De gedichten van Graham Foust (1970) zijn doorgaans kort en bondig; hij is een meester in de beknoptheid. ‘A Heap of Language / Een zootje taal’ is een ‘one image poem’ en vangt de diepgang van een enkel moment. Het vele wit benadrukt verschillende vormen van stilte.

EEN ZOOTJE TAAL

Ik was de messen en veeg
de tafel af. Jij komt uit zee
en droogt je af. Excuses kruipen in ons
rond. Haast alles wat we zeggen doet er amper toe.

De laatste twee zinnen van het gedicht werpen nieuw licht op de eerste twee en zetten de hele toestand onder hoogspanning. Wat is hier aan de hand? Wat is er gebeurd? Plotsklaps, zonder enige directe verwijzing, heeft Foust de lezer opgezadeld met een gewelddadige connotatie. Ik moest aan de film Sleeping with the Enemy denken.

Als we de afsluitende zin óok als een poëticaal statement lezen, dan maken we het ons nog ingewikkelder. Dit zootje taal laat veel open.

De Amerikaan Robert Lax (1915-2000) bracht de laatste 35 jaar van zijn leven door op enkele Griekse eilanden. Daar schreef hij het merendeel van zijn gedichten. Het Griekse landschap was een belangrijke inspiratiebron voor zijn minimalistische werk. De kolom is in veel van zijn verzen een in ’t oog springend vormelement.

In onderstaand titelloos gedicht, uit de cyclus Nights & Days (1981), komt ook zijn beschouwelijke karakter naar voren. Het regent. Randvoorwaarde voor leven, godsgeschenk voor droge bodem. Met enkele penseelstreken schetst Lax een vroege ochtend waarin hij op een kalme zee uitkijkt, wat mijmert, zich verwondert over het bestaan. Je zou zo met hem willen ruilen. Een lyrisch gedicht dat vrede achterlaat.

Al die roeptoeters die voor het raam van de geschiedenis staan: alsof ze willen zien wat er werkelijk aan de hand is!

Gevoegd werd er vandaag, honderden tegels; begin volgende week is de plee klaar.

Word momenteel ook nog afgeknepen door een HSP-prikkeloverload; not funny.

Luisterde tijdens het voegen naar Sisyphus, een vierdelige podcast over de beklimming van het Nepalese bergmassief Annapurna in 1977 door een stel Nederlanders. Als ik het leven over zou mogen doen, zou ik me absoluut zeker te weten aan bergbeklimmen wagen.

Onzekerheid, verwachtingen, verlangens.

Foudgum, 2021 © Ton van ’t Hof

Uit 2009, toen ik samen met Chrétien Breukers boeken uitgaf:

Beste W,

We hebben met belangstelling uw manuscript gelezen. Er zitten enkele goede gedichten bij, maar het geheel is ons inziens nog van onvoldoende niveau om bij ons voor publicatie in aanmerking te komen. Er zit nog een zekere krampachtigheid in uw gedichten, alsof u te graag poëzie schrijft. Veel succes met uw verdere dichterscarrière.

Met vriendelijke groet,

Ton van 't Hof

W was bitter teleurgesteld:

Bester Tonnie,

Recentelijk merkte ik dat ik op jouw advertentielijst sta van jouw uitgeverijtje.

Ik heb een sticker op de deur.

Je kent hem vast.

Haal mij aub uit jouw adressenbestand: Exit Van ’t Hof.

Ik las drie verzen van jou op Meander: vervuilde laag onder de bagger erboven.

Klasse hoe jij dit weer doet: je begint een eigen uitgeverijtje. Wat ben jij gefrustreerd.

Ton: jij maakt de klassieke fout: mensen zijn niet gelijk aan mekaar/ je hebt goede en mindere dichters.

Hoe schat jij jou zelf in op een schaal lopend van syndroom van verbaal Downes tot ... (noem maar).

De dichters waarvan jij buideltjes uitbrengt: in godsnaam waar zit jou centrum van Broca!

Vanaf nu zul jij mijn bloed wel kunnen drinken: goed bloed Tonnie: rhesus B positief.

Genoeg liters her en der gedoneerd!

Laat ons weten als je aan een dichterlijk infuus wilt: ik help je.

Ik ben niet de kwaadste: maar jij bent een dichterprick. Elke dichter die jij (sorry: jullie) brengt is minor.

Doe ons één plezier: stop met dichten en masturbeer op Joke van Leeuwen! Harrie mag ook: ik ken je geaardheid niet.

Ik schrijf ditte dirt omdat ik als ouwe lul niet wil eindigen zoals jij. Maak je moordkuil rijmend tot goede verzen! Met een hoop koeiestront natuurlijk: je bent vast van agrarische herkom.!

W

Nog niet eerder schreef ik een novelle, weet niet hoe ik dat moet doen, maar ben nu toch begonnen.

Soms maak ik dingen af, soms ook niet.

Openingszin, in het klad: ‘Er waren overeenkomsten, zoals het vijandelijk vuur, waar we beiden dekking tegen zochten, Oppen in Frankrijk en ik in Afghanistan, en ook verschillen: hij was uit overtuiging van huis gegaan, ik om geld te verdienen.’

Tussendoor: tegels gezet, pannenkoeken gegeten, op en neer naar Elba gewandeld.

Autofictie, gefictionaliseerde biografie; niet iedereen zal onder eigen naam verschijnen.

Holwerd, 2021 © Ton van ’t Hof

Dit is mijn leven, dat is wat ik beschrijf. Soms lees ik poëzie, dan weer klus ik in en om het huis of kuier met mijn knotse moeder langs Bartlehiemse weilanden.

Heel vroeger, nog voor mijn tiende levensjaar, ging ik geregeld naar de kerk, een katholieke kerk in Den Haag. Mijn ouders komen uit het zuiden en zijn van huis uit katholiek. Toen hun belangstelling voor het Lam Gods in de jaren zestig wegebde, bleef kerkgang steeds vaker uit, totdat we helemaal niet meer gingen.

Ik begreep destijds wel iets van het geloof, maar niet al te veel. Aan Bijbelles werd thuis niet gedaan. Wat me vooral is bijgebleven van het kerkbezoek is geschuifel, gekuch, zang en gejubel. Tijdens de schriftlezingen en de homilie droomde ik kalmpjes weg.

Hans Tentije heeft soortgelijke herinneringen en schreef er een gedicht over. Alleen hingen er in zíjn kerk, in tegenstelling tot de mijne, schepen aan het plafond. ‘In veel hervormde kerken, vooral in Noord-Holland, hangen scheepsmodellen. Voor de sier, maar ook ter nagedachtenis aan een belangrijke gebeurtenis of als monument voor op zee gebleven familieleden,’ las ik in het Reformatorisch Dagblad. Tentije komt uit Beverwijk, dat ooit aan een uitloper van het IJ lag en thans een binnenhaven heeft.

De modelscheepjes brachten Tentije naar zee, waar ik van dagdroomde weet ik echt niet meer.

Uit de bundel Verloren speelgoed (2001)

De aanschaf gisteren van Herman Brusselmans’ Geschiedenis van de moderne literatuur was een vergissing. Het boek zelf is een denkfout. Ik heb het e-book vanochtend geretourneerd.

‘Het relevante denken begint met een diep wantrouwen jegens taal.’

Te midden van de ziljoen manieren waarop men de zaken kan bezien en beziet, dobbert de mijne.

Maakte courgettesoep van de eerste, onbeschermde maar volledig gave courgette uit eigen tuin; prinsheerlijk.

Buiten regende het, buiten was de wereld die ik graag nog eens zou willen beschrijven: kijk, daar, de wereld!

Foudgum, 2021 © Ton van ’t Hof

‘De stollende wraak van J. Enterhaeck’ was het eerste gedicht van Peter Holvoet-Hanssen dat ik las, in een tweedehandsboekenwinkel, waarna ik de bundel – Strombolicchio: Uit de smidse van Vulcanus (1999) – direct aanschafte. Van dit woordkunstwerk spat ‘lef, lol en avontuur’ af. Het is een uitnodiging om mee op reis te gaan. Verwacht bij Holvoet-Hanssen geen kalme overtocht, maar toeval en chaos, intertekstualiteit en uitwaaierende verhaallijnen. Je zult als lezer met vragen achterblijven, zoals Ferdinand Magellaan en zijn bemanning ook niet alles begrepen wat zij eeuwen geleden zagen tijdens hun stoutmoedige expeditie rond de wereld. Soms zijn eenheid en samenhang ver te zoeken, zowel in Holvoet-Hanssens poëzie als in het echte leven, maar meeslepend is het allemaal wel.

Ilja Leonard Pfeijffer, die zijn archief aan het Literatuurmuseum heeft geschonken, en Louis van Gaal hebben dingen gemeen.

Toen mijn moeder me zag aankomen stond ze op, hief haar armen in de lucht en zei: ‘Daar komt de allerliefste man aan!’

Gedichten moeten openhartig zijn, en bikkelhard,

poreus, vloeibaar, onstabiel, glinsterend.

Herlas een essay over Oppen, dat ik bijna dertien jaar geleden in Afghanistan las, op het terras van Green Beans Coffee, waar je werd bediend door Tibetanen.

Het sleepte me nog even sterk mee als toen.

Begon, heel even, aan een novelle, zon vervolgens kort op een gedicht en trok tot slot de conclusie dat ik het voorlopig nog bij dit logboek moet houden.

‘Kale observatie is het enige wat telt.’

Maar één moment van oprechtheid kan alles anders maken.

Haalde romans van Renée van Marissing en Koen Peeters uit de bibliotheek. Van beide auteurs heb ik nog nooit een roman gelezen. Mijn liefde voor de roman is sinds de jaren negentig langzaamaan bekoeld. Ik raakte erop uitgekeken. Non-fictie en poëzie kregen de overhand. Maar soms verlang ik plots naar een roman en leg mezelf dan geen strobreed in de weg, zoals vandaag dus.

En toch borrelt er iets, onder de oppervlakte.

Kunst maak je niet
alleen, maar altijd met inbreng
van anderen, hun werk, dat plezier
van vriendschap.
Brantgum, 2021 © Ton van ’t Hof

Als groot bewonderaar van het werk van de Franse impressionistische schilder Claude Monet, was mijn bezoek aan zijn huis in het Normandische gehucht Giverny een ware belevenis. Dat prachtige huis, waarin Monet van 1883 tot aan zijn dood in 1926 woonde, is inclusief de indrukwekkende tuinen gerestaureerd en opengesteld voor publiek. De Amerikaanse Callie Siskel schreef er een gedicht over, getiteld ‘Giverny’, waarmee haar debuutbundel Arctic Revival opent:

GIVERNY

De natuur houdt nooit op.
– Claude Monet

Niets in de tuin
is zo geel als de eetkamer.
Niets zo dekkend.

Een boterachtige schaduw
bestrijkt de muren en sluit zich
rond het meubilair.

Twee eindjes touw
scheiden de kamer van het huis af
alsof ze waarschuwen voor natte verf.

Het is lak en zonlicht
door de terrasdeuren die de illusie
van nattigheid geven

waar het niet nat is,
waar alles in gereedheid is gebracht.
Zelfs de gele tafel,

in wit gedrapeerd
en de acht stoelen met rieten rug,
allemaal aangeschoven

voor een bord met wilgenmotief
en een kristallen glas
dat we niet konden heffen.

Jij was bijna dertien jaar
mijn vader.
Ik vroeg je waarom

we die dag niets
mochten aanraken,
maar je kon niet weten

dat de kamer niet meer veranderen zou
en wij zouden worden overleefd
door een dikke laag verf.

Monet was dol op eten. Hij startte de dag vaak met een Engels ontbijt, waarna hij enkele uren schilderde. Lunch en diner bestonden uit meerdere gangen en ’s middags tussen vier en vijf werd er thee met zoetigheden geserveerd. Hij had een kokkin in dienst en tuinmannen die de moestuin verzorgden en in de tuinvijver karpers en snoeken vingen. Keuken en eetkamer behoorden tot de belangrijkste vertrekken in Monets huis. Beide zijn in oude staat hersteld. Siskel heeft de sfeer van de gele eetkamer in haar gedicht goed weten te treffen.

In de laatste drie strofen treurt Siskel over het verlies van haar vader, die overleed aan de gevolgen van een hersentumor. Ze was toen twaalf jaar. Dat verlies weet ze op aangrijpende wijze te verknopen met de verstilde eetkamer waarin Monet ooit kon worden aangeraakt.

Monets gele eetkamer, Giverny

Blijf kalm en denk vooruit, vér vooruit.

Recensie: Strijd en metamorfose van een vrouw, Édouard Louis: pakkend.

Geschuurd, geschilderd en mond opengesperd voor de mondhygiëniste.

Alle weerapps – bronnen van ergernis – van mijn smartphone en iPad verwijderd; de Enkhuizer Almanak is beter.

Toen ik in 2009 uit Afghanistan terugkeerde overheerste bij mij het gevoel, de gedachte dat we, westerse landen, daar met een heilloze onderneming bezig waren, een lijdensverhaal.

Helaas is een beroerder slot nauwelijks denkbaar.

Nes, 2021 © Ton van ’t Hof