Werk is een dingetje tegenwoordig. Werkdruk ook. Al dan niet zelfopgelegd. Mónica de la Torre schreef er een hilarisch & relativerend gedicht over, dat te vinden is in haar bundel The Happy End / All Welcome (2017).

CARRIÈREPAD

Begon je rustig helemaal onderaan en probeerde je langzaam vooruit te komen?

Begon je met een eenvoudig baantje en werkte je je op d.m.v. vlijt & noeste arbeid?

Begon je pas toen de vergevorderden onder je maten bijkans aan positieverbeteringen toe waren?

Denk je telkens weer dat anderen iets op je voorhebben wat je moet compenseren door overijverigheid en een zekere mate van zelfontkenning?

Ben je ooit bang geweest dat je zou worden gestraft en je baan zou verliezen als je zou worden betrapt op iets wat je op je werk deed?

Heb je ooit het gevoel gehad dat je functie geen opstapje was, zoals je had gehoopt, naar een hogere positie, maar dat je aan de kant bent gezet en zelfs gedegradeerd?

Heb je het gevoel gehad dat je een horribel job wilde inruilen voor elk ander baantje en zelfs honger en werkloosheid prefereerde?

Heb je ooit alle denkbare betrekkingen uitgeprobeerd omwille van de afwisseling?

Denk er eens over na: het is heus niet uitgesloten dat je verkozen wordt en op een dag als een werkbij aan je bureau zit en zorgeloos naar buiten kunt kijken, effies maar.

Kwam in een doos vol oude papieren de bidprentjes van mijn opa & oma van vaderszijde tegen. Mijn opa ging naar de hemel toen ik twaalf was, mijn oma volgde hem dertien jaar later. De bidprentjes wekten vage herinneringen op. Aan sigarenrook en groentensoep met balletjes. De miniportretjes las ik keer op keer over:

‘Reeds lang voelde hij dat zijn gezondheid slechter werd, maar zoals dat altijd was geweest, had hij alleen maar belangstelling voor zijn goede vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen en de vele vrienden die hij had. Hij klaagde nooit om [sic] zichzelf, maar was bedroefd omdat hij voor zijn vrouw niet meer kon doen wat hij zo graag wilde.’

‘Zij was een lieve, zorgzame en gelovige vrouw die altijd voor iedereen klaar stond. Fijn dat ze in haar laatste moeilijke jaren iemand vond die haar liefdevol terzijde stond.’

Deze portretjes wierpen nieuwe vragen bij me op.

Vanmiddag een huis in Brantgum bezichtigd & een openingsbod uitgebracht.

In 1976 publiceerde dichter-musicus Russell Atkins zijn magnum opus Here in The, dat afsluit met het heftige gedicht ‘In Memoriam’. Ik draag mijn (verre van volmaakte) vertaling op aan dappere Greta Thunberg.

IN MEMORIAM

ik sta helemaal in het oosten
en kijk)     het licht —
ernstig — somber
komt     en,     flauwtjes
zijn kleine elegie,     amper
maar spoedig     luidkeels
over de cruciale aarde
het hoogste
en sterft dan zachtjes weg

Met ma naar de dijk bij Holwerd gereden om het onlangs voltooide kunstwerk van Jan Ketelaars te bewonderen: twee reuzinnen van metaal die wachten op hoog water. Ma keurde ze precies één blik waardig: ‘Ze hebben mannenkoppen.’ Waarna de vraag waar ze in godsnaam beland was al haar aandacht opeiste.

Holwerd, 2019 © Ton van ’t Hof

Khaled Mattawa werd in 1964 in Libië geboren en emigreerde op 15-jarige leeftijd naar de VS, waar hij thans aan de University of Michigan lesgeeft in creatief schrijven. Onlangs verscheen zijn chapbook Mare Nostrum, waarin de vluchtelingenstroom naar Europa een belangrijk thema is. Onderstaand gedicht is opgetrokken uit fragmenten van een blogpost van een Canadese arts die vrijwillig bij de opvang van vluchtelingen betrokken is geweest. Omdat het hier vermoedelijk een ooggetuigenverslag betreft, waardoor Mattawa niet alleen de rol van dichter maar ook die van journalist vertolkt, breng ik dit vers vooralsnog in de categorie documentaire poëzie onder. De sobere, emotieloze taal en precieze beelden vergroten het registrerende karakter en maken ‘Brandstofblaren’ messcherp, indringend.

BRANDSTOFBLAREN

Jerrycans lekken
of worden omgestoten;
gasbenzine mengt zich met zeewater

en als het mengsel
in aanraking komt met de huid
begint de huid te branden.

Vrouwen die op de bodem zitten
of in het midden van de boot
lopen het grootste gevaar.

In de kleine boten zijn
met spijkers en schroeven
triplex vloeren aangebracht,

die voeten doorboren.
Het hout zuigt water op,
zet uit en barst dan.

Vrouwen en kinderen zakken vaak
door de vloer of worden onder
de voet gelopen en verdrinken.

Ze vechten aan boord
en de overlevenden
evenals de doden zitten vol

schrammen, beten, snijwonden
en blauwe plekken maar
de brandstofblaren zijn het gruwelijkst.

Overlevenden komen
onderkoeld, gedehydrateerd,
bijna bewusteloos aan.

Ze moeten met water en zeep
worden gewassen en kunnen zich
zonder hulp niet ontdoen van hun

met gasbenzine doordrenkte kleren,
maar alleen al door aanraking van hun kledij
kunnen latexhandschoenen oplossen.