Aanvullende stukken

Winterklus: het aanleggen van een druppelirrigatiesysteem in onze tuin. Sproeien, merk ik nu, kost veel tijd en te veel water.

‘Vandaag kans op zeer veel muggenoverlast in Brantgum.’

Na het beantwoorden vanochtend van de brief van het Bewindsbureau – onderwerp: ‘opvragen aanvullende stukken t.b.v. de rekening en verantwoording’ van het door u gevoerde bewind over het vermogen van uw moeder – kon ik nog maar één ding: naar lucht happen. Uit woede over een medewerker van dat bureau, die kennelijk de bijlagen bij mijn verantwoording niet had gelezen.

Stoom afgeblazen op de fiets, op en neer naar Dokkum. Ik werd ditmaal gelukkig van windkracht vier pal tegen. Kocht in een opwelling een spotgoedkoop vliegengordijn bij Xenos.

14.15 uur: nog geen mug gezien, wel veel vliegen.

Las dat Philip Whalen het voorlezen van poëzie, in tegenstelling tot het schrijven en lezen ervan, nogal suf vond. Nou, dat ben ik dan gloeiend met hem eens.

Hoorde een koekoek.

Realiseerde me dat dit dagboek gefundeerd is op mijn verlangen om te weten wat ik tóen waarnam, dacht en deed.

Een gouden tandenstoker.

Bornwird, 2020 © Ton van ’t Hof

Lichterlaaie

Na de meditatieoefening rammelde mijn buik vanochtend ongerechtigheid. Desondanks de koelkast níet geplunderd, maar een kleintje havermout genuttigd. Daarna klusjes opgeknapt en een kort bezoek aan mijn moeder gebracht.

’s Middags, onder de bomen, studie gemaakt van het leven van Philip Whalen, ditmaal van zijn hechte platonische relatie met Joanne Kyger.

Om me heen openden rozenknoppen zich.

Van Whalen is, volgens biograaf David Schneider, niet één seksuele relatie bekend.

Stelde vast dat er een ringmus in onze tuin broedt (drie groene, gemarmerde eitjes).

Mijn geest fladderde. Zon stond in lichterlaaie. Ik probeerde terug te keren naar mijn boek maar mijn aanwezigheid werd een gedachte.

Hoog als een vlieger.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

De Botstraatkliek

Stond vanochtend voor zevenen al te sproeien. De bovenlaag is hier keidroog, sommige planten hingen er slapjes bij. Duur twee uur, verbruik ca. 1,5 kuub water.

Daarna de azalea’s beperkt gesnoeid (bloemstelen verwijderd) en gemulcht (rondom stammetjes een deklaag van organisch materiaal aangebracht).

Geluncht, twee wandslanghouders aangeschaft en opgehangen (voor onze twee tuinslangen die een gezamenlijke lengte hebben van vijftig meter) en de auto gewassen en gestofzuigd.

‘Fleißig, Herr Van ’t Hooof!’

Gisteren werd op de Facebookpagina Eindhoven Toen een foto geplaatst van een optreden van The Band Masters, dat op 18 april 1953 plaatsvond in uitgaansgelegenheid Astoria te Eindhoven. Mijn vader speelde mondharmonica in dat bandje. Op de betreffende foto (zie hieronder) staat hij tweede van links.

Pa was toen negentien en vermoedelijk net als kvv’er (luchtverkeersleider) in dienst getreden bij de Koninklijke Luchtmacht. Links van hem staat Geert Leupen, de oudste broer van mijn moeder.

Van links naar rechts: Geert Leupen, Lambert van ’t Hof, Jan Tonneijk, Toon Hendriks, Toon Vermeeren en Fons Groenland.

Via een kennis kwam ik in contact met de dochter van de drummer, Caroline, die de foto op Facebook had geplaatst. Zij wist mij te vertellen dat haar moeder een dochter was van een zus van mijn grootvader van vaderskant. Asjemenou, ik chatte geheel onverwacht met een nicht (2e graads) van me! Nog een saillant detail, haar vader en moeder woonden net als mijn vader en moeder in de jaren vijftig (als adolescenten) in de Botstraat te Eindhoven. De Botstraatkliek, zeg maar.

The Band Masters, Astoria, Eindhoven, 18 april 1953.

Meetellen

Een van de eerste dingen die ik vandaag las was: ‘Iedereen houdt van iets, ook al zijn het maar tortilla’s.’ Een uitspraak van een boeddhistische monnik, bedoeld om je op te vrolijken. Ik werd er nóg vrolijker van.

Vrolijkheid die weer wat werd getemperd toen ik de weersverwachting voor de komende tijd onder ogen kreeg: droog, op een enkele druppel na.

Dé constante factor in Brantgum en omgeving: windkracht vier. Desondanks bijna 2,5 uur op de fiets gezeten, rondje Metslawier. Onderweg: té veel motorrijders die zich niet beheersten.

Na de lunch in de zon liggen bakken, naar het ruisen van bladeren geluisterd en ijskoude cola gedronken.

Ook nog een uurtje aan mijn schrijfvaardigheid gewerkt, met focus op geestdrift, humor, abrupte wendingen, onthutsende juxtaposities en vol toerental.

Wat momenteel maar niet wil: politiek worden. Godsamme. Alsof ik nérgens meer een mening over heb. Voor je het weet tel je niet meer mee.

Effe getobd. (Grapje.) Totdat het tijd was voor bier.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Oogverblindende schittering

Over een gedicht van John Ashbery

In zijn bespreking van A Worldly Country omschrijft Forrest Gander de late John Ashbery als een dichter die niet alleen clichés laat zingen, maar ook morrelt aan de syntaxis, het DNA van het Engels, om lezers te dwingen tot het inhouden van hun pas, zodat zij het ‘continuüm’ kunnen zien, van het leven in het algemeen en de Amerikaanse geschiedenis, inclusief haar taal, in het bijzonder.

Mooie, maar wellicht ook wat vergezochte woorden. Ahsbery was geen dichter die een programma had, maar iemand die op zijn gevoel afging, intuïtief handelde. Wat mij opvalt aan Ashbery’s latere poëzie zijn de vele passages die buitengewoon schoon en tevens raadselachtig zijn, momenten waarop taal ongenaakbaar is maar tegelijkertijd een betoverende abstracte gratie heeft, waar ik maar geen genoeg van kan krijgen.

Neem, bijvoorbeeld, de afsluitende zin van het derde gedicht van A Worldly Country: geen idee wat de betekenis ervan is, maar o God wat een oogverblindende schittering!

STREEPJESPATROON

Bij het passeren van de lage brug geeft je lot lucht
aan een scheldkanonnade. De kastanjebomen
laten hun bladeren één voor één vallen. Terwijl het ene
na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur
telkens een enkele bezoeker toe. Waarom ook niet?

Was dit de reden dat we aandachttrekkende
momenten op het plein schuwden nadat de zon
was uitgemokt? Er waren konijnen in de oase
en wij wisten van niets, al helemaal niet
van opeengepakte nogahandelaren. Eén
slaapliedje voor iedereen. Het verhoor kent geen clausule,
alleen lichtvoetige reuzen die perspectief schrokken
of eenzaamheid komen voor zichzelf op, kleurloosheid
die contrasteert met lichtpillen.

Té kritisch

Stapte rond 13.45 uur voor het eerst sinds enkele maanden Dokkums bibliotheek weer eens binnen. Het was redelijk druk en ik was veruit de jongste. Wat toeval was, of niet. Wie zal het zeggen. Bracht één boek terug en nam er twee mee. Voor Hennie.

Was op de fiets. Vanwege de blauwe lucht. Helaas viel de wind wat tegen: de jas werd dichtgeknoopt en het hoofd over het stuur gebogen.

Ik heb me nooit veel gelegen laten liggen aan de spelregels binnen het poëzieveld, ben altijd kritisch geweest op bobo’s, praktijken en machtsverhoudingen. Wat me niet door iedereen in dank werd afgenomen, anderen waardeerden dat weer wel. Ik sloot vriendschappen en zei ze soms ook weer op; zoals dat gaat in het leven.

Tot de meest typische behoren de vriendschappen die bekoelen omdat een van de matties (m/v/x) een andere positie in het veld heeft ingenomen, door het aanvaarden van een functie, bijvoorbeeld, of de toekenning van subsidie. Ineens is de ander té kritisch. Wat ik jammer vind. Maar mijn mening ga ik er niet aan geven. Daar heb ik recht op.

Gelukkig zijn er nog wat ijzersterke boezemvrienden.

Bornwird, 2020 © Ton van ’t Hof

Maar waarheen?

Bleef vanochtend langer stilstaan bij slotbouten dan het ochtendnieuws. Welke geschikte slotbout kon ik waar krijgen? Voor de kastanjehouten pergola.

De pimpelmezen zijn uitgevlogen. Maar waarheen?

Kastanjehouten pergola gefikst. Volgende deelproject: het waterornament. Langzaam beginnen onze ideeën vorm te krijgen.

Ook nog gewerkt aan de vertaling van het derde gedicht uit John Ashbery’s A Worldly Country, ‘Streakiness’. Alleen de titel kostte al heel wat hoofdbrekens.

Dichter? Ik werd het per ongeluk, was het nooit van plan geweest, en weet nog steeds niet waar het nou eigenlijk allemaal over gaat.

En natuurlijk heb ik Gerbrand Bakkers nieuwe boek al binnen, Knecht, alleen, alleen wil ik eerst de twee andere boeken waarin ik bezig ben uitlezen. Geduld!

Terwijl ik dit bericht tikte, klom er op nog geen tien cm voor mijn ogen ineens een groene spin naar het plafond. Zo’n dikke.