—Gisteren J & M en T & A op bezoek gehad. We kennen elkaar al weer meer dan dertig jaar. Ons samenzijn is ook altijd een thuiskomen. Het leven is aan geen van ons voorbijgegaan. Tegelijkertijd laat geen van ons het leven zomaar aan zich voorbijgaan. Dat laatste heet levenskunst. Nadrukkelijk gespreksonderwerp gisteren: de begrenzingen van lichaam & geest.

Ik ben dan ook heel blij, dat ik op mijn levensweg, buiten het veilige nest van mijn familie, bijna vanzelf een handjevol mensen ben tegengekomen, voor wie ik niet al te diep in mijn schulp hoef te kruipen en tegenover wie ik niet al te spastisch op mijn woorden hoef te passen. – Cornelis Verhoeven over vriendschap

—Tijdens mijn meditatie vanochtend een onrustige geest aan het werk gezien: jagende gedachtes over de naderende afsluiting van een lange loopbaan en het begin van een nieuwe levensfase. Dit blog kreeg een rol in de overgang toebedeeld, al kon ik nog niet zien welke.

All there is, while things perpetually fall apart, is the possibility of acting from where we are. – Alexis Shotwell

Landschap 132, Loenen aan de Vecht, 2017 © Ton van ’t Hof
‘Mest bedreigt drinkwaterwinning,’ lees ik op de voorpagina van Trouw. Iets wat we al lang weten. En overbemesting bedreigt niet alleen onze drinkwaterwinning maar roeit ook planten en dieren uit door schade die het aan onze leefomgeving toebrengt.

‘Doordat het lang duurt voordat meststoffen het grondwater bereiken en dat water weer opgepompt is, verwachten de drinkwaterbedrijven nog decennialang “mestgerelateerde problemen” te ondervinden. Behalve om te veel nitraat gaat het ook om te veel sulfaat en nikkel in het grondwater, en om de hardheid daarvan.’

‘De zuidelijke boerenorganisatie ZLTO overweegt een rechtszaak tegen de provincie Noord-Brabant als die haar voorgestelde strengere landbouweisen doorvoert.’

‘De zuidelijke boerenorganisatie ZLTO overweegt een rechtszaak tegen de provincie Noord-Brabant als die haar voorgestelde strengere landbouweisen doorvoert.’

‘De zuidelijke boerenorganisatie ZLTO overweegt een rechtszaak tegen de provincie Noord-Brabant als die haar voorgestelde strengere landbouweisen doorvoert.’

Het schaamteloze egoïsme etc.

‘Tijd is het ritme’, Monique Lipsch
Als de geschiedenis van de poëzie er eentje van verandering is, blogt Ron Silliman, dan dient zo’n geschiedenis zich niet alleen bezig te houden met de ontwikkeling van de poëzie, de toepassing van nieuwe technieken en vormen, en de aanhoudende herdefiniëring van de literatuur zelf, maar ook, en ik parafraseer, met het verandervermogen van vormen vanaf het moment dat ze algemeen geaccepteerd zijn. Geen enkele vorm heeft het eeuwige leven.

Momenteel lees ik Sillimans fameuze blog, dat hij in 2002 startte, nog een keer van A tot Z. Bovenstaande uitspraak doet hij in een mopperbericht over de trage ontwikkelingsgang van de Amerikaanse mainstream poëzie.

De opmerking over het verandervermogen van vormen is interessant. Net als in Vlaanderen en Nederland is in de VS het vrije vers momenteel de dominante versvorm. Het ontstond in de 19e eeuw en heeft wortels tot in de Verlichting. Het vrije vers staat vrijheid van vorm voor. Zodra er bij de totstandkoming van de versvorm regels of procedures of andere verplichtingen in acht moeten worden genomen, is er geen sprake van een vrij vers.

