Omslag Dichter & andere dingen, verschijnt eind juni
In Een lijn is een vore (2011) moet ik het procedé voor het eerst hebben toegepast: een gedicht laten bestaan uit één lange zin, verdeeld over meerdere regels en strofes. Het gebruik van lange zinnen is niks nieuws, John Ashbery is er kampioen in en Gerrit Kouwenaar kon er ook wat van. Zelfs de beperking van een gedicht tot één lange zin is legio gebezigd.

Interessant aan dit procedé is de relatie die het aan regel en zin oplegt. Omdat het allemaal binnen één zin moet gebeuren, ligt elke regelafbreking, elke witregel, elke ademhaling erg gevoelig. Als ik doelbewust aan een één-zin-gedicht begin, neem ik ook, merk ik, een andere houding aan: serieuzer, bedachtzamer. Wat vaak in de uitkomst valt terug te zien.

In mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen: Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk, die binnenkort verschijnt, staan twee nieuwe één-zin-gedichten, beide onderdeel van dezelfde serie. Dit is er eentje van:

Radicaal zijn,
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige over-
loop die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter,
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter,
dichter, zo wild als onze planeet is.

Onbegrijpelijke vanzelfsprekendheid

De poëzie van Hannah van Binsbergen roept associaties met de late John Ashbery bij me op. Pogingen om hun gedichten te begrijpen lopen nogal eens op niets uit. En toch zijn ze aantrekkelijk. Nog een overeenkomst: een zelfde toon van vanzelfsprekendheid. Onbegrijpelijke vanzelfsprekendheid kan je behoorlijk in verwarring brengen. 

Ergens in Amerika, John Ashbery, Azul Press, 2013
Kwaad gesternte, Hannah van Binsbergen, Atlas Contact, 2017

Abbingha, Lee Harwood, O’Hara, Ashbery, Büch, Meillassoux

Over catalogisering, het Abbingapark, intieme poëzie en nieuwe aanwinsten

~ Vanochtend heb ik me eerst verdiept in libib.com, een platform dat je de mogelijkheid biedt om online je boekenverzameling te catalogiseren. Lijkt me wel wat.

~ Daarna een stevige stadswandeling gemaakt. In het Abbingapark (vernoemd naar de Abbinga State, een landhuis, waarin ooit een zekere Abba Abbingha woonde en dat hier eeuwenlang in de buurt heeft gestaan) lachten deze twee fraaie beuken me toe:

8ff6d15a-fe6b-4f42-a4da-3cd5ed5f83dd
Landschap 48, Abbingapark, Leeuwarden, 2017 © Ton van ’t Hof

~ Gelezen: Landscapes (Fulcrum Press, 1969) van de Engelse dichter Travers Rafe Lee Harwood (1939-2015). Ik las ergens een gedicht van hem en schafte onmiddellijk via AbeBooks een eerste drukje, hardcover, aan.

Lee Harwood publiceerde zo’n twintig bundels poëzie. Landscapes was zijn vijfde. In deze bundel beschrijft hij op intieme wijze zijn gewaarwordingen van en ervaringen met geliefden, landschappen en steden. De anekdotische gedichten doen me qua toonzetting en sympathie voor de schilderkunst denken aan het werk van Frank O’Hara.

Voor zijn tweede bundel, The Man with Blue Eyes (1966), ontving Lee Harwood, die tweemaal trouwde en drie kinderen kreeg, overigens de Frank O’Hara Prize. In deze bundel stipt hij onder andere zijn korte romance met John Ashbery aan.

De eerste afdeling, waarin Lee Harwood landschappen schildert, vind ik de mooiste. Daaruit dit gedicht, dat ook via PennSound te beluisteren valt:

33f90143-3d28-426b-b975-439e7323db4c

Via PennSound, door Lee Harwood zelf voorgedragen.

~ Nieuwe aanwinsten:

  • Grafreizen, Boudewijn Büch, AVVL Uitvaartzorg, 1994;
  • Na de eindigheid, Quentin Meillassoux, Leesmagazijn, 2016.

De lus aan het einde

Poëzie (4) / Gedicht belicht

img_1097

De nestor van de Amerikaanse poëzie, John Ashbery, wordt volgend jaar negentig. Hoewel inmiddels wat moeilijk ter been, zit hij niet stil en publiceerde onlangs zijn 27e poëziebundel, getiteld Commotion of the Birds. Aan het openings- en titelgedicht bleef ik direct hangen:

COMMOTIE ONDER DE VOGELS

We doorlopen de zeventiende eeuw.
Het laatste deel is oké, veel moderner
dan het eerste deel. We zien hier restauratie komedie.
Webster en Shakespeare en Corneille waren oké
voor hun tijd maar niet modern genoeg,
hoewel een verbetering ten opzichte van de zestiende eeuw
van Henry VIII, Lassus en Petrus Christus, die, paradoxaal genoeg,
moderner lijken dan hun directe opvolgers,
onder wie Tyndale, Moroni en Luca Marenzio.
Lijken is bijna zo goed als zijn, soms,
en af en toe net zo goed. Of het ooit beter kan worden
is een vraag die we het beste kunnen overlaten aan filosofen
en gelijken, die dingen weten
zoals alleen zij dat kunnen, ook al zijn die dingen
vaak bijna dezelfde dingen als wij weten.
Wij weten, bijvoorbeeld, hoe Carissimi Charpentier beïnvloedde,
proposities overdacht, met een lus aan het einde,
die dingen terugleidt naar het begin, maar dan ietsje
hogerop. De lus is Italiaans,
gepresenteerd aan het Franse hof en eerst verfoeid,
daarna geaccepteerd zonder enige erkenning van waar
hij vandaan kwam, zoals Fransen gewoon zijn te doen.
Het kan zijn dat sommigen hem herkennen
in zijn nieuwe vermomming – wat met rust kan worden gelaten
tot een andere eeuw, als historici
zullen beweren dat alles normaal verlopen is, ten gevolge van de geschiedenis.
(De barok heeft er een handje van op ons af te springen
terwijl wij dachten dat hij veilig opgeborgen was.
Het classicisme negeert hem, of kan het weinig schelen.
Dat heeft andere dingen aan zijn hoofd, van minder belang,
zo blijkt.) Toch doen we er goed aan om met hem mee te groeien,
ongeduldig uitkijkend naar het modernisme, als
alles zich ten goede zal keren, op de een of andere manier.
Tot dan is het beter om onze smaken hun zin te geven
in wat hun hart dan ook ingeeft: deze schoen,
die riem, zal op een dag nuttig lijken
als de diepzinnige verschijning van het modernisme zich overal
heeft geïnstalleerd, als het overblijfsel van een constructieproject.
Het is goed modern te zijn als je dat kunt verdragen.
Het is alsof je buiten in de regen staat, en begint
te begrijpen dat je altijd zo bent geweest: modern,
nat, in de steek gelaten, maar met die bijzondere intuïtie
die je je laat realiseren dat het niet de bedoeling is
dat je iemand anders bent, voor wie de makers
van het modernisme in de houding zullen staan
zelfs nu ze verbleken en langzaam verdwijnen in de schittering van vandaag.

‘Commotion of the Birds’ is in veel opzichten een typisch Ashbery gedicht: voor ieders verbeelding wat wils. Op gemoedelijke wijze wordt ons iets voorgeschoteld wat tegelijkertijd geschiedenis, kroniek, legende, mare en sage is. Komisch en dramatisch. Verenigd in één gedicht.

Wat me opvalt is de boodschap aan het einde, iets wat Ashbery niet gewoon is te doen: wees en blijf ondanks alles vooral jezelf. Wijsheid van ouderen. Die ik me ter harte neem.

Commotion of the Birds, John Ashbery, Ecco, 2017: via bol.com.

Ergens in Amerika, John Ashbery, vertaling Ton van ’t Hof, onder redactie en met een voorwoord van Jan Baeke, Azul Press, 2013: via bol.com.

Geen boek makkelijker af te kraken dan een bloemlezing, geen boek nuttiger

In de inleiding van zijn nieuwe boek The Poem Is You: Sixty Contemporary American Poems and How to Read Them legt dichter, criticus en hoogleraar Stephen Burt uit hoe hij tot zijn keuze is gekomen. Hij realiseert zich dat van hem als autoriteit – The New York Times noemde hem ‘one of the most influential poetry critics of his generation’ – wordt verlangd dat hij uitlegt waarom hij uit de honderdduizenden gedichten die er de afgelopen decennia in de VS zijn verschenen juist deze zestig heeft gekozen.

img_0686

Daar waar de academisch geschoolde samenstellers van Dichters van het nieuwe millennium om onduidelijke redenen hun keuzeproces niet openbaren, neemt Burt zijn verantwoordelijkheid.

Het oudste gedicht dat Burt bespreekt, ‘Paradoxes and Oxymorons’ van John Ashbery, werd in 1981 voor het eerst gepubliceerd. 1981 is om meerdere redenen een scheidslijn:

‘By that point almost all the poets who shaped American verse before the 1960s had died: Lowell in 1977, Louis Zukosfsky in 1978, Elizabeth Bishop in 1979, Robert Hayden and James Wright in 1980. Others had nearly stopped writing (George Oppen) or had already written their best, and their best-known, short poems (James Schuyler, Brooks). The year represents a pivot in political and economic history: the start of the Reagan era, the end of the countercultural dream. And, of course, the book has to start somewhere.’

Het jongste gedicht verscheen in 2015. Burt wil graag dat de zestig gedichten die hij bespreekt ‘recht doen’ aan de periode 1981-2015, waarbij hij zich realiseert dat hij dan ook gedichten op zal moeten nemen die niet direct zijn persoonlijke voorkeur genieten:

‘A book like this one should at least try not to leave any whole side of American poetry blank. I have tried to expand my taste. […] Sixty poems cannot reflect the whole of America: its ethnicities, its personalities, its locales. But the critic who puts those poems together can try.’

En, in tegenstelling tot wat ik nogal eens hoor, denkt Burt dat het wél mogelijk is om voldoende zicht op de enorme poëzieproductie te verkrijgen om tot een behoorlijke keuze te kunnen komen: ‘It’s easy for a diligent [ijverige] seeker with a good library and a book budget to find some poems by writers from almost any significant demographic category, about almost any kind of lived experience, or about almost any kind of influence, from D.C.’s go-go music to Lucretius’s Latin.’

Na deze afbakening gaat Burt dieper op zijn keuzeoverwegingen in:

‘Ethnic diversity matters, but so does diversity in terms of styles, schools, kinds of poems, topics, and attitudes. […] I have also sought diversity in terms of how prominent the poets and the poems and even their publishers have become. […] I have tried for variety both among recognizable forms (the sestina, the anaphoric list, the New Sentence) and among harder-to-classify kinds. […] Why only American poetry? One country is big enough, and American poetry remains a convenient, indeed inescapable unit, however contested and blurry its bounds. […] The book you are now reading probably has more poems that tell or at least imply stories, more poems that portray consistent scenes, and fewer contributions from the precincts of contemporary “experiment,” from what many of us call the post-avant-garde. One reason is pedagogical: some of those poets require that you have read others – they are, so to speak, more specialized, or more advanced. […] I have excluded poets all of whose best works are more than a few pages long, unless those works’ short components can stand on their own. […] Potential conflicts of interest have led me to hard calls, and much second-guessing, in both directions: while I have included poets known to me personally, I decided not to consider several – especially those of my own generation – either because I know them so well or because they published and supported my own work so frequently for so long.’

En al deze overwegingen leidden tot een persoonlijke, maar tegelijkertijd ook prominente keuze van zestig hedendaagse Amerikaanse gedichten, waarmee bij de samenstelling van een heuse canon rekening zou moeten worden gehouden.

The Poem Is You: Sixty Contemporary American Poems and How to Read Them, Stephen Burt, The Belknap Press of Harvard University Press, 2016: via bol.com.

Op z’n minst raadselachtig

Het tweede gedicht uit John Ashbery’s nieuwe bundel Breezeway, getiteld ‘The Sad Thing’, is op z’n minst raadselachtig te noemen:

DE DROEVIGE ZAAK

Hij heeft een luie vader in Minnesota.

Ik hoop dat je dit nooit in het leven hoeft te doen, met zijn gekke kleine verduisterde kamers. Mensen staan, een accurate warboel. Famille rose blije kostgangers.

En als het water vreemd smaakt, moet ze behoorlijk jong zijn. Dat kwam van een boom.

Grand old Ashbery wordt over enkele dagen 88 jaar. Zijn hoge leeftijd staat het schrijven nog niet in de weg. Breezeway is zijn achtste bundel met nieuwe gedichten sinds de eeuwwisseling. Eenduidig is zijn werk nooit geweest. Neem bovenstaand gedicht, waar geen chocolade van te maken is. Ik kom in elk geval niet verder dan het idee dat Ashbery hier mijmert over de kortstondigheid van het leven, zijn eigen sterfelijkheid, de laatste druppels water die hij kan opvangen van de takken van de levensboom. Vanaf de zijlijn slaat hij de mensen gade, fluistert ze nog wat raad in, herinnert zich iemand in Minnesota en betreurt het naderende einde, de droevige zaak.

Ashbery’s gedichten zijn cakewalks voor het bewustzijn, waarvan meerduidigheid een aandrijfas is. Ze kunnen je naar uithoeken brengen, afgelegen innerlijke plaatsen, waar je nog nooit bent geweest. Ashbery is een avonturier, maakt ontdekkingstochten door het binnenste van de mens, exploreert op onnavolgbare wijze onze geestelijke gevoelens, ons gemoed.

* ‘Famille rose’ = roze gekleurd Chinees porselein, maar ‘rose’ is in het Engels ook de verleden tijd van opstaan, wat deze zin verbindt met de vorige.

(Dit bericht verscheen eerder, op 20-07-2015, op tonvanthof.tumblr.com.)

Montalivet-les-Bains

montalivet1

Bij vertrek bleek het slot van onze auto gemold, waardoor de portieren gesloten bleven en de auto niet langer kon worden gebruikt. Dan maar lopend naar het station, koffers achter ons aan slepend. Na een voorspoedige vlucht om 16:15 u. op het vliegveld van Bordeaux geland, onze huurauto (witte Fiat Panda) opgehaald en naar Montalivet-les-Bains gereden. Fijn weer, felgroene bossen (lange, aangelegde, regelmatige rijen naaldbomen). Het geadverteerde droomhuis bleek een echt droomhuis te zijn, zij het met een kapotte wc (doorspoelen met behulp van een emmer water biedt voorlopig uitkomst). Daarna naar de zee gewandeld en een smakelijk hapje gegeten (koffie met cognac na).

In het vliegtuig las ik in Seven American Poets in Conversation (Between The Lines, 2008) een lang interview met John Ashbery; over inspiratie gesproken:

‘Anyway, I remember I decided to write a long prose poem, because I realized that I hadn’t done this before, and I was trying to think of something I hadn’t done before. I started writing the first one, and decided it would be a nice idea to have three of them. I thought of them as three oblong empty boxes to be filled with anything. I remember discussing it with my analyst, Carlos (a Chilean); I said, “I’m writing these three long prose poems, but I can’t think of anything to put in them,” and he said, “Why don’t you think about all the people who’ve meant most to you in your life, and then don’t write about them, but write about what you think when you think about them?” I thought this a good idea, though I’m not sure I ever actually did it.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 30-08-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Radicale mieren

BOMB Magazine publiceerde drie nieuwe gedichten van John Ashbery. Ik heb getracht om uit te vogelen wat het eerste gedicht, ‘The Price of Eggs’, wil zeggen, óf het überhaupt iets zeggen wil, en moet vaststellen dat het vooralsnog weinig samenhang voor me heeft. Oordeel zelf. Mr Coffee Nerves is een figuur uit een jaren 50 strip waarin reclame wordt gemaakt voor een koffievervanger. Hij valt mensen aan die cafeïne in hun lichaam hebben. Er zitten nog twijfelingen in onderstaande werkvertaling, bijvoorbeeld ‘raw orange’/’onrijpe sinaasappel’ (ruw oranje?) en ‘plant’/’val’ (plant, fabriek?).

DE PRIJS VAN EIEREN

Niemand herinnert zich Mr Coffee Nerves,
zijn schoot van het lot, hij zit daar zogezegd.

Gezinnen met huisdieren, help me een handje.
Hij maakt zich misschien zorgen over iets:
de parodie van de zon, de prijs van eieren, onrijpe sinaasappel.

Wie heeft die val gezet?
Ze verdween enigszins … Zal ik lachen?
Je moet je niet druk maken om vis.
Radicale mieren schaafden onze definitie bij.

In de bedekte fase, een seconde geleden.
Ze zou weleens ontsnapt kunnen zijn
alleen maar tussen die verhandelingen waarvoor gezorgd was
en achter hun kunnen werken
voor dandy’s, voor een prinses,
getrainde lulhannessen:
‘Voor 13 ½ miljoen pond aan textiel en kleding verkocht.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-03-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Het ademloze uitzicht

ELS MOORS! Je probeert in je nieuwe bundel Liederen van een kapseizend paard (het balanseer/Nieuw Amsterdam, 2013) te ontsnappen aan betekenis. Je haalt streken uit. Ik begrijp er soms niets van!

maar de geur van natte aarde
is ook altijd een begin
bijvoorbeeld van een dier dat vliegt

Allejezus, wat raadselachtig. En toch: ik voel me er best lekker bij. Hou van iedereen die leeft. Net als toen ik John Ashbery voor de eerste keer had gelezen. ‘Later kunnen we vrijen je merkt het meteen,’ zeg je, en ik geloof het direct. Zoals ik ook geloof dat jij niet gelooft in een narratief leven: het overkomt je, oh ‘prooi / van een biddende roofvogel’. En als afweerreactie kruip je in je onderzeeër die weer zijn eigen afweer kent:

neuken is het sleutelwoord waarmee je
vreemden de toegang tot elke
onderzeeër
ontzegt

Over jouw lusten schreef Freud boeken vol, jouw onderdanige ‘chocolade billen richting zijn ronde neusgaten’, jouw ‘kont’ die je voorgaat ‘bij aankomst in elke stad’, jeminee, ik betrap mezelf erop dat ik naar jouw foto op de achterkant zit te staren! Gelukkig ben je ongrijpbaar, onnavolgbaar, zoals ook Cruijff dat kon zijn:

engel leg een nieuw lichaam voor me klaar
gevoed door een verschroeiende kogel in mijn slaap
gedragen door sneeuw

een hoed om met lood en zonlicht in het papier te vlechten
een lange smalle jongen
en ik neem zijn hand

onthutsend zal ik openklappen
klap klap

zoals de zee de hemel neemt
en transformeert
tot zilte wolken
golven stormen

morgen

Jouw poëzie is een poging om te ontsnappen aan de onvermijdelijkheid dat we met ons doen en laten iets betekenen, met elk woord iets aanduiden, iets te kennen geven. Jouw poëzie wil opgaan in het ontologisch gezien betekenisloze zijn der dingen. Maar in dit opzicht is poëzie een bij voorbaat kansloos medium, zoals je weet, al breng je me heel dicht aan de rand van de krater en het ademloze uitzicht.

(Dit bericht verscheen eerder, op 23-12-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Ashbery’s Tower van Londen

Ik vertaalde voor Poetry International nog een gedicht van John Ashbery, dat hij voorlas in een film die werd vertoond: ‘The Tower of London’, uit Planisphere (2009). Het staat niet in de bloemlezing Ergens in Amerika.

DE TOWER VAN LONDEN

is niet echt een toren. Het is een vierkant
gebouw met torens op elke
hoek. In de jaren dertig
maakten ze er een film van met Boris Karloff
als Mord de beul, die liefhebberde in martelen.
Mord was een druk man. Zijn baas, Richard de Derde,
was veeleisend. Richard had geen bochel
op zijn rug, maar Boris had een klompvoet,
wat ter compensatie leek te dienen. Richard verdronk
de Hertog van Clarence, die niet Clarence heette,
in een vat malvezij, een zoetige wijn.
Clarence stond in de weg. Richard
was vastbesloten om iedereen af te maken die in de weg stond,
inclusief de prinsen in de Tower, twee
kleine jongens, praktisch peuters, de zonen
van ouwe Henry de Zesde, of misschien van
Richards halfbroer, Edward,
gespeeld door Ian Hunter. Richard werd gespeeld door
Basil Rathbone, die ook Sherlock Holmes speelde.

De prinsen, die ook Richard
en Edward heetten, geloof ik, hadden niks gedaan.
Ze verdienden het niet om te worden vermoord.
Maar ja, niemand verdiende dat, ook ouwe Henry
de Zesde niet, alhoewel hij op dat moment niet goed snik was.

Richards bruid leek niet op de koningin
in het stuk Richard III. Ze werd gespeeld door
Barbara O’Neil, die Scarlett O’Hara’s moeder speelde
in Gone with the Wind, al was ze niet oud genoeg
om die te kunnen zijn, meen ik me te herinneren. Wacht eens,
ze was eigenlijk Edwards vrouw. Richard ging
met Lady Anne, die werd
gespeeld door Nan Grey, al trouwde ze uiteindelijk
met Wyatt (John Sutton) nadat ze ontsnapten
uit de Tower, of het Kasteel. Op het laatst
vermoordt Richard zo ongeveer iedereen, behalve Mord,
die door iemand van de klif wordt geduwd,
een gepast eind aan een akelige carrière.

John Ashbery
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-07-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

De zin van het leven is het creëren van de zin van het leven

Hij zou het zelf misschien ontkennen, maar ik geloof dat John Ashbery’s oeuvre ook een queeste is naar le moment sublime, waarin het bestaan even wordt ontdaan van vastgeroeste betekenissen en zich de mogelijkheid opent om alternatieve zin aan het leven te geven. De ‘You’ in het gedicht ‘How I Met You’ (Quick Question, 2012) zou weleens kunnen verwijzen naar dat moment.

HOE IK JE ONTMOETTE

Ik zou een ‘goede nachtrust’ hebben gehad, wat betekent
denken aan wakker worden, en wakker worden,
dichter naar elkaar toe schuivend, en dan weer niet.
Dat en de muziek die we ontvangen, soms
op tijd, soms incompleet, zoals Ulysses en Penelope
die iets bespreken in een achterkamer, zonder
dat het ze veel uitmaakt of anderen hen horen, het is
tenslotte hun probleem, of niet soms? Of
ik racete langs de maan, de rand van het water
leek min of meer juist, maar hoe moest ik weten
welke rand? De overlappende of het water? Na
een tijdje kwam het neer op deze dingen, wellicht kleinigheden.
En zeker, je kunt het hebben, ‘voor wat het waard is’,
tegen die tijd alleen
zullen we ons weer hebben teruggetrokken;
er zijn mensen die deze dingen kunnen wegnemen
zo zeker als anderen ervan zijn dat ik ze je terugbezorgen zal
via de lange omweg. Verder waren
de planken van onder tot boven rood geschilderd.
Iets als een koelte bracht een afgelegen klimaat voort
alleen had ik het daar niet over, alleen
waar de toppen zich verenigden, in een dans, samen
wiegelend als ranken in een opgewekte stemming open
voor een keer.

John Ashbery
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

De muur van het privéleven

Dat de bel ging gisteren en dat MvdS in de deuropening stond met een gloednieuw exemplaar van John Ashbery’s & Joe Brainards The Vermont Notebook (1975, herdruk 2001) in zijn handen en met een big smile zei: ‘Voor jou. Op de kop getikt bij De Slegte.’ En dat me dat verdomd goed doet, dat er mensen zijn die zomaar aan je denken. Het verwondert me, maakt me bescheiden. Thanks, M.

Het eerste deeltje uitgelezen van The Grand Piano: An Experiment in Collective Autobiography: San Fransisco, 1975-1980 en ik ben EXITED! 80 bladzijden waarin alle auteurs zich introduceren met behulp van het thema ‘love’: Bob Perelman, Barrett Watten, Steve Benson, Carla Harryman, Tom Mandel, Ron Silliman, Kit Robinson, Lyn Hejinian, Rae Armantrout en Ted Pearson, die allen aan de wieg stonden van “language poetry”.

Ik leer dat Silliman ooit een brief schreef aan Ezra Pound, ‘tho to no response’, en deel met Hejinian het verlangen om het schrijven nooit tot een punt van voltooiing te laten geraken, maar het tegelijkertijd naast en in een dialoogvorm met het denken te laten ontstaan. In tegenstelling tot Hejinian zweer ik de vorming van sublieme verdwijnpunten daarbij niet af, die ontdek ik nu eenmaal zo af en toe in de onmetelijke ruimte van mijn geest; ze bestaan evengoed.

Armantrout heeft het beste citaat, waarin niet alleen de oorsprong van de language beweging zich samenbalt maar ook al de oorzaak van haar verval:

‘I think we all found the first-person lyric poem as we inherited it (with its production of the ‘personal’) somehow unsatisfactory, even disingenuous. Then what? Pronouns don’t go away.’

Vervolgens werden het collectief en de taal in de spotlights gezet.

(Dit bericht verscheen eerder, op 18-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Westerklief en nog zo wat

1. Drukke week achter de rug waarin slechts op dinsdag en woensdag plaats was voor poëzie. De boeiende discussie over Ghayath Almadhouns gedicht ‘Wij’ woensdagavond in Perdu (zie bericht hieronder) draaide vooral om de vraag hoe ironisch het kan of moet worden gelezen. Volgens mij tot op het bot: Almadhoun maakt geen enkele verontschuldiging maar verwijt, laakt alleen maar. Wat ik overigens heel goed kan begrijpen. Maar niet iedereen was het met deze uitleg eens. De slotzin bleef ook aan tafel een mysterie.

2. Vanochtend mijn tanden gezet in en stukgebeten op een gedicht van John Ashbery, ‘How I Met You’ uit zijn laatste bundel Quick Question. Mijn vertaling van het woord ‘lapping’ in onderstaand fragment is voorlopig blijven steken op ‘overlappende’:

I was racing along the moon, the water’s edge
seemed about right, but how was I to know
which edge? The lapping or the water?

3. Ik denk lang na over de vraag ‘how works of poetry could not merely reproduce conflict but present a counter-hermeneutics anticipating tactical media practices?’ Er spreekt strijdlust uit deze vraag. Dichters die tot actie willen overgaan. Door een tegenleer te lanceren, die andere interpretaties mogelijk maakt. Poëzie als politieke daad. Zoiets. Ik begrijp ze wel, maar moet toch ook glimlachen. Realiseer me dat ik cynisch ben.

4. Al geruime tijd werk ik aan compositie en procedé voor Een lijn is een vore deel 2. Op basis van samples scherp ik de boel steeds verder aan. Onderstaand gedicht is zo’n proeve en zal niet tot de bundel gaan behoren, maar leidde wel tot een doorbraak in de vaststelling van de productiemethode.

WESTERKLIEF

In Westerklief werd nog niet zo lang geleden
hakzilver in de grond gedetecteerd, bijna 100
Arabische en Karolingische munten tussen scherven in
van een aardewerken pot met radstempelversiering en meer

dan 1000 jaar oud. ’t Was een Viking, die ze
achterliet. Hij hakte sieraden, munten en baren in kleine stukjes
tot gewichtsgeld voor de handel. Hij hield zijn prestige op
door goederen te binden in plaats van de vriendschap.

In feite is de ontstaansgeschiedenis van ’t geld zo logisch
als wat. Hoeveel eieren is een brood is een koe is een vliegreis
naar de Malediven waard? De stilte

het bewijs dat je er bent. De oceaan een oneindig bekken
waarin je al je munten kwijt kunt, wat op de een of andere manier meer
substantie lijkt te geven, als een klop op je schouder.

Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 09-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Een lus naar de biechtstoel

Ik lees meestal meerdere boeken tegelijkertijd. Soms worden dat er zoveel dat ik besluit om ze eerst allemaal uit te lezen alvorens ik weer aan een nieuw boek begin. Zoals ik zo af en toe op een avond alle restjes whisky opdrink. De afgelopen weken rondde ik een stuk of tien boeken af.

John Ashbery’s Quick Question (Ecco, 2012) is de laatste in deze afrondingsreeks. Wat een geweldige bundel. Ashbery is ruim 85 en schrijft nu zijn fijnste poëzie. Meer van hetzelfde? Jawel, maar grand cru. De allerbeste gedichten uit Quick Question, door hemzelf uitgekozen, vertaal ik momenteel voor Poetry Internationaal, dat het werk van Ashbery dit jaar in de etalage zal zetten. Ik kwam vanochtend echter een gedichtje tegen, dat niet tot de gevraagde vertalingen behoort, maar dat ik u toch niet wil onthouden; het intrigeert me tot op het bot.

ZOALS EENIEDER GAAT

Ze zeggen dat de vogels geen schade aanrichtten.
Het leven dat we roeien naar het ongemakkelijke centrum,
mug voor mug, verspeelt het bos.

Maar dat was een andere toren. Hij zal niet bezwijken
of uitweiden. Zo verwarrend als een klap op de arm,
lopers vormen een lus terug naar de biechtstoel.

John Ashbery
Vertaling Ton van ’t Hof

Dit gedicht gaat over de dood, dat ‘ongemakkelijke centrum’ van het leven. Over de dood die de VS overviel op 9/11 (de lopers nemen vast deel aan de 9/11 Heroes Run die elk jaar overal in de VS wordt gehouden ter nagedachtenis aan de gevallenen), over de dood op nog veel grotere schaal als we de aanslagen op ons milieu niet weten te voorkomen, en over de dood van Ashbery zelf: zoals eenieder gaat. Ik mag nu eerst nog aan een nieuw boek beginnen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 24-02-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Gedicht John Ashbery

John Ashbery’s gedichten zijn hypnotiserende taalpatronen die effectief vaag zijn: ze klinken concreet maar zijn in feite zo algemeen en dubbelzinnig van aard, dat ze heel gemakkelijk aansluiten bij de ervaringen van de lezer. Ik raak telkens in een andere stemming, lijk steeds weer in mijn onderbewustzijn te belanden.

Als ik Ashbery vertaal is ‘effectieve vaagheid’ een belangrijk keuzecriterium. Hieronder een vertaling van mijn hand van het titelgedicht uit zijn nieuwste bundel, Quick Question (Ecco, 2012):

KORTE VRAAG

Hier in het museum vragen we niet om moeilijkheden,
alleen de kruis van het huis, in zekere zin. Wij kunnen verder gokken
en chiquer zonder meeropbrengst. Van tijd tot tijd gonsden de auto’s

’s avonds laat en werden bleek: Uitspatting en berouw –
was dat niet het idee? Op jouw initiatief
zijn we hier, dwars door het ongemakkelijke deel

van een stad heen. Het leek wel alsof
sommige engelen wankelden op het houten hek.
Waren wij alles waar ze weet van hadden?

Of spelen wij een rol in hun geest reinigende
ritueel, noodzakelijk en af te danken?
Is dat niet logischer?

Minder dan een uur voor onze terugkeer van het meer
bloesemden de bomen als ontploffende granaten,
het landschap zoog zijn adem in,

nam er zoals altijd de tijd voor.
Ik wilde er met je moeder over praten,
maar heb haar nooit kunnen vergeven dat ze niet hier was, en kleurloos,

zoals moeders zouden moeten zijn,
denk ik. Te veel toepassingen van de regel volgen.
Er zijn er te veel, altijd bij ons

onder de boom die staat op het gazon
maar er niet meer is, alsof hij wil bewijzen dat het een droom was,
een ander tijdslot.

John Ashbery
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 12-12-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)