Nog altijd op zoek naar het beste boek van de wereld (zie o.a. dit bericht) kom ik in Maarten van der Graaffs debuutroman Wormen en engelen (Atlas Contact, 2017) de volgende passage tegen:

‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen. Soms begrijp ik hoe ingrijpend het eigenlijk is om gesprekken te voeren waarin je daadwerkelijk iets wil verduidelijken. Het lijkt simpel, maar dat is het niet.’

Een boek schrijven is inderdaad niet simpel, laat staan een goed, extraordinair of zelfs levensveranderend boek. Het boek dat in aanmerking wil komen voor ‘het beste boek van de wereld’ dat ík ooit gelezen heb zal van die laatste orde moeten zijn: levensveranderend. Dat boek zal op zijn minst mijn leven blijvend veranderd moeten hebben.

En er zijn al boeken die dat hebben gedaan. Ze staan in mijn boekenkast. Vijf boeken van vijf blanke mannen (over dit laatste ontluisterende feit volgt nog een bericht). Twee dichtbundels, twee filosofische werken en één roman. In willekeurige volgorde (inclusief jaartal waarin het oorspronkelijke boek voor het eerst werd gepubliceerd):

  • Hotel Lautréamont, John Ashbery, 1992
  • De bot, Günther Grass, 1977
  • Handboek voor de levenskunst, Wilhelm Schmid, 2004
  • Kosmopolis: Verborgen agenda van de Moderne Tijd, Stephen Toulmin, 1990
  • Of Being Numerous, George Oppen, 1968

Na Oppen en Ashbery ben ik andere poëzie gaan schrijven, Grass en Toulmin hebben mijn kijk op de Westerse geschiedenis ingrijpend veranderd en door Schmid ben ik anders gaan leven.

Een levensveranderd boek of vijf op driekwart mensenleven. Dat moet beter kunnen.

In de komende jaren zou ik nog graag een dozijn van dit soort boeken willen lezen. Maar hoe kom ik eraan?