En dat ik … | Frans Kuipers

Uit: Wolkenherdersliederen, Atlas, 2009
Ondanks dertien dichtbundels en de opname van negen gedichten in de laatste Dikke Komrij (Bert Bakker, 2004) is Frans Kuipers (1942) een dichter voor selecte gezelschappen gebleven. Zijn werk stelt zich open voor het bestaan, accentueert niet de taal maar de werkelijkheid. In de eerste strofe van dit korte gedicht, uit Wolkenherdersliederen (Atlas, 2009), bezingt Kuipers het heerlijke leven, om in de tweede strofe ook de vluchtigheid ervan te benadrukken. Door uiteenlopende aspecten met elkaar te verbinden, brengt hij hier samenhang aan die zin aan het leven lijkt te geven. Wolk en wereld krijgen iets zachts. Ik houd een prettig gevoel over aan dit gedicht.

Tomatoes … | Michael Earl Craig

Uit: Talkativeness, Wave Books, 2014
Ik voel me ongemakkelijk onder dit gedicht – ‘Tomaten tonen geen respect voor ons’ – van Michael Earl Craig (1970), dat is opgenomen in zijn bundel Talkativeness (Wave Books, 2014). Het lijkt wel een scene uit een thriller waarin we kennismaken met een engerd die buitensporig reageert op een vlekje op zijn of haar boek. De titel van dat boek – ‘Onderwerping van het nutteloze’ – vergroot de spanning nog eens. De Duitse regisseur Werner Herzog schreef het overigens. Daarin vertelt hij hoe zijn film Fitzcarraldo tot stand kwam. Om de bouw van een operagebouw in de jungle te kunnen bekostigen wordt in die film, waarin Klaus Kinski en Claudia Cardinale hoofdrollen vervullen, onder andere een enorme boot over een berg gesleept. Zou de mafkees in Craigs gedicht ook zulke dwaze plannen hebben en daardoor zo geprikkeld zijn? Je weet het niet.

Esthetiek van de terloopsheid

La fenêtre, Pierre Bonnard, 1925
In zijn essaybundel De berg en de steenfabriek (Querido, 1986) noemt K. Schippers de Franse laat-impressionist Pierre Bonnard (1867-1947) ‘een uniek schilder’ van ‘lege ogenblikken, waarvan hij een imperium heeft gemaakt.’ Bonnard wist ‘zijn interieurs en landschappen een schone loomheid’ mee te geven, alsof ze ‘wat vermoeid zijn geraakt van hun eigen esthetiek.’ Een esthetiek, zo vervolgt Schippers even later, ‘die overbodig is omdat er niet op wordt gelet.’ Lege ogenblikken, momenten die zich aan ons bewustzijn onttrekken, onopgemerkt voorbijgaan, omdat we routineus handelen of met onze gedachten ergens anders zijn. Onze dagen zijn er vol van. Bonnard vraagt aandacht voor deze terloopse tijdruimtes. Wie herkent ze niet? En wat kunnen ze schoon zijn. Bonnards esthetiek, die ik een esthetiek van de terloopsheid zou willen noemen, houdt me nu al enkele dagen bezig. Alsof ik er in een nieuwe reeks gedichten iets mee moet.

Zonder titel 1 | K. Schippers

Uit: Sonatines door het open raam, Querido, 1972
Dit gedicht van K. Schippers (1936), uit zijn bundel Sonatines door het open raam (Querido, 1972), is ontlast van alle irrelevanties die het zicht op de hoofdzaak zouden kunnen belemmeren, inclusief een titel. De kern die overblijft – het woord ‘Parijs’ – roept bij lezers ongetwijfeld uiteenlopende beelden op, afhankelijk van de eigen ervaring met deze metropool. Na de beschouwing van dit ene woord zal de aandacht zich als vanzelf op de tussen haakjes geplaatste aanwijzing richten: Schippers verbleef op het Schotse eiland Lewis toen hij ‘Parijs’ neerschreef. Ineens komt ‘la ville lumière’ in een ander daglicht te staan. Lewis is een ruig kaal eiland, dat anderhalf keer zo groot is als de provincie Utrecht en waar nog geen 20.000 mensen wonen. Het kan er ook flink stormen. Schippers moet zich daar eenzaam hebben gevoeld en reikhalzend naar de drukte van Parijs hebben uitgezien.