De vragen die Silliman impliciet in zijn blogbericht stelt zijn: Kan het vrije vers nog evolueren? Transformeren wellicht? Hoe groot is zijn verandervermogen? Zelf beschouw ik het vrije vers als een beginsel, dat vaker niet dan wel bij de praktijk van het leven aansluit. Ons leven wordt niet alleen gekenmerkt door vrijheid maar ook door gedwongenheid, onvermijdelijkheid, gemaaktheid, toeval, discipline, ritme etc. Versvormen die al deze zaken inlijven verminderen hun afstand tot de wereld, zijn geloofwaardiger als het om het leven draait.

Ik kan me haast niet voorstellen dat het vrije vers over honderd jaar nog steeds regeert.

Landschap 131, Engelum, 2017 © Ton van ’t Hof
Natuurlogboek. Vanochtend een rondje rondom de vliegbasis gefietst: 25 km langs de dorpen Ritsumazijl, Marsum, Engelum, Bitgummole en Cornjum. Windkracht vier, heiig en warm. Vlakbij Engelum stegen we af om van prachtige bloeiende roze waterlelies te genieten. Cadeautje van de dag.

    Awakened
by the ticking

not the alarm.

Op poëticaal niveau beschrijft Joseph Massey hier het motortje van dit miniscule gedicht: het wordt niet door opschudding maar ritme tot leven gebracht. Uiteraard kun je je ook afvragen waarom iemand nog voor het afgaan van de wekker wakker wordt. Maar in beide gevallen hoor ik getik – tik-tik-tik, dat nadrukkelijk aan een vorm van existeren gekoppeld is.

Het is het veelzeggende openingsgedicht uit Massey’s debuutbundel Minima St. (Range Press), een chapbook dat hij in 2002 zelf uitbracht in een oplage van vijftig stuks. Later zou het ook nog als e-boek verschijnen. In de hoop te worden opgemerkt, stuurde Massey zowel Rae Armantrout als Ron Silliman een exemplaar toe en trof doel: Armantrout had zich in een schrijven aan Silliman positief uitgelaten over de bundel en Silliman wijdde er vervolgens een blogbericht aan. Een ideale start voor een jonge dichter.

Toch zou het nog tot 2009 duren eer zijn eerste full-lenght bundel, Areas of Fog (Shearsman), zou worden uitgegeven. Maar daarna ging het snel; zijn vierde en laatste bundel tot nu toe, Illocality (Wave Books, 2015), werd al door The New York Times besproken.

    television light
lies on the
        American lawn

Dit is minimale poëzie, dat volgens The Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics een bewuste reductie van woorden is die, onder spanning geplaatst, moet leiden tot ‘poëtische authenticiteit’ – ofwel, zoals William Carlos Williams al zei: ‘no ideas but in things’. Massey plaatst zich hiermee in een lange traditie, waarin o.a. werk van de volgende Amerikaanse dichters staat: WCW, Louis Zukofsky, George Oppen, David Ignatow, Gary Snyder, James Laughlin, Clark Coolidge, Aram Saroyan en Robert Lax. Maar ook in Europa kennen we minimalisten: Francis Ponge, Ernst Jandl, Tom Raworth, Bob Cobbing, Ian Hamilton Finlay en onze eigen Jürgen Smit, om er een stuk of wat te noemen.

Voor deze dichters is poëzie vooral ‘een netwerk van fenomenologische percepties en expressieve taal’ dat een individueel bewustzijn laat doorschemeren.

Opvallend vind ik dat Massey zijn chapbook aan Armantrout en Silliman toestuurde, twee dichters die in hun werk eerder op zoek zijn naar esthetische structuren dan naar bewustzijnspatronen. Alsof je in het andere kamp buurten gaat. Maar dat liep dus goed af; Armantrout en Silliman herkenden het grote talent.

SUNDAY

Old news – after a storm –
torn apart between two lawns.

Landschap 130, Britsum, 2017 © Ton van ’t Hof
Natuurlogboek. Om 07:45 al op pad, voor de hitte uit, langs de Dokkumer Ee en via de Aldlansdyk naar Britsum en langs de Kornjumer Feart weer terug. Veel bloeiende reuzenberenklauw langs het water, waar de grond voedselrijk is, sommige stengels al twee en een halve meter hoog; niet aankomen, alleen de heerlijke geur opsnuiven. Op een enkele scholekster na nauwelijks weidevogels gezien, wel kieviten gehoord. Duiven, eenden, kraaien, meeuwen, merels, reigers, zwaluwen & zwanen in overvloed.

Op 1 augustus a.s. stop ik met mijn huidige job, waardoor ik me nog intensiever met Uitgeverij Stanza en mijn blog kan gaan bezighouden. De afgelopen jaren bracht Stanza tussen de vier en acht poëziebundels per jaar op de markt. Ik wil dat aantal graag op acht tot tien uitgaven brengen. Wat een geweldig vooruitzicht! Ik heb er zin in. Voor de tweede helft van 2017 en de eerste helft van 2018 staan er prachtige bundels op stapel van Joris Miedema, Sebastien Crusener, Michael Heller, Willem Roggeman, Mark van der Schaaf, Frank de Crits, Laura Demelza Bosma en mijzelf.


Op 22 november 1963 werd president John F. Kennedy in Dallas, Texas, door Lee Harvey Oswald doodgeschoten. Oswald haalde driemaal de trekker over – ‘bang, snap, crack’. Deze moord greep mensen over de hele wereld aan, sommigen werden gek van verdriet. De Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965) schreef er een kort titelloos gedicht over, dat eerst in Language (White Rabbit Press, 1965) en later in My Vocabulary Did This to Me: The Collected Poetry of Jack Spicer (Wesleyan University Press, 2008) werd opgenomen. Het luidt als volgt (plus mijn werkvertaling):

Smoke signals
Like in the Eskimo villages on the coast where the earthquake hit
Bang, snap, crack. They will never know what hit them
On the coast of Alaska. They expect everybody to be insane.
This is a poem about the death of John F. Kennedy.

Rooksignalen
Zoals in de Eskimodorpen aan de kust waar de aardbeving plaatsvond
Knal, knak, krak. Ze zullen nooit weten wat hen trof
Op de kust van Alaska. Ze verwachten dat iedereen krankzinnig zal zijn.
Dit is een gedicht over de dood van John F. Kennedy.

Ik heb dit gedicht inderdaad altijd gelezen als een gedicht over de dood van Kennedy, die ongetwijfeld ook Eskimo’s in Alaska niet onberoerd heeft gelaten. Totdat Ron Silliman me op The Great Alaskan Earthquake wees, die op 27 maart 1964, enkele maanden na de moord op Kennedy, verwoestend toesloeg in het zuiden van Alaska. Het was met een kracht van 9,2 op de schaal van Richter de op één na zwaarste aardbeving ooit gemeten. Aan de kust werden enkele Eskimodorpen weggevaagd door de tsunami’s die erachteraan kwamen.

Ik wist dit niet. De ‘aardbeving’ in Spicers gedicht kan niet alleen figuurlijk maar dus ook letterlijk gelezen worden. Spicer schreef het vers nadat het noodlot zo plotseling in Alaska had toegeslagen. Niemand die de aardbeving had zien aankomen. De rook had geen dreigingssignaal afgegeven. De paniek na de ‘knal, knak, krak’ moet groot zijn geweest, evenals het verdriet dat daar weer op volgde. Deze abrupte lotswending heeft Spicer vast doen denken aan de onverwachtse dood van John F. Kennedy, enkele maanden daarvoor. En dat pende hij neer. Waarna hij het gedicht bruusk liet eindigen.

Le rêve (De droom), Henri Rousseau
Al na enkele regels trap ik op de rem: ‘het denken dat als een blauwe / ballon in een carrousel voorbijkomt’ – prettig ritme, elegante klanken, puike alliteratie en ongewone beeldspraak. Verrassend, vreemd. Met een waas bedekt, dat wel. Denken dat voorbijkomt. Met tussenpozen. Als een blauwe ballon in een carrousel. Een blauwe ballon?

In het volgende gedicht, dat lijkt te gaan over schrijven als levensbehoefte, wil iemand ‘de pegel en de pekel / in de ijstijd zijn’, wat goed klinkt, maar zich maar moeizaam laat concretiseren. Dan weer stuit ik op beelden die glashelder maar surreëel zijn: ‘Aan een wilg gehangen wacht ik en spuw aarde.’

Ik ben in de wonderlijke wereld van Vicky Francken beland. Met haar debuutbundel Röntgenfotomodel won ze enkele weken terug de Buddingh’-prijs. ‘Een rode draad is het groeien en opgroeien van een jonge vrouw,’ rapporteert de jury, ‘inclusief alle aarzelingen en twijfels die daarmee gepaard gaan.’ In míjn notities staat: ‘Geen gebrek aan jeugdige argeloosheid.’

Halverwege kom ik een titelloos gedicht tegen, waarin je de afzettingen van Franckens associatieve werkwijze goed kunt waarnemen:

Op sommige dagen douche ik
op mijn hoede

als ik een deur open ben ik bedacht
op iemand die geen afstand neemt

die verstand heeft van giftige spinnen
en iets met zich meedraagt

Andere dagen steek ik mijn hand op

schiet ik de kleiduif
uit je hoofdhuid

masseer er een veer in

Dit gedicht is regel voor regel op klanken gebouwd, beeld en betekenis zijn nuttig maar van secundair belang. Hoewel geen klankgedicht in stricte zin, moest ik hier wel aan dat begrip denken. Veel verzen in Röntgenfotomodel zijn lekker leesbaar, maar blijven bij een ondergeschikte rol van de betekenis soms vlak, missen dan diepgang.

Naarmate ik in Franckens bundel vorder, haal ik me steeds vaker schilderijen van Henri Rousseau voor de geest; in hun argeloosheid en onbevangenheid en ook perspectiefvertekening en bonte details lijken hun werken op elkaar, zijn hun gedichten en doeken naïef in de goede zin van het woord: ongekunsteld.

sta je zondagmorgen voor je ribbenkast
en geen geluid

wilde dieren zijn de stilste dieren

en er ligt een kelder in de kamer

en er staat een ladder
te blinken in het licht


Het komt nogal eens voor dat lezers mijn conceptuele werk, al dan niet met enige aarzeling, als ‘interessant’ kwalificeren. Ik voel me daar, ook als er wordt geaarzeld, nooit ongemakkelijk onder, integendeel; ik vind het prettig als mijn werk serieus genomen wordt.

In ‘Charmless and Interesting: The Conceptual Moment in Poetry’, opgenomen in zijn essaybundel Inventions of a Barbarous Age: Poetry from Conceptualism to Rhyme (MadHat Press, 2016), verheft Robert Archambeau het begrip ‘interessant’ tot een esthetische categorie en brengt het in verband met conceptuele poëzie. Als onderdeel van een grotere kwestie – Wat mist conceptuele poëzie in vergelijking met andere soorten poëzie en wat heeft het te bieden? – belicht Archambeau in dit essay de relatie tussen pure conceptuele poëzie en de esthetische categorieën het aangename en het interessante:

Wat het conceptualisme ook mee heeft, het mist – althans, in zijn pure vorm – het [aangename]. En of je nu veel of weinig met het conceptualisme op hebt, iedereen die zich ermee heeft beziggehouden heeft ondervonden dat het, leuk of niet, zat van het [interessante] heeft.

Pure conceptuele poëzie, dat nog een jonge soort poëzie is, wijst lezen in ‘traditionele tekstuele zin’ van de hand: het concept of idee is het meest belangrijke aspect van een conceptueel gedicht, hoe het ‘eruitziet’ is van ondergeschikt belang; er is geen noodzaak tot een directe ondervinding van de woorden. Een radicaal standpunt voor iets wat zich poëzie noemt. In een interview verwoordde de conceptuele dichter Kenneth Goldsmith, die een zaterdageditie van The New York Times overschreef en in een boek van achthonderd pagina’s – Day – bundelde, het als volgt:

So, in a weird way, if you get the concept – which should be put out in front of the book – then you get the book, and you don’t even have to read it. They’re better to talk about than they are to read.

Als een puur conceptueel gedicht ook nog aangenaam is om te lezen, dan is dat toeval. Aangenaamheid is geen essentieel aspect van een conceptueel gedicht. Het richt zich eerder op een denkerspubliek dan een lezerspubliek.

Het interessante ís de esthetische categorie die het minst gebonden is aan de specifieke kwaliteiten van een tekst of kunstwerk en het meest afhankelijk is van de context waarin tekst of kunstwerk zich ophoudt. We vinden een tekst of kunstwerk vaak interessant als we onvoldoende grip hebben op wat we lezen of zien en tegelijkertijd iets van instemming of afkeuring voelen. Van het interessante worden we ‘wat ongemakkelijk’, zegt Sianne Ngai in haar essay ‘Merely Interesting’ (2008), omdat het verbonden is met de waarneming van iets nieuws, vreemds. Bovendien hebben we de neiging om naar een interessant werk terug te keren om te verifiëren of het nog steeds interessant is. ‘Het interessante zou,’ volgens Ngai, ‘kunnen worden beschreven als een esthetiek zonder inhoud en, als zodanig, eentje die goed past bij de historische verschijning van het moderne subject als een reflectief, radicaal afstandelijk of ironisch ego.’

Met haar bagatellisering van de leeservaring laat conceptuele poëzie zich gemakkelijk koppelen aan het afstandelijke, los van de inhoud opererende interessante. Volgens Ralph Barton Perry (in zijn General Theory of Value, 1926) is nog een andere karakteristiek van het interessant-zijn dat het controverse oproept, uitdaagt tot stellingname: ben je voor of tegen? Niet zozeer vanwege zijn inhoud of een polemische opstelling, maar vanwege de botsing met de verwachtingen van het moment, de opschudding die het nieuwe of vreemde teweegbrengt.

De opvallende afwezigheid van conceptuele gedichten in recent verschenen bloemlezingen van Vlaamse en Nederlandse poëzie (Gert de Jager wees er al eerder op), samengesteld door dichters en literatuurwetenschappers, beschouw ik dan ook als een stellingname tégen het conceptuele en daarmee een ondersteping van zijn succes. Robert Archambeau eindigt zijn essay als volgt:

You may not be reading much conceptualism, and you may well be very much against it, but you’re thinking about it right now, as am I. And whatever else we may think about it, however else we may judge it, we most defenitely find it … interesting.

Van links naar rechts: Robert Duncan, Charles Reznikoff, George Oppen en Carl Rakosi

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Ondanks de Pulitzer Prize voor zijn Of Being Numerous in 1969 werd hij toen hij stierf door het establishment niet als een belangrijk dichter gezien. Dat ligt vandaag de dag toch wel wat anders. Er verschijnt steeds meer secundaire literatuur over Oppens oeuvre, dat hij grotendeels tussen zijn vijftigste en zeventigste levensjaar neerpende, en in 2001 bracht New Directions zijn collected uit.

Oppens poëzie is een poëzie van de bedachtzaamheid, waarin hij het geleefde leven overdenkt en ontdoet van alle onbenulligheden en banaliteiten, om zich vervolgens uit te spreken over wat er dán overblijft.

Na zijn dood vond men 26 papiertjes op zijn bureau of aan de muur geprikt, waarop invallen waren gekrabbeld. Ze zijn allemaal opgenomen in de selected die in 2002 onder redactie van Robert Creeley bij New directions verscheen.

Eén van Oppens invallen verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die vaak begint met geheugenproblemen, waarna men steeds meer moeite krijgt met alledaagse dingen zoals plannen maken, beslissingen nemen of het volgen van een gesprek. Nu ook mijn moeder tekenen van dementie vertoont, grijpt Oppens ‘gedicht’ me nog meer aan dan het al deed:

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover men      spreekt
en de getallen                    (bv.
hoe je je ze voorstelt
———————–
ook de getallen

‘Esthetische consistentie = stemgeluid’ lees ik op Silliman’s Blog, wat gemunt zou zijn door musicoloog Peter Yates. ‘Toon’ is misschien beter, voegt Silliman er even later aan toe, ