Oprechtheid en nauwgezetheid: Baggini over de waarheid

‘Mensen worden nog net zo woedend over leugens als altijd, wat nergens op zou slaan als ze niet in het belang van de waarheid zouden geloven.’

In onze huidige post-truth cultuur lijkt waarheid van secundair belang, maar volgens de Engelse filosoof Julian Baggini is niets minder waar. Hoewel de waarheid ingewikkelder is geworden, zijn er geen tekenen die erop wijzen dat veel mensen hun vertrouwen erin hebben verloren. De waarheid doet er nog altijd toe.

In Een kleine geschiedenis van de waarheid (2018) onderscheidt Baggini tien invalshoeken vanwaaruit mensen aanspraak op waarheden maken. Aan het eind concludeert hij dat de houding die men aanneemt bij het bepalen van de waarheid van grotere betekenis is dan een onderzoeksmethode of een set regels om feiten aan te wijzen. De waarheid vaststellen vereist deugden als oprechtheid en nauwgezetheid.

Interessant vind ik Baggini’s opvatting van de waarheid als een organisch, holistisch systeem waarin alles in verband tot elkaar staat. Sommige zaken zijn bestemd om te blijven, andere krijgen gestalte, wijzigen zich of verdwijnen. Ook dient het systeem te worden onderhouden anders gaat het haperen.

Uit zijn analyse van de tien invalshoeken leidt Baggini een attitude af die behulpzaam kan zijn bij het beantwoorden van waarheidsvragen:

  • ‘Spirituele “waarheden” behoren tot een andere soort waarheid dan seculiere waarheden; ze moeten daarom niet met elkaar wedijveren.
  • ‘We moeten zelf nadenken, maar niet in ons eentje.
  • ’We moeten sceptisch zijn, niet cynisch.
  • ‘De rede vereist bescheidenheid, geen zekerheid.
  • ‘Om slimmer te worden, moeten we begrijpen op welke manieren we dom zijn.
  • ‘Waarheden moeten zowel gecreëerd als gevonden worden.
  • ‘Alternatieve perspectieven moeten niet gezocht worden als alternatieve waarheden, maar als middelen ter verrijking van de waarheid.
  • ‘De macht spreekt niet de waarheid; de waarheid moet de macht aanspreken.
  • ‘Voor een betere moraal hebben we betere kennis nodig.
  • ‘De waarheid moet holistisch begrepen worden.’

Omdat de waarheid zo essentieel is voor ons begrip van de wereld roept Baggini op om de waarde te omarmen die de meesten hechten aan de waarheid, evenals de deugden en de principes die ons helpen haar te achterhalen.

Een kleine geschiedenis van de waarheid, Julian Baggini (Klement, 2018, ISBN 978-90-8687-174-2)

Ma over een ontzielde worm

Tijdens de wandeling vanochtend, het waaide hard, boog ma zich over een worm die ontzield op de weg lag. Achter ons vlogen honderden meeuwen uit het drassige land op, twee windmolens piepten. Ze keek aandachtig naar de worm en merkte op: ‘Die doet het niet meer.’

Tytsjerk, 2020 © Ton van ’t Hof

Robert Archambeau over dichters en het verlangen naar macht

‘You have to be far removed from actual legislators to pin your hopes on a small scale, but just possibly viral, influence on public opinion.’

Niets menselijks is dichters vreemd: een aantal laat zich graag gelden. In zijn essay When Poets Dream of Power uit zijn essaybundel The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World (2013) behandelt dichter, criticus en universitair hoofddocent Robert Archambeau (1968) historische relaties tussen dichters en macht.

Na het elizabethaanse tijdperk (1558-1603) te hebben aangestipt – toen ‘de overlap van machtselite met vooraanstaande dichterskringen aanzienlijk was’ – bespreekt Archambeau een reeks sleutelfiguren uit de Engelstalige poëzie, van Alexander Pope (1688-1744) tot Robert Pinsky (1940).

In de 18e eeuw brokkelde het ‘aristocratische patronage’ af, deed marktwerking haar intrede en slonk de directe invloed van dichters op politieke aangelegenheden. Pope verzette zich hier volgens Archambeau in woord en geschrift tegen:

‘[He] dreamed of himself as a kind of spiritual and moral advisor, not speaking directly on matters of immediate political urgency, but offering general principals that might inform the decisions of the powerful.’

In Percy Bysshe Shelley’s (1792-1822) Defense of Poetry bespeurt Archambeau andermaal een poging om de voortschrijdende verwijdering tussen dichters en het centrum van de macht een halt toe te roepen. Shelley poneerde dat poëzie inspireert tot nieuwe denkwijzen die zich van poëzielezers uitspreiden over anderen. ‘Maar,’ repliceert Archambeau, ‘er is geen bewijs dat deze beïnvloeding ook daadwerkelijk plaatsvindt.’

De Engelse hofdichter Alfred Tennyson (1809-1892) hinkte op twee gedachten. Enerzijds greep hij terug op Pope’s idee van de dichter als publieke moralist, anderzijds  was hij loyaal aan de romantische gedachte van de bard als afkerige buitenstaander. 

‘Tennyson spent a lifetime at war with himself, his intellectual and aesthetic inheritance ever at odds with the social role he was asked to play, and was so richly rewarded—in sales, in status, in honors—for playing.’

De modernisten bewogen zich vrijwel helemaal niet meer in de voornaamste kringen maar verlangden wel naar impact van hun poëzie. Volgens Ezra Pound (1885-1972) was de groeiende massacultuur mede debet aan de vervagende rol van de dichter. In een noodsprong bestempelde Pound de literati tot bewindvoerders over de betekenis van woorden. Waarop Archambeau terugkaatst:

‘Pound isn’t reasoning here so much as he’s dreaming of a way for the things he loves to be important not just to him, but to the polity at large. There is a kind of will-to-power at work here, and a compensatory gesture—the sort of thing Seamus Heaney, in a very different context, would call “pap for the dispossessed”—the dispossessed in the present instance being poets in modernity.’

Ezra Pound

De diepgelovige T.S. Eliot (1888-1965) bood een andere oplossing voor de machteloze dichter: terugkeer naar een premoderne christelijke wereld waarin de schrijver een culturele en sociale spilfunctie vervult. Hierover merkt Archambeau op:

‘Instead of dreaming of an unrealistic power within the existing society, [like Pound and Shelley], Eliot dreams of an entirely plausible kind of power—in a society that doesn’t exist.’

Tot slot Pinsky. In zijn lange gedicht An Explanation of America (1979) onderzoekt hij mogelijke rollen die de dichter in smeltkroes Amerika zou kunnen vervullen. Aan elke mogelijkheid die de revue passeert twijfelt Pinsky; macht corrumpeert. Pinsky’s twijfel bevalt Archambeau wel:

‘Whatever its feasibility in our time may be, perhaps the most admirable thing about Pinsky’s dream of how he might make poetry relate to power is his doubting of his own dream, his consciousness of how even the most idealistic poets have betrayed their best selves through their co-optation by political power.’

Wees blij dat poëzie geen zin heeft.

The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World, Robert Archambeau (The University of Akron Press, 2013, ISBN 978-1-937378-41-7)

Jaarcijfers opgemaakt van de Gaia Chapbooksreeks, die in februari 2019 startte: 5 titels gelanceerd, ruim 500 boeken aan de man gebracht (2/5 e-books & 3/5 paperbacks).

Daarna in de buurt van Driezum gewandeld, geboorteplaats van dammer & slaapkop Jannes van der Wal. Grijzig, rustig weer. Net noord van het Driezumer Mar een enorme meeuwenkolonie gesignaleerd.

Keek nog naar de docu over het afscheid van Jan Keizer & Anny Schilder en raakte zowaar enkele keren ontroerd.

Driezum, 2020 © Ton van ’t Hof

Met ma door Brantgum gewandeld, waarnaar Hennie en ik over twee en een halve week zullen verkassen. In de veelal oude woninkjes wonen circa 250 mensen. Het dorpje ligt in een van de mooiste maar ook onbemiddeldste streken van Friesland. Menig erf kan een opknapbeurt gebruiken. Toen ik ma op de terugweg vroeg wat ze ervan gevonden had zei ze kritisch: ‘Over het algemeen zijn het de lelijkste huizen.’

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Elke dag een nieuw begin.

Wat een van God gegeven vorm van optimisme is.

En iets met vrijheid te maken heeft,

en ook het geluk van de dichter als hij of zij een aanvang maakt met het schrijven van een volgend vers.

Vanochtend teruggekeerd uit Gorredijk waar rust en vrede heersten. Thuis twee nieuwe dichtbundels in de Gaia Chapbooksreeks gelanceerd, waaronder eentje van mijzelf. Het loslaten van Waar tijd al niet goed voor is deed me enerzijds pijn en anderzijds glimmen van trots.

Bovendien impliceert loslaten de mogelijkheid om opnieuw te beginnen,

fris en levendig en hoopvol!

Zeijen, 2020 © Ton van ’t Hof

In druilregen door het Drentse land van mijn voorouders gereden. Gestopt in Peest (bij het huis waarin mijn betovergrootvader Jan Leupen kort woonde en stierf), Gasteren (bij het huis waarin mijn oom Hindrik Leupen woonde), Anloo (waar talloze Leupens zijn gedoopt), Eext (waar overgrootmoeder Rutgers vandaan kwam) en Rolde (waar grootvader Geert Leupen een logement hield).

In Makkinga (FR) nog het graf van Lammegien Leupen bezocht, de oudste zuster van mijn grootvader van moederskant. Lammegien werd in 1896 in Assen geboren, trouwde in 1914 met boerenknecht Pieter Hendriks Tjassing en legde in 1970 het moede hoofd neer.

Naast het graf van Lammegien en Pieter lagen nog drie Tjassings, die zomaar zonen van hun zouden kunnen zijn geweest: Hendrik, Fedde en Gerard.

PS Heb via AlleFriezen kunnen achterhalen dat Hendrik inderdaad een zoon van Lammegien en Pieter was, die in 1946 op 31-jarige leeftijd ‘door een noodlottig ongeval’ plotseling van zijn familie werd weggerukt.