‘Stijl is lot: wij kunnen onze stijl niet zelf kiezen.’ – Paul van Ostaijen

Plu & verrekijker mee en naar Broeksterwoude gereden. Dit weertje laat ik als wolkenjager niet lopen. Langs de Petsleat naar Zwaagwesteinde gewandeld en via De Falom weer terug. Een paar buitjes moeten doorstaan. Maar oh wat waren de vergezichten oogverblindend. Op de Zwemmer barstte het naast de gebruikelijke slobeenden van de smienten, van wie de mannetjes zo prachtig kunnen klinken: pu-WIE-oerrr!

Het verlangen naar spetterend vers (15)

Maar weinig dichters beantwoorden een recensie van hun werk met het ophalen van de schouders; daar zijn ze veel te gevoelig en dromerig voor. Toch zijn we de meeste recensies snel weer vergeten. Al die zogenaamde kritische beschouwingen stoelen enkel en alleen op smaakbelevingen, en die verschillen nou eenmaal per individu. Bovendien beoefenen recensenten vaak zelf het dichtersvak, waardoor andere dichters ook nog eens concurrenten zijn. In deze nichemarkt is het raadzaam om netwerkborrels bij te wonen. Vergeet dus niet dat recensies van dichtbundels zwemen naar vlugschriften die je met een korreltje zout tot je nemen moet.

Met de Vlaamse ‘schrijver, dichter en performer’ Christophe Vekeman (1972) heb ik geen borreltje gedronken. Tot voor kort had ik zelfs nog nooit van hem gehoord. Hij schreef nochtans twee dichtbundels, die zijn uitgegeven door De Arbeiderspers. Ik las de tweede, Dit is geen slaapkamer meer nu, uit 2016. Nou ja, lezen, ik nam de eerste vier gedichten door en bladerde wat door de rest van het prul. Aan Vekemans verzen zit kraak noch smaak. Ze zijn drie keer niks. Edelkitsch. Alleen een oetlul geeft dit uit. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Sorry, Christophe. Maar weet, ik stel de norm niet. Mochten we elkaar nog eens tegenkomen dan is het eerste rondje voor mij.

HOGE HOED

Ik ben zolang jij leeft en ik zal nooit verdwenen zijn
De wereld is een hoge hoed en ik, ik ben een wit konijn
Mijn dagelijkse brood, dat zijn de vlammen uit jouw mond
Mijn dagelijkse nood? Het zijn de hammen van je kont

Er was eens een gedicht van weet ik veel, ik meen Verlaine
Of nee, het was Rimbaud, of Baudelaire, of nee, enfin
Waarover het hier gaat en wat ik enkel zeggen wou
Ik las het niet, ik was niet gek, het ging niet over jou

Ik laaf mij aan je dorst en ook al doen mijn benen pijn
Ik zal je achternalopen tot wij verenigd zijn
In de heuvels van jouw hitte, in het vuur van mijn woestijn
In de rust van stille waanzin, in de roes van rode wijn
Op de rotsen van je kusten, aan het einde van de lijn
Ik ben zolang jij leeft, wij zullen nooit verdwenen zijn

Broeksterwoude, 2018 © Ton van ’t Hof

Het landschap speelt geloof ik een rol in mijn geluksgevoel.

Ik kan het niet bewijzen, het is een gevoel.

Zo zou ik nog weleens een terp willen opwerpen;

die lichtvoetigheid past me wel.

Dan hoef je je ‘s avonds als de zon ondergaat nergens meer druk om te maken.

Restaurants en koffietentjes zitten vol.

Wat niets zegt over het cynisme en de vervreemding waarmee we naar de politiek zijn gaan kijken,

maar simpelweg met het aan je voorbij laten trekken van de wereld.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

1789, 1830, 1848, 1968, 2018.

Ook míjn wantrouwen jegens de politiek, instellingen, media en vakbonden heeft zich de afgelopen decennia steeds dieper in mijn ziel vastgezet. En de huidige inkomensverdeling is eveneens niet langer in overeenstemming met míjn gevoel van wat eerlijk, billijk is.

We zijn gistermiddag even aangewipt bij mijn ouders in Almere. Pa in de ene hoek van de blauwe bank, ma in de andere. Sinds enige jaren slapen ze ook apart, vanwege gesnurk en andere ergernissen. Op een gegeven moment vertelde pa, de aanleiding weet ik niet meer, dat hij ‘s nachts met een zaklamp naar de wc gaat, om geen andere lampen aan te hoeven doen die ma in haar slaap zouden kunnen storen; boven hun binnendeuren zitten ramen. Ma leek niet te luisteren maar viel toen toch plotseling in:

‘Ja,’ zei ze, ‘hij zat te kakken!’
‘Hoe bedoel je?’ zei pa.
‘Hij zat te kakken!’ Ze wees naar mijn vader.
‘Moet jij ‘s nachts nooit plotseling hoognodig naar de wc?’ verweerde hij zich.
‘Maar dat is niet leuk hoor!’
‘Wat bedoel je nou?’
‘Kakken ja!’
‘Ik zit altijd met de spuitbus klaar om de vieze luchtjes te verdrijven!’
‘Ik vond het helemaal niet leuk.’
‘Ach jij.’

Blijkbaar was mijn moeder geschrokken toen ze ‘s nachts de wc-deur had geopend en daar mijn vader plotseling in het donker had zien zitten, met slechts een flauwe schijn van de zaklamp op zijn gezicht.

Daarna met Ed & Ank uitstekend gegeten bij het gezellige Pallas Athene. Topavondje. De veertig jaar oude Metaxa waarmee we de maaltijd afsloten, doe maar decadent, was superieur.

Nog wat foto’s uit de oude doos ingescand, waaronder eentje van onze kinderen, tussen de duiven van Roermond, rond 1990.

Tim & Anoek, Roermond, ca. 1990

Soms sta ik op de dijk, met de handen in de zakken, blik op het Wad.

Ik hoef het voorschrift omtrent de 5-minutenregistratie niet na te leven.

Welvaart is geen zekerheidje.

Ik teer op de uitbuiting van anderen.

Ik modder maar wat aan.

Waar leer je vandaag de dag nog een goede burger te zijn?

Als je spruitjes niet lekker vindt, kun je ze altijd nog bedelven onder ketchup of mayonaise.

Jawel, ik krijg een verbeten oudemannenkop.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (14)

Buiten is het zilvergrijs en zeer zacht voor de tijd van het jaar. Binnen neem ik een merkwaardig gedicht in me op. Het staat op bladzijde 4 van Arjen Duinkers e-bundel Catalogus, dat Querido in 2016 uitbracht, en luidt als volgt:

VOGEL VIERKANTJE VIERKANTJE CIRKEL

Vogel vierkantje vierkantje cirkel
Cirkel vogel vierkantje vogel
Cirkel rechthoek vogel cirkel
Bloem vierkantje lip vierkantje
Liniaal bloem vogel bloem
Cirkel bloem vierkantje mouw
Liniaal rechthoek vogel mouw

Bloem driehoek driehoek cijfer
Liniaal vogel vogel weggetje
Weggetje liniaal cijfer cijfer
Driehoek weggetje weggetje lip
Vogel bloem bloem bloem
Cijfer liniaal cijfer liniaal
Weggetje weggetje cijfer cijfer

Als ik in de bundel blader bespeur ik nog 56 gedichten van dezelfde soort, elk vers een geordende opsomming van woorden. Enkele titels: Oor signaal driehoek splinter, Deur stoel vouw spook & Braam duim vlakje vlakje. Ik hang gebiologeerd boven de gedichten, kan me maar moeilijk van ze losmaken. Alsof ik naar een nieuwe, zojuist ontdekte dier- of plantensoort kijk; God schiep de raarste dingen.

Als ik eindelijk naar achteren leun vraag ik me af of deze menselijke bedenksels ook nog iets voorstellen, iets representeren, weergeven? Of zou er niets dan blinde onverschilligheid aan ten grondslag liggen? Verwoordt Duinker in deze verzen soms een, al dan niet verzonnen, beeldschrift? Ook kan ik de mogelijkheid niet uitsluiten dat hij in Catalogus een zotskap draagt en zijn lezers, ter vermaak, voor het lapje wil houden. Ik weet het simpelweg niet. En heb daar vrede mee. Maar ze alle 57 van a tot z lezen? Nee. Als ik de BiebApp sluit moet ik zachtjes grinniken.

Nog voor zonsopkomst al op pad vanochtend. Naar Heerenveen, om lakschade aan onze auto te laten herstellen. Omdat de wachttijd drie uur bedroeg besloot ik te gaan dauwtrappen. Langs de dorpjes Luinjeberd, Tjalleberd, Luxwoude en Grootwijngaarden. Onderweg vertelde een vriendelijke man me dat het fietstunneltje even verderop onder water stond, waardoor ik een omweg moest maken. Uiteindelijk tikte ik zestien kilometer af, grotendeels afgelegd door heiige weilanden. Onverwachte gebeurtenis: de buizerd op ooghoogte, die pas wegvloog toen ik tot op drie metertjes genaderd was.

Het verlangen naar spetterend vers (13)

Tegenwoordig is € 22,50 voor een dichtbundel geen uitzondering meer. Dat is een forse prijs. Ik word qua aankoop steeds kieskeuriger. Lokale bibliotheken schaffen nauwelijks meer nieuwe bundels aan, en wat ze nog aanschaffen valt veelal in de categorie behoudende poëzie. Bij de landelijke onlinebibliotheek.nl vind je een iets ruimere keuze. Wie zich vandaag de dag wil verdiepen in de moderne dichtkunst moet een flinke beurs meenemen. Anno 2018 is poëzie alleen nog maar weggelegd voor welgestelden. Dat kan mijns inziens geenszins de bedoeling zijn. Dáár zou iets aan moeten gebeuren. Door middel van overheidsbijdragen in de kosten van bundels, bijvoorbeeld. Maar er zijn ongetwijfeld meer opties voorhanden.

*
Joseph Massey’s chapbook Present Conditions (2018) heeft me aangenaam beziggehouden. Hij is een meester in het fotografisch vastleggen van de natuur. Dat is zijn handelsmerk. Hieronder een proeve:

BOVENGRONDS

Het weer is het gedicht
dat zichzelf onophoudelijk
schrijft.

Het licht denkbeeldig.

De schaduwen waar ik
de uren aan ophang.

De wind voert

gras en gasoline,
gier en petrichor met zich mee.

De psychedelische muziek
van een bloesemende perenboom.

Kijk door zijn takken omhoog:

witte strepen
schreeuwerig blauw

na hoeveel maandagen
onderdompeling in sepia
en sneeuwval.

Heerenveen, 2018 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (12)

Mijn stellingname gisteren dat € 655.000 subsidiegeld maar een magere oogst aan dichtbundels heeft opgeleverd werd me niet door iedereen in dank afgenomen. In reacties las ik loze kreten als ‘Russische toestanden’ en ‘cultuurvijandig’. Vrijwel niemand ging in op de poverheid van de opbrengst zelf. Maar de vraag of je waar voor je geld krijgt lijkt me ook relevant als het om subsidie van kunst gaat. Hoe lastig kunstwerken ook in geld zijn te waarderen. Zeven van de laatste tien edities van de VSB Poëzieprijs werden gewonnen door dichters die voor het schrijven van de bekroonde bundel geen subsidie van het Letterenfonds hadden ontvangen. Overheidssteun is geen noodzaak maar nice to have, een geste van de gemeenschap richting (een deel van) haar kunstenaars. Van de kunstwereld wordt dan wel verwacht dat de gelden goed worden besteed.