken van vijf blanke mannen (over dit laatste ontluisterende feit volgt nog een bericht). Twee dichtbundels, twee filosofische werken en één roman. In willekeurige volgorde (inclusief jaartal waarin het oorspronkelijke boek voor het eerst werd gepubliceerd):

  • Hotel Lautréamont, John Ashbery, 1992
  • De bot, Günther Grass, 1977
  • Handboek voor de levenskunst, Wilhelm Schmid, 2004
  • Kosmopolis: Verborgen agenda van de Moderne Tijd, Stephen Toulmin, 1990
  • Of Being Numerous, George Oppen, 1968

Na Oppen en Ashbery ben ik andere poëzie gaan schrijven, Grass en Toulmin hebben mijn kijk op de Westerse geschiedenis ingrijpend veranderd en door Schmid ben ik anders gaan leven.

Een levensveranderd boek of vijf op driekwart mensenleven. Dat moet beter kunnen.

In de komende jaren zou ik nog graag een dozijn van dit soort boeken willen lezen. Maar hoe kom ik eraan?