Herenboer

Rond 1730 kwam hij ter wereld, in Frensdorf, Duitsland: Harm Hindrik Rigtering, mijn oudovergrootvader. Tussen zijn twintigste en dertigste levensjaar trouwde hij driemaal en werd tweemaal weduwnaar. Hij kreeg zes kinderen en was landbouwer van beroep. Er is een aanwijzing dat hij in 1776 is overleden. Zijn derde echtgenote, Stine Lucassen, mijn oudovergrootmoeder, hertrouwde in 1777 met ene Evert Johanning, die mogelijk een zoon was van de herenboer voor wie Harm Hindrik zijn hele leven werkte.

Wandelen houdt me op de been, wandelpaden zonderen me af van het moderne leven. Wandelde vanochtend met Hennie over de Heemstrawei, een oude klinkerweg die alleen nog te voet mag worden begaan, naar in zonlicht badend Foudgum.

Eenmaal thuis wakkerde de wind aan tot kracht vier, waardoor het te fris werd om buiten te zitten. Binnen geurde het naar stoofvlees met peperkoek, Zwolsche stoofkruiden en een scheutje wijnazijn.

In de wei lummelden de koeien rond alsof ze nooit anders gedaan hadden.

Foudgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Zo werken dingen dus

Literatuur of muziek? Dan toch muziek.

En waarom het ene nummer me meer boeit dan het andere? Ik kan er geen zinnig woord over zeggen. Maar op mijn begrafenis wordt een nummertje van Man an Ocean gedraaid.

En een gedicht van John Ashbery voorgedragen.

Mijn ziel is het met hun klanken eens.

Ochtend. Ik las (nog meer) nieuws en realiseerde me (opnieuw) dat dingen niet oké zijn. Dingen waar niets meer aan valt te doen. Honderdduizenden mensen zijn al gedood door het coronavirus, een deel van het poolijs is al weggesmolten, talloze plant- en diersoorten zijn al verdwenen, de kloof tussen arm en rijk is al om je de ogen uit het hoofd te schamen, etc. Het zijn kwade tijden.

Zwijnenstal. Schouders eronder, potverdomme.

Wat? Eet Zuckerberg alleen dieren die hij eigenhandig heeft gedood?

Sinds lange tijd weer eens buiten de deur geluncht: patatje oorlog met ui & een kroket.

Nog een uurtje door de weilanden gekuierd, waar volop werd gemaaid door boeren.

Zo werken dingen dus.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

‘Net in boer’

Gekkenhuis gisteren: eerst werden schouw en kachel geplaatst en daarna heb ik tot 21.30 u. hout staan versnipperen. Zwaar werk, aan zo’n versnipperaar. Zeker het oudje dat wij gebruikten, met een mes dat niet al te scherp meer was. Vanochtend met spierpijn in armen en schouders de laatste vracht takken in de gapende muil gestouwd.

Omdat ik Lien, een van onze twee poezen, de hele ochtend nog niet had gezien, ging ik boven, waar ze meestal soest, op zoek naar haar. Toen ik het bijna had opgegeven kroop Lien eindelijk onder de dekens van een van de logeerbedden vandaan. Ze zag er niet uit. Zat onder de stront. Koeienstront, rook ik, toen ik haar probeerde schoon te boenen. Die was vannacht dus bij de boer op stap geweest.

Heb vanmiddag de stroomvoorziening aangelegd van de schrikdraad van Foppe’s paardenwei. Ouderwetse kwaliteit bakstenen van de eensteensmuur waar ik doorheen moest boren. Godsammelazerus.

Tijdens de thee kwam de aardappelman bij de familie Douwes op bezoek. Of ik ook een zakje wilde? ‘Doe maar,’ zei ik, wetende dat onze aardappelen op waren.

‘Wat kost het?’
‘Acht euro.’
‘Hoeveel zit er in een zak?’
‘Zestien kilo.’
‘Zestien kilo? Daar doen we een jaar mee!’

Waar de tafel hartelijk om moest lachen. Toen Foppe vertelde dat ik de nieuwe buurman was, antwoordde de aardappelman: ‘Dat dacht ik al. Aan zijn handen te zien is het geen boer.’

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Voordat God ons bevrijdt

Over een gedicht van John Ashbery

Naar de latere gedichten van John Ashbery, die hij vanaf zijn zeventigste schreef, is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd 91 en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery 80 werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Kenners beschouwen deze bundel als een van zijn successtukken. Ik vertaalde de afgelopen dagen het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent. En, zo vroeg ik mij vanmiddag af, waarom vertaal ik deze zomer de hele bundel niet? Om wat dieper in Ashbery’s latere poëzie door te dringen.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: 'Tot in de kerk!'
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar toentertijd Bush junior de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

Ik drijf stuurloos rond, maar wát een zicht, wát een ervaring.

Wat het leven de moeite waard maakt

Gewacht op beter weer, dat ’s middags kwam. Waardoor Hennie de tuin in kon (flagstones leggen, onkruid wieden) en ik met de camera op pad. Er waren kathedrale wolkenpartijen die ik niet kon laten lopen.

Vroeg me onderweg nog af of poëzie dat is wat de afstand tussen lezer en taal verkleint, en ik dacht van wel.

Las een fijn boekje van Marjolein de Vos, Je keek te ver, uit de nieuwe wandelreeks Terloops van Van Oorschot. Terwijl De Vos tijdens een wandeling nadenkt over een lezing over ‘duurzame spiritualiteit’ die ze moet geven, komt ze een oude boer tegen en vraagt hem spontaan wat het leven de moeite waard maakt.

‘De oude boer lachte een beetje. “Nou,” zei hij, “dat is wel een héél gemakkelijke vraag. […] Het gaat erom voldoening te hebben in wat je doet en in harmonie te leven met je omgeving. Maar daar kun je vast ook een heel lange lezing over houden.”’

Vanzelfsprekend.

En kijk uit dat je het wonder dat zich voor je ogen voltrekt niet ziet! door te veel drukte in je kop of zo.

Zicht op Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Egomaan

Schreef vanochtend dingen op over corona, wanhoop, verlangen en hoop, die ik allemaal weer deletete. Dronk te veel koffie en luisterde naar de wind. Las iets over collectieve fröbelacties die de wereld moeten redden van rampspoed en ellende, en nam me voor om nog wat metselwerk te doen.

Kortom, ik was lekker bezig met mezelf.

Metselde wat

en reed na de lunch met Hennie naar Warfstermolen, dat ooit aan de oude zeedijk lag, maar nu ten zuiden van het Lauwersmeer te vinden is. Het dorp zelf is niet veel soeps – Warfstermolen werd ruim twintig jaar geleden nog als armste dorp van Nederland aangemerkt – maar de omgeving is weids, gevarieerd, speels en kleurrijk; schitterend dus. Naar Burum gewandeld en langs de schotels van It Grutte Ear & Defensie weer terug. Straffe wind, koude oren, steeds meer zon en niemand die ook maar enige interesse in ons toonde. Apotheose: de drie jonge grutto’s die boven een zee van boterbloemen al met pa & ma meevlogen.

Linzenschotel klaargemaakt.

Warfstermolen, 2020 © Ton van ’t Hof

Low profile

Zondagmorgen. Hoge bewolking. Er komt koudere lucht aan.

‘In 2020 was nog slechts 4 procent van alle zoogdieren wild, 36 procent was mens en de overige 60 procent vee.’

Hoe kunnen we iets van de Byzantijnse rust laten terugkeren, waar we per slot van rekening voor geschapen zijn?

Waarin we ons wat terughoudender opstellen onder andere.

Tijdens het ochtendloopje trok de wind al aan. Strepen in het wolkendek, wilgen in bloei & aardappelvelden, zover mijn oog reikte.

‘s Middags bad & boeken & een glas wijn: even in gesprek met mezelf.

De boel de boel gelaten.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof