Ik lees Alle voetnoten (2018) van Arnon Grunberg. Heel vermakelijk. Maar hij ruilt wel de ene gedachte in voor een andere. Vliegt nogal eens uit de bocht. Wat charmant is, en irritant tegelijk. Dagelijks je gedachten publiceren legt óók je luimen en nukken bloot. Oppassen geblazen! roep ik tegen de noeste blogger die ik ben. Voor je het weet nemen ze je niet meer serieus.

Als Grunberg in mei 2010 uitvaart tegen Joris Luyendijk –

‘Joris Luyendijk is een aardige man. In zijn boek over zijn ervaringen als correspondent in het Midden-Oosten staat veel wetenswaardigs. Afgelopen zaterdag schreef Luyendijk dat we naar “engagerende journalistiek” moeten “die iets teweeg brengt bij de lezer”. De journalist moet de lezer naar behoren informeren. Opvoeden en agiteren moet hij aan anderen overlaten.’

– denk ik: deze klap zou hij Luyendijk anno 2018 niet meer hebben verkocht.

Luyendijk, o.a. geschoold als religieus antropoloog, wordt inmiddels door collega-journalisten zeer gewaardeerd. En geen idee of Grunberg ooit in één jaar tijd ruim 300.000 exemplaren van één titel heeft weten te slijten. Luyendijk wel, met Dit kan niet waar zijn. Onder bankiers.

Kijk maar uit. Jaren later weten ze je nog te vinden.

Arnon Grunberg, 2018 © Ton van ’t Hof

De natuur is de natuur niet meer. Zij bestaat niet langer buiten ons. De wildernis is finito. Er is geen enkele plek meer op aarde die niet door menselijk handelen geschonden is. Natuur en cultuur zijn één pot nat geworden. We leven in het Antropoceen.

Woorden als natuurbehoud, natuurbescherming en natuurherstel stoelen thans op achterhaalde opvattingen. In een wereld die we elke dag opnieuw, of we dat nu leuk vinden of niet, vormgeven, geldt de wezensvraag: Welke wereld creëren we?

Ruim de helft van de wereldbevolking woont in verstedelijkte gebieden, bestaat uit stadsmensen die vogelsoorten niet meer van elkaar kunnen onderscheiden en zich ongemakkelijk voelen bij stilte of in een donker bos.

In deze veranderde omstandigheden is de natuurpoëzie uit vorige eeuwen, waarin de natuur als een fetisj wordt vereerd, niet langer toereikend om de instabiliteit van onze verknoeide leefomgeving te beschrijven. Poëtica’s van dichters als Herman Gorter, H.H. ter Balkt, Mary Oliver en Wendell Berry worden momenteel door ecodichters geactualiseerd.

In de komende afleveringen van Het verlangen naar spetterend vers zal Lynn Kellers boek Recomposing Ecopoetics (2017) centraal staan.

Wat allemaal niet wil zeggen dat ik een ouderwets natuurgedicht niet meer zou kunnen waarderen. Deze is van Berry:

DE KALMTE VAN WILDE DINGEN

Als de wereld me tot wanhoop drijft
en ik ‘s nachts wakker word van het minste geluid
angstig voor wat mij en mijn kinderen te wachten staat,
ga ik buiten liggen, waar de carolina-eend
in zijn schoonheid rust op het water en de grote reiger zich voedt.
Ik bedaar tussen wilde dingen
die zich niet belasten met bezinning op toekomstig
verdriet. Tegenover me stilstaand water.
En boven me voel ik de aanwezigheid van dagblinde sterren
die wachten op licht. Zo verblijf ik
een tijdje in de goedheid van de wereld, en ben vrij.

Een witte kwikstaart in zijn zomerjasje. Zo te zien een vrouwtje. Bij mannetjes is de nek niet grijs maar zwart. Deze vogel komt overal in Nederland en België als broedvogel en doortrekker voor. Jaagt graag achter insecten aan. Wipt met zijn staart. (Bron: Zakgids Vogels van Nederland en België, 2011)

Witte kwikstaart, 2018 © Ton van ’t Hof

Ecopoëzie reageert op de desastreuze invloed van de mens op zijn leefomgeving, die veelomvattend is: we hebben de hoeveelheid radioactiviteit op aarde vergroot, het milieu met giftige stoffen verontreinigd, de atmosfeer en oceanen opgewarmd, planten en dieren laten uitsterven, bodem en watervoorraden uitgeput.

Aan dit onbedoelde catastrofale experiment van de mens met zijn eigen life-support system kan alleen een einde worden gemaakt met een waaier aan georkestreerde noodgrepen. Ecogedichten kunnen de bewustwording bevorderen van de milieuproblematiek.

Momenteel maakt ecopoëzie een snelle ontwikkeling door. Vooral in de VS verschijnen veel publicaties op dit gebied – dichtbundels, bloemlezingen en ecokritieken. In Nederland kan werk van Xavier Roelens en Maartje Smits tot de ecopoëzie worden gerekend. Mijn gedicht Obsoleet.nl gaat over planten en dieren die in Nederland uitgestorven zijn.

Al in 2007 ontwikkelde Sven Vitse een ecokritisch perspectief om o.a. ‘natuurdichter’ Huub Beurskens beter te kunnen lezen. Hierin schildert Vitse poëzie als methode af om natuurervaringen te conserveren:

‘Van het unieke in de natuur kan men hoogstens in een flits iets ervaren; om die ervaring te bewaren heeft men culturele hulpmiddelen nodig, zoals het gedicht.’

Voor als de natuur straks verdwenen is; het vers als museum.

Halverwege was ik Cyrille Offermans’ geletterheid zó beu, dat ik zijn boek Een iets beschuttere plek terzijde schoof. Niets tegen geletterheid hoor, maar wel als het zonder praktijkervaring wordt geëtaleerd; dan heet het wijsneuzigheid. Zo lang Offermans schrijft over plekken en kringen waarin hij doorgaans verkeert of verkeerde – leslokaal, werkkamer, museum, schouwburg, Zuid-Limburg, familie, Rasterredactie – of uitweidt over boeken die hij las, kan ik hem velen. Maar zodra hij zijn visie op de rest van de wereld begint uit te meten, breed en hautain, haak ik geïrriteerd af. Een moraliserend stuk over Syrië, gebaseerd op krantenberichten, deed de deur dicht. Afgewogen schrijven over dingen die buiten je leven staan is maar weinigen gegeven.

Ik moet aan Hans Groenewegen denken. Hij publiceerde ooit een essay over mijn dichtbundel Aan een ster / she argued, die ik in Kandahar schreef. Hij hekelt daarin het feit dat er in het gedicht Kamer geen tekst voorkomt over de culturen, geschiedenis of godsdiensten van Afghanistan. Niet wetende wat een privé-vertrek voor een militair in missiegebied betekent, niet wetende dat mijn werkkamer vol stond met boeken over Afghanistan inclusief een bloemlezing Afghaanse poëzie. Groenewegen had het allemaal bedacht vanuit zijn leunstoel.

Leunstoel, 2018 © Ton van ’t Hof