De stollende wraak … | Holvoet-Hanssen

Uit: Strombolicchio: Uit de smidse van Vulcanus, Bert Bakker, 1999
Dit was het eerste gedicht van Peter Holvoet-Hanssen (1960) dat ik las, in een tweedehandsboekenwinkel, waarna ik de bundel – Strombolicchio: Uit de smidse van Vulcanus (Bert Bakker, 1999) – direct aanschafte. Van dit woordkunstwerk spat ‘lef, lol en avontuur’ af. Het is een uitnodiging om mee op reis te gaan. Verwacht bij Holvoet-Hanssen geen kalme overtocht, maar toeval en chaos, intertekstualiteit en uitwaaierende verhaallijnen. Je zult als lezer met vragen achterblijven, zoals Ferdinand Magellaan en zijn bemanning ook niet alles begrepen wat zij eeuwen geleden zagen tijdens hun stoutmoedige expeditie rond de wereld. Soms zijn eenheid en samenhang ver te zoeken, zowel in Holvoet-Hanssens poëzie als in het echte leven. Maar meeslepend is het allemaal wel.

Exile | Mohammed Ebnu

Uit: Poems for the Millenium, Volume 4: Book of North African Literature, The University of California, 2012
Mohammed Ebnu werd in 1968 in Amgala geboren, een nederzetting in het door Marokko geannexeerde deel van de Westelijke Sahara. Het woestijnachtige gebied is zesmaal zo groot als Nederland en heeft een half miljoen inwoners, vooral van nomadische oorsprong. Ebnu studeerde in Cuba en leeft thans in ballingschap in Spanje. Het bovenstaand gedicht van zijn hand werd vertaald door Joseph Mulligan en opgenomen in de door Pierre Joris en Habib Tengour samengestelde bloemlezing Poems for the Millennium, Volume 4: Book of North African Literature (The University of California, 2012). Het belang van bloemlezingen van uitheemse literatuur kan nauwelijks worden overschat: ze geven toegang tot andere culturen, geschiedenissen, gevoelens etc. En in het anders-zijn uiteindelijk ook tot jezelf. Toelichting: Mario Benedetti was een Uruguayaanse schrijver-dichter die jaren als balling in Cuba en Spanje verbleef; ‘congenital’ = aangeboren; ‘perennial’ = eeuwigdurend; ‘haymah’ = bedoeïnentent.

Zij droomt zich … | Eva Cox

Uit: Pritt.stift.lippe, Holland, 2004
In de loop van deze serie besprekingen van één enkel gedicht is er een ik in me opgestaan die gelijke behandeling van alle gedichten bepleit. Wat niet alleen de bereidheid veronderstelt om een vers vanuit uiteenlopende perspectieven te benaderen, maar ook om eigen reacties erop door te lichten. Zo bleef zich na herhaaldelijke lezing van bovenstaand gedicht van Eva Cox (1970), uit haar debuutbundel Pritt.stift.lippe (Holland, 2004), de gedachte maar opdringen dat het hier, op metaniveau, ook draait om de zinloosheid van poëzie, een nutteloosheid waarvan wel wordt gezegd dat die alleen in barre tijden kan worden doorbroken. Blijkbaar roept het vluchtgedrag in Cox’ gedicht associaties bij me op met doelloos schrijven, een gepen zonder aanleiding, waarover Richard Hugo zo treffend noteerde: ‘I keep feeling revolutionary / but I have no cause. I feel I am going to dynamite / the swimming pool.’ Wat allemaal niet wegneemt dat Cox de neigingen van de zij-figuur fraai heeft weggezet.

Fine rain falling …| Robert Lax

Uit: Nights & Days, 1981
De Amerikaan Robert Lax (1915-2000) bracht de laatste 35 jaar van zijn leven door op enkele Griekse eilanden. Daar schreef hij het merendeel van zijn gedichten. Het Griekse landschap was een belangrijke inspiratiebron voor zijn minimalistische werk. De kolom is in veel van zijn verzen een in ’t oog springend vormelement. In onderstaand titelloos gedicht, uit de cyclus ‘Nights & Days’ (1981), komt ook zijn beschouwelijke karakter naar voren. Het regent. Randvoorwaarde voor leven, godsgeschenk voor droge Griekse bodem. Met enkele penseelstreken schetst Lax een vroege ochtend waarin hij op een kalme zee uitkijkt, wat mijmert, zich verwondert over het bestaan. Je zou zo met hem willen ruilen. Een lyrisch gedicht dat vrede achterlaat.

Toen was het … | Nachoem Wijnberg

Uit: Is het dan goed, De Bezige Bij, 1994
Ergens online kwam ik de volgende definitie van ‘nachtmens’ tegen: ‘dit zijn net vleermuizen; ze beginnen hun dag in de nacht’. In het prozaïsche gedicht ‘Toen was het avond geweest en ochtend’, uit de bundel Is het dan goed (De Bezige Bij, 1994), voert Nachoem Wijnberg (1961) een nachtmens op: de ‘hij’ leeft ’s nachts, doet dit en dat ‘zoals bij de dag.’ Op een toon alsof het allemaal niets bijzonders is. Maar dat zou weleens schijn kunnen zijn. Want Wijnbergs nachtmens ziet vogels in het donker. Waar je, tenzij het volle maan is, de zintuigen van bijvoorbeeld een vleermuis voor nodig hebt. Deze eventualiteit geeft dit gedicht een fabelachtige dimensie mee, reduceert onze werkelijkheid niet maar breidt deze uit.

The Poetic Pattern | Robin Skelton (2)

# De verscheidenheid aan uitwerkingen die poëzie op haar lezers kan hebben, wordt alleen geëvenaard door haar verscheidenheid aan vormen. Maar als een gedicht op welke wijze dan ook raakt, dan zijn zijn woorden raak gekozen.

# Skelton spreekt in dit verband van een ‘poëtisch patroon’ dat stimuleert, prikkelt.

# Uit een hang naar orde en harmonie zullen lezers trachten om poëtische patronen in te passen in hun eigen perceptuele en conceptuele patronen, wat soms makkelijk en dan weer lastiger is.

Poetry is a combination of words, rhythms, and intonations that stimulates the hearer to perceive or reperceive a pattern of life which he must endeavour to fit into his own perceptual and conceptual pattern, and, by so doing, excite other patterns to appear or disappear, in the same way as a piece of coloured paper introduced into the kaleidoscope changes the whole design.

(Wordt vervolgd.)

Argot | Mary Ruefle

Uit: Trances of the Blast, wave Books, 2013
Raadselachtig, is de eerste gedachte die in mijn hoofd opkomt na het lezen van Mary Ruefles (1952) gedicht ‘Argot’, dat afkomstig is uit haar bundel Trances of the Blast (Wave Books, 2013). Ik begrijp niet een-twee-drie waar het over gaat. Tegelijkertijd roert het me. Ik weet niet wat er wordt gezegd, maar wel dat het mooi wordt gezegd. Dit gedicht daagt me uit. Ik google wat. ‘Argot’ betekent ook ‘koeterwaals’. De maan doorloopt in 29 dagen al haar schijngestalten en nadert na twintig dagen haar laatste kwartier. Bij volle maan zijn insecten een eenvoudige prooi voor forellen. En dertien wordt door veel mensen als een ongeluksgetal beschouwd. Oké. Ik veronderstel dat ‘de dertiende’ verwijst naar de datum waarop de ik-figuur bij zonsopgang in gedachten verzonken is. Maar wie is toch die ‘you’? De persoon met wie ze een aflopende relatie heeft? Of ben ik dat, de happende lezer?

The poetic pattern | Robin Skelton

(1956)

The question, ‘What is poetry?’ has been on the lips of critics ever since it became important to men to analyse their feelings and those stimuli which aroused them, yet we are still a long way from achieving an answer to that most ‘overwhelming question’.

Zo opent de Brits-Canadese schrijver-dichter Robin Skelton (1925-1997) zijn boek The Poetic Pattern (1956), waarin hij nochtans een poging tot een bijdrage aan een antwoord waagt. De eerste vijf hoofdstukken herlees ik vanwege hun overvloed aan interessante opvattingen geregeld. Nu ook weer. Langzaam, en onder het maken van aantekeningen, die ik hier zal achterlaten.

# Het antoniem van proza is volgens Skelton niet poëzie maar vers.

# Wat is dan, vraagt hij zich af, het antoniem van poëzie? Dat bestaat niet. Wat ons voor een groot raadsel stelt: ‘for we cannot call a piece of writing poetry on any evidence save our own positive belief in its having a quality which we cannot define, and by comparing it to other ways of writing for which we have no name.’

# Skelton wil meer grip krijgen op het meest wezenlijke aspect van poëzie, dat zich zo moeilijk laat omschrijven, maar wel kan worden bespeurd: ‘We do not know exactly what we are looking for, and yet we can be most certain when we have found it.’

(Wordt vervolgd.)

Onze maat van … | Marije Langelaar

Uit: Interactief gelukkig, Roma, 2000
In 2000 bracht Marije Langelaar (1978) in eigen beheer (uitgeverij Roma) haar eerste bundel – Interactief gelukkig – uit. In dit gedicht lijkt de relatie waarover de bundel verhaalt haar glans te verliezen. Lijkt. Want geenszins zeker. Langelaar stelt haar lezers een ruimte ter beschikking waarin ze enkele zinnen heeft geplaatst. Het grote aantal witregels roept al direct verwarring op over de betrekking waarin de zinnen tot elkaar staan: is hier sprake van één integrale tekst of word ik als lezer geacht om elke zin als een losse entiteit te beschouwen? Ook inhoudelijk worden er geen aanwijzingen over de samenhang gegeven. Langelaar spreekt hier het eigen denken van de lezer aan. Elke oriëntatie die hij of zij aanbrengt is van hem of haar zelf. Maar iedereen blijft zitten met vragen die niet helemaal te beantwoorden zijn. Het getuigt van poëtisch inzicht als je je daarbij kunt neerleggen.

Ik heb steeds … | Anoniem

Uit: Zo’n gelukkige dag, De Geus, 2004
Daan Bronkhorst stelde voor Amnesty International verschillende bloemlezingen samen. In Zo’n gelukkige dag (De Geus, 2004) nam hij een anoniem gedicht van een vluchteling uit Libië op, dat zich in de poëzieverzameling van Amnesty International bevond en nog niet eerder gepubliceerd was. Bronkhorst vertaalde het zelf naar het Nederlands.

We understand a poem as we understand a person, by the exercise of empathy and the use of all our faculties, conscious and instinctive. – Robin Skelton

Museum | Ed Leeflang

Uit: Bezoek aan het vrachtschip, De Arbeiderspers, 1985
Wat musea betreft ben ik ouderwets. Alle interactie de tentoonstellingsruimte uit! Behalve die tussen bezoeker en tentoongesteld object. Maar in gedachten. Stilte. Toen Ed Leeflang (1929-2008) zijn gedicht ‘Museum’ schreef, bestond het interactieve museum nog geeneens. Kostbare stukken lagen in vitrines met gedempt licht. Kinderen liet je thuis of achter in een ballenbak. In een sfeer van soberheid wil ik onbevangen kunnen rondkijken en rondmijmeren! Zoals Leeflang dat kon. Zoals hij dat zo góed kon.