‘Om kort te gaan houdt het copyright de schrijver bij de burgerij, en het is inderdaad opmerkelijk hoe weinig revolutionair creatief schrijven tegenwoordig is, hoe weinig het op zoek is naar een echt ander model van samenleving. Er is natuurlijk de subversieve schrijvershouding – ruimdenkend, antiautoritair – die paradoxaal genoeg bijna een conventie is geworden; er wordt van een auteur verwacht dat hij ontevreden is met de samenleving. Maar met zijn royalty’s gebaseerd op internationale overeenkomsten, zijn elektronische overboekingen, de aanpak van copyrightpiraterij, is de auteur eerder een voortbrengsel van de gevestigde orde dan haar vijand.’ – Tim Parks in Waarom ik lees. De veranderende wereld van het boek (2014)

Ik heb geen idee hoeveel boeken er jaarlijks in Europa of Azië verschijnen, maar weet wel dat Parks het overgrote deel niet gelezen heeft. En ik betwijfel of zijn steekproef – de boeken die hij wél las – representatief genoeg is om bovenstaande uitspraak over ‘revolutionair creatief schrijven’ te kunnen rechtvaardigen. Misschien is het vandaag de dag wel een kwestie van ontdekken, moet je er, nu idealistische uitgevers en boekenwinkels met een lampje moeten worden gezocht, zelf actief naar op zoek gaan. Ik prijs me overigens gelukkig dat er in Nederland weer een hemelbestormende uitgeverij als Leesmagazijn is opgestaan, die al enkele jaren boeken uitbrengt die je op maatschappelijk vlak echt aan het denken zetten. Ze zijn er dus nog: onafhankelijke geesten die hun creativiteit inzetten voor vernieuwing en verbetering en zich níet door kapitalistische tegenwerking uit het veld laten slaan.

Het verlangen naar spetterend vers (8)

Momenteel verdiep ik me in Na het paringsritueel van Willem Thies. Omdat ik benieuwd was naar Alfred Schaffers oordeel las ik vanochtend zijn recensie van deze bundel in De Groene Amsterdammer. In elke recensie schemert wel iets van de gevoelens door waarop de recensent zijn oordeel vormt. Zo houdt Schaffer van verrassing, precisie, meerduidigheid, spontaniteit en verstaanbaarheid. Hij wil als lezer niet vergeten worden, voldoende aangereikt krijgen om een gedicht te kunnen vatten, begrijpen. Iets waar ik minder waarde aan hecht.

Ik kan gedichten, evenals beeldende kunstwerken, fraai vinden zonder dat ik er in slaag om ze volledig met mijn verstand te volgen of er een bevredigende uitleg aan weet te geven. Thies’ gedicht ‘Mimicry’ is daar een voorbeeld van.

MIMICRY

1
de najaarsspreeuwen, glanszwart en bronspurper, als één wezen
pulserend om valk te verwarren

afwisselend opgeblazen en slinkend, wijder en dichter
zich uitstulpend, stuwend
een Chinese militaire choreografie

2
zij ontwierp halssieraden, geweven stoffen, woorden, het snoert

in haar slokdarm de gloed van rijstwijn, antracietgrijs haar werktenue, uniform

3
zonnige krans je haar, blauw je me aan, je koralen lach, alles zo puur
dat het zou verpulveren als de schubben
op de vleugel van een dagpauwoog dakpansgewijs gerangschikt
wanneer ik haar vingerzacht raak

Dit is een triptiek, die je als lezer aanmoedigt om tussen drie afzonderlijke, uiteenlopende voorstellingen samenhang te zien en betekenis aan het geheel te geven. Mimicry verwijst naar spontane gedragsimitatie, bij mens en dier. Dieren doen dat meestal uit zelfbehoud, een zwerm spreeuwen bijvoorbeeld, mensen hebben er vaak sociaal voordeel bij. In het tweede vers wordt, zo meen ik, onbewust kopieergedrag van kunstenaars aan de orde gesteld, wat vooral grijze middelmaat aan kunstwerken lijkt op te leveren, waarin de eigenheid van de maker niet langer zichtbaar is. Het wordt de zij overigens niet voor de voeten geworpen, maar heeft hier slechts de vorm van een constatering. Het tegenovergestelde van mimicry vinden we in het afsluitende vers: puurheid. In de zin van onvervalst, echt. Het levert een scherp contrast op met het voorafgaande en verheldert de zaak. Maar in dit laatste vers is het pure zó teer, dat het niets verduren kan. Je kunt er alleen nog maar naar verlangen. Draait het hier soms om een herinnering? Is de zij – het tweede vers staat in de verleden tijd – intussen uit het leven van de verteller verdwenen?

Meer vragen dan antwoorden. En dan kun je dit sterke gedicht ook nog eens poëticaal lezen. Wie?

Chinees terracottaleger, 2018 © Ton van ’t Hof

Je komt hier in de buurt niet veel plekken tegen waar het zo leeg is als tussen Tzum en Kubaard. Kubaard is een alleraardigst dorpje met 250 zielen, waar mussen tjilpen en nog koeienstront op de klinkertjes ligt. Ik ben er al voor negenen. Op het bord aan het dorpshuis staat in krijt dat het klaverjassen aanstaande zaterdag niet doorgaat!

Als ik het dorp wandelend verlaat gaan de klinkertjes over in betonplaten, die precies één tractor breed zijn. De zon staat nog maar een handbreedte boven de horizon en mijn lijf werpt een lange schaduw voor me uit. In de wei liggen twee zwarte paarden voor dood. Als ik dichterbij kom heffen ze even hun hoofden op en laten een paar dikke scheten. Ook goedemorgen!

Vroeger waren hier flink wat bosjes en bosschages, nu zie je niets dan vrijwel lege weilanden met hier en daar een boom. Dankzij de bioindustrie. Het aantal vogels valt me overigens niet tegen: kraaien, blauwe reigers, slobeenden, meerkoeten, knobbelzwanen, grauwe ganzen, meeuwen, sperwers, buizerds en enkele groepen kramsvogels (vermoed ik, ik heb de verrekijker niet bij me). Nog voedsel zat dus. 

Op een joggende boerin na kom ik geen sterveling tegen. Naast alle natuurschoon is het me daar om te doen: moederziel alleen zijn, geen mensenherrie om me heen, rust, vrijheid. Wandelen als meditatie.

Halverwege staat er ineens een levensgrote kunstkoe in de wei, als een soort poortwachter naast de toegang tot twee of drie boerderijen met megastallen. Wat leeft sluiten we op en de leemte vullen we (uit nostalgie?) met een namaakkoe. De gekheid ten top. Bij de volgende boerderij kom ik, echt waar, een kunstpaard tegen. Wat een idioot modeverschijnsel hier te lande!

Enfin. Na een kleine twee uur kom ik voldaan weer in Kubaard aan. Onderweg maakte ik nog deze video.

Kunstkoe, Kubaart, 2018 © Ton van ’t Hof

Het verlangen naar spetterend vers (7)

In mijn inbox zat een reclamemail van INDEX Poetry Books, een vrij nieuwe, in poëzie gespecialiseerde boekenzaak in Leiden. In deze mail wordt o.a. de nieuwe bundel van Rae Armantrout aangeprezen, Wobble, die onlangs in een hardcover editie verscheen bij Wesleyan. Ik wil deze bundel graag hebben, maar de prijs die INDEX Poetry Books vraagt, € 28,50 exclusief verzendkosten, leek me, de gangbare prijzen voor Engelstalige bundels kennende, aan de hoge kant. Daarom heb ik maar eens wat prijzen vergeleken:

EB8973C9-5F59-42B7-A7F1-0724D5006E7D

Ik draag kleinere boekenzaken een warm hart toe en wil best, om ze op de been te houden, een eurootje extra voor een boek betalen, maar een verschil van bijna € 10 (ruim 30%) vind ik te veel. Als ik de hardcover editie koop, dan doe ik dat bij amazon.de, maar ik denk dat ik, ook met het oog op duurzaamheid, kies voor het e-boek van Amazon (Kindle).

Hoewel ik voor deze rubriek primair op zoek ben naar spetterende verzen schuw ik, zoals u ziet, uitstapjes naar secundaire kwesties niet.

Terug naar Vegters Eiland berg gletsjer waaruit ik nog één gedicht zou willen citeren, omdat het een fraaie opening en een intrigerend slot heeft. Het heet ‘Meten & wegen’ en komt eveneens uit de eerste afdeling (de twee andere afdelingen vind ik van mindere kwaliteit):

METEN & WEGEN

Of het tijd kost Anne Vegter te zijn.
De schotels in de lucht houden, probeer ik.

Ik doe natuurlijk maar wat.
Gisteren zei iemand het past of fluit ernaar.

Iemand zei genen van belangstelling
woekeren/denkers willen verspillen!

Het kost niet per se tijd maar het hoofd
(denken aan de liggende jaren, een tegen-

stelling noemen van verlangen) puilt uit.
Lezers zoeken iemand om in uit te rusten.

Dit is een poëticaal gedicht, waarin Vegter nader ingaat op hoe ze gedichten schrijft. En dat blijkt een chaotisch proces van meten & wegen te zijn, waarbij haar geest de neiging heeft om af te dwalen en beslissingen worden genomen op gevoel. Wat gedichten oplevert die, om er in door te kunnen dringen, van lezers inspanning vragen. Geen gemakkelijke poëzie dus. Wat betreft de slotregel: die zou zomaar het resultaat van een ingeving kúnnen zijn, een plotseling bij Vegter opkomende gedachte, die in het geheel paste, zonder inhoudelijk naadloos aan te sluiten bij het voorafgaande, waardoor er volop kan en mag worden gespeculeerd over de strekking van het slot.

Tegen wie spreekt Vegter eigenlijk in dit gedicht? Tegen zichzelf of een (kleiner of groter) gehoor? In het eerste geval ben ik geneigd om de slotregel uit te leggen als een verzuchting (ik zou wel willen dat ik poëzie kon schrijven waarin lezers kunnen uitrusten, maar dat kan ik niet) en in het tweede als een streven (ik wíl poëzie schrijven waarin lezers kunnen uitrusten). Als de eerste regel op een vraagteken zou zijn geëindigd, dan had ik de slotregel geïnterpreteerd als een hardop uitgesproken herhaling van een vraag van iemand uit het gehoor. Nu hel ik over tot een Vegter die in zichzelf praat en wéét dat ze geen lichte verzen schrijft.

Het is motterig weer. Ik doe wat zout in mijn havermoutpap. Buiten kleurt de hemel langzaam lichtgrijs. Straks komen de buien. Maar ik blijf desondanks niet binnen vandaag. Ik kan slecht tegen binnenblijven. Heb ik altijd gehad. Mijn hang naar frisse lucht mag je best ziekelijk noemen. Achter me warmt het espressoapparaat op. Dan kom ik iets van Neil Gaiman tegen, auteur van Don’t Panic: The Official Hitchhikers Guide to the Galaxy Companion, over het belang van lezen, ‘waar dat goed voor is’:

‘Ik was eens in New York,’ zegt Gaiman, ‘waar ik een lezing bijwoonde over het bouwen van private gevangenissen – een enorme groeisector in Amerika. Deze gevangenisindustrie wenste zijn toekomstige groei te plannen – hoeveel cellen zijn er nodig? Met hoeveel gevangenen moeten we over vijftien jaar rekening houden? En ze hadden ontdekt dat dat heel gemakkelijk te voorspellen viel, met behulp van een vrij eenvoudig algoritme, dat gebaseerd was op de vraag hoeveel tien- en elfjarigen niet konden lezen. En zeker niet voor hun plezier konden lezen.’

Ik kan het haast niet geloven.

Zuid van Jistrum gewandeld, door weilanden en langs het Kolonelsdiep. Onder voortjakkerende wolken beoefenden plukjes ganzen de kunst van het formatievliegen. Vlak voor een veerooster moest ik me door een groepje koeien heen wurmen (zie video). In dit gulle landschap fleurde mijn muffe lijf op. Aan het einde van de wandeling brak zelfs de zon door en werd het nog aangenamer.

ADO-AZ 0-1. Wat een zootje ongeregeld. Zelfs van het roemruchte Haags kwartiertje is niets meer over: ADO is de enige ploeg die dit seizoen nog niet in de laatste 15 minuten heeft gescoord.

Menu van de dag: bloemkoolsoep met witte bonen en worst.

26829FC8-9A35-45B8-A4F4-2DCCD96C62D9
Jistrum, 2018 © Ton van ’t Hof