De Argentijnse Mirtha Dermisache (1940-2012) staat bekend om haar asemische kunst, geschriften die ‘geen specifieke semantische inhoud’ hebben. De lezer mag zich uitleven in het betekenisvacuüm van de verzonnen taaltekens en zelf strekking geven aan het geheel. Bovendien komt de vorm nu in het volle licht te staan. Asemische werken liggen op het grensgebied van beeldende kunst en poëzie. Ze kunnen op mijn sympathie rekenen.

Hieronder enkele foto’s van Dermisaches acht pagina’s tellende werk Diario nº 1, Año 1, uit 1972, dat werd afgedrukt op krantenpapier.

Tot mijn verbazing stuitte ik nog niet zo lang geleden in mijn digitale Van Dale Groot woordenboek Nederlands op het lemma ‘minor poet’. Ik had niet verwacht dat deze uitdrukking (al) toebehoort aan het Nederlands.

Van Dale omschrijft de minor poet als volgt: ‘minder belangrijke dichter met een bescheiden scheppingsdrang en vaak een aan de persoonlijke ervaringswereld ontleende thematiek’.

Huh? Ik beschouw mezelf als een minor poet, als een dichter met een beperkt lezerspubliek en kleinere oplages, maar bezit evenzogoed grote scheppingsdrang en put bij het dichten slechts sporadisch uit eigen ervaringen.

Mijn woordenboek Engels omschrijft ‘minor poet’ enkel en alleen als ‘minder belangrijke dichter’, wat beter aansluit bij mijn belevingswereld.

Onlangs duikelde ik, in een hoekje, ook nog een titelloos gedicht van mijn hand op, dat nog geen onderdak in een bundel heeft gevonden. Naar aanleiding van het bovenstaande diende zich bovendien een titel aan:

ODE AAN ALLE MINOR POETS

Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven

met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel

gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel

zachtjes wordt teruggelegd.
Omslag van mijn eerste dichtbundel, 2007

Twee dagen het Scholtenpad bewandeld, rondom Winterswijk. Glooiend halfopen landschap met veel es en eik. In deze streek werden herenboeren scholtenboeren genoemd.

Men ging vandaag niet voor klimaatverandering, kloof tussen arm en rijk, polarisatie of burn-outs de straat op, maar voor concerten en festivals. Wat een feest.

Dat 9/11 mijn leven heeft beïnvloed is een understatement. Sinds enkele weken denk ik weer elke dag aan mijn tijd in Afghanistan.

‘Because we know there is something to mean.’ – George Oppen

Huppel, 2021 © Ton van ’t Hof

Onze voorstellingen zijn onstoffelijk, niet tastbaar, vluchtig ook. Ze bezitten geen inertie, ‘de eigenschap van lichamen om te volharden in de toestand waarin zij zich bevinden’. Van Dale wijst ook nog twee andere betekenissen van inertie toe: ‘traagheid’ en ‘daadloosheid’. Rae Armantrout schreef er een gedicht over, ‘Equals’, dat is opgenomen in het formidabele Versed (2009):

IS GELIJK AAN

1.

Alsof, tenslotte,

het ding dat in je opkomt
in het kwadraat
maal inertie

de ‘werkelijkheid' was.

2.

Een hagedis
die met zijn kop vastzit

in de strot
van een tweede.

Het beeld van de twee hagedissen is zo weerzinwekkend dat het, telkens weer, lang bij me blijft hangen. Armantrout heeft, heel knap, een ietsepietsie inertie aan dit vers weten te verlenen.

En wie voor het ‘ding’ ook eens ‘woord’ of ‘gedicht’ leest zal worden verblijd met nog meer mogelijke duidingen.

Op metaniveau: de ‘verknoopte’ hagedissen als metafoor voor poëzie.

De ouderdom komt met gebreken; I know. Maar hoe ga je daarmee om? Adviezen genoeg, maar uiteindelijk zul je zelf een modus moeten vinden.

Mijn belangrijkste wapens zijn: een meterslange lijst karweitjes, op zijn tijd een schuimend potje bier, een zweempje ironie en heul veul gelatenheid. Wat het onvermijdelijke iets verzoet, maar meer ook niet.

Robert Creeley zette een ander middel in: hij schreef als uitlaatklep gedichten over het aftakelingsproces. Onderstaand vers publiceerde hij in 1990, toen hij 64 was:

O

O, blijf nog even,
slaphangend vel
en broos geworden botten.

Blijf zitten,
gerimpeld gezicht, tanden,
ga niet weg.

Vanbinnen en vanbuiten
het verleppen
van lichaamsdelen,

bewegingsleer,
het verval
van de geest, een en al

echo hier
in gevlekte huid, vertroebeld oog,
herhaald gemompel.

Zucht eens, of geef eens
een teken in het luchtledige
dat ik nog steeds binnenin zit.

Wat een doffe ellende. Grotendeels. Want dit gedicht is tevens de bevestiging van het feit dat er nog altijd leven zat in de oudere Creeley.

Je moet je piepende lichaam en krakende geest dingen blijven ontfutselen.

Robert Creeley

Robert Lax zocht op de grens van tijd en tijdloosheid naar ritmes en samenhangen van het bestaan. Klare taal was zijn handelsmerk. Zijn bezielde werk geeft me regelmatig een mystiek gevoel van eenheid. Uit Sea & Sky (1965):

de
dromen-
de

zee

de
lachen-
de

lucht

de
dromen-
de

dromen-
de

zee

Hier wordt een mens toch allejezus gelukkig van.

Robert Lax in Griekenland, ca. 1985

Boeken FM: hysterisch, verwend en zonder kennis van de geschiedenis.

Las een column van Bas Heijne tweemaal: ‘Nederland anno nu: roepen dat alles anders moet, zodat alles hetzelfde kan blijven.’

‘You must be the change you want to see in the world.’ – Mahatma Ghandi

Zag honderdvijftig kieviten foerageren in een stoppelveld.

Wist nu zeker: ik moet, ten koste van mijn dagboek, voorlopig wat anders doen; poëzienotities blijven volgen.

Hantum, 2021 © Ton van ’t Hof

Isaak Soreau werd in 1604 uit Waalse ouders geboren in Hanau, Duitsland. Zijn vader was kunstschilder en van hem leerde Isaak het schildersvak. Het stilleven was Isaaks specialiteit en bloemen en fruit waren zijn favoriete onderwerpen.

Een briefkaart met een afbeelding van een van Isaaks schilderijen was voor Caroline Knox aanleiding tot het schrijven van een gedicht, ‘Flemish’ geheten, dat is opgenomen in de gelijknamige bundel uit 2013:

VLAAMS

Mijn zuster zei,
‘Alle dingen op dit schilderij,
Stilleven met Aardbeien,
lijken te zweven'
(van Isaak Soreau [1604-na
1638],
Vlaams, begin jaren 1630
Schenking van Mevr. Robert McKay
Cincinnati Art Museum)
SCHRIJF NIET BENEDEN DEZE LIJN
-—————————————————————————————————————
stond er op de briefkaart van het schilderij.

‘Weet je hoe je aardbeien
kunt laten zweven?' zei mijn dochter,
‘ontdoe ze van hun kroontjes,
meng ze met een halve theelepel
balsamicoazijn en een theelepel
poedersuiker; laat ze een tijdje staan.'

Toch haalt Stilleven met Aardbeien het niet bij zijn Anjers, Tulpen en Andere Bloemen in een Glazen Vaas met Perziken, Druiven en Pruimen in een Mand op een Richel met Kersen, een Vlinder en een Kever.
Daar komt nog bij dat Isaak Soreau een tweelingbroer had, Peter Soreau, die in 1652 Stilleven met Appels, Blauwe en Witte Druiven en een Walnoot in een Porseleinen Schaal, Samen met Kastanjes, een Peer, Vijgen, Rapen en een Meloen. Dit Alles op een Tafel met een Zootje Snippen Hangend aan een Spijker (SAZWDWPSSKPVRMDATZSHS) schilderde. Oh Vlaanderen! Dat deel uitmaakt van de Benelux, de lage landen.

Toen ik dit gedicht voor het eerst las, dacht ik dat het een geintje was. Nu, na wat onderzoek, weet ik beter. Hier wordt zonder gekheid en met oog voor detail naar de werkelijkheid verwezen.

In de eerste strofe lezen we wat er op de achterkant van de briefkaart staat, die Knox kennelijk van haar zuster heeft gekregen. Ik stel me voor dat zusterlief het kunstmuseum van Cincinnati bezocht, onder de indruk raakte van Stilleven met aardbeien en er een briefkaart van kocht. En wie goed naar het schilderij kijkt (zie afbeelding hieronder) ziet dat de voorwerpen, vanwege te weinig dieptewerking, inderdaad wat lijken te zweven.

in de tweede strofe krijgen we, nadat Knoxs dochter de briefkaart heeft gelezen, een beproefd recept aangereikt voor de bereiding van aardbeien in balsamicoazijn; verrukkelijk!

En ook de derde strofe dient de waarheid: Isaak had werkelijk een tweelingbroer die Peter heette en eveneens kunstschilder was, en ook de twee schilderijen met die idiote lange namen bestaan echt, vervaardigd door de heren.

Hoe anders dan ik in eerste instantie had gedacht: geen verzinselen, maar een modellering van flamboyante feiten. Knox moet er dol op zijn. De uitroep ’Oh Vlaanderen!’ komt voort uit het plezier in zoveel overvloed.

Tot slot nog een kleine opmerking, een dingetje waarover ik struikelde. De gebroeders Soreau hadden Waalse ouders, kwamen in Hanau ter wereld en werkten voornamelijk in Frankfurt am Main en omstreken. Ze staan te boek als Duitse schilders. Vanwege gelijkenissen met het werk van de Vlaamse kunstschilder Jacob van Hulsdonck en het feit dat een van Isaaks schilderijen is geschilderd op een houten paneel dat afkomstig is uit Antwerpen, wordt verondersteld dat Isaak enige tijd in Antwerpen heeft doorgebracht.

Al met al heeft Stilleven met aardbeien niet zo veel met Vlaanderen te maken. Als vreugdekreet zou ‘Oh Hessen!’ toepasselijker zijn geweest.

Stilleven met aardbeien, Isaak Soreau, ca. 1630

K. Schippers’ vers ‘Zonder titel 1’ uit Sonatines door het open raam (1972) laat zien dat woorden nooit helemaal hun verwijzende betekenis verliezen:

ZONDER TITEL 1

Parijs

(geschreven in Stornoway op het eiland Lewis, een van de Outer Hebrides)

Dit gedicht is ontlast van alle onbeduidendheden die het zicht op de hoofdzaak zouden kunnen belemmeren, inclusief een titel. De kern die overblijft – het woord ‘Parijs’ – roept bij lezers ongetwijfeld uiteenlopende beelden op, afhankelijk van de eigen ervaring met deze metropool. Na de beschouwing van dit ene woord zal de aandacht zich als vanzelf op de tussen haakjes geplaatste aanwijzing richten: Schippers verbleef op het Schotse eiland Lewis toen hij ‘Parijs’ neerschreef. Ineens komt la ville lumière in een ander daglicht te staan. Lewis is een ruig kaal eiland met een guur klimaat, dat anderhalf keer zo groot is als de provincie Utrecht en waar nog geen twintigduizend mensen wonen. Afgelegen Lewis staat in schril contrast met mondain Parijs. Schippers moet zich daar eenzaam hebben gevoeld, en hebben verlangd naar de drukte van een grote stad.

De gedichten van Graham Foust (1970) zijn doorgaans kort en bondig; hij is een meester in de beknoptheid. ‘A Heap of Language / Een zootje taal’ is een ‘one image poem’ en vangt de diepgang van een enkel moment. Het vele wit benadrukt verschillende vormen van stilte.

EEN ZOOTJE TAAL

Ik was de messen en veeg
de tafel af. Jij komt uit zee
en droogt je af. Excuses kruipen in ons
rond. Haast alles wat we zeggen doet er amper toe.

De laatste twee zinnen van het gedicht werpen nieuw licht op de eerste twee en zetten de hele toestand onder hoogspanning. Wat is hier aan de hand? Wat is er gebeurd? Plotsklaps, zonder enige directe verwijzing, heeft Foust de lezer opgezadeld met een gewelddadige connotatie. Ik moest aan de film Sleeping with the Enemy denken.

Als we de afsluitende zin óok als een poëticaal statement lezen, dan maken we het ons nog ingewikkelder. Dit zootje taal laat veel open.

De Amerikaan Robert Lax (1915-2000) bracht de laatste 35 jaar van zijn leven door op enkele Griekse eilanden. Daar schreef hij het merendeel van zijn gedichten. Het Griekse landschap was een belangrijke inspiratiebron voor zijn minimalistische werk. De kolom is in veel van zijn verzen een in ’t oog springend vormelement.

In onderstaand titelloos gedicht, uit de cyclus Nights & Days (1981), komt ook zijn beschouwelijke karakter naar voren. Het regent. Randvoorwaarde voor leven, godsgeschenk voor droge bodem. Met enkele penseelstreken schetst Lax een vroege ochtend waarin hij op een kalme zee uitkijkt, wat mijmert, zich verwondert over het bestaan. Je zou zo met hem willen ruilen. Een lyrisch gedicht dat vrede achterlaat.

Al die roeptoeters die voor het raam van de geschiedenis staan: alsof ze willen zien wat er werkelijk aan de hand is!

Gevoegd werd er vandaag, honderden tegels; begin volgende week is de plee klaar.

Word momenteel ook nog afgeknepen door een HSP-prikkeloverload; not funny.

Luisterde tijdens het voegen naar Sisyphus, een vierdelige podcast over de beklimming van het Nepalese bergmassief Annapurna in 1977 door een stel Nederlanders. Als ik het leven over zou mogen doen, zou ik me absoluut zeker te weten aan bergbeklimmen wagen.

Onzekerheid, verwachtingen, verlangens.

Foudgum, 2021 © Ton van ’t Hof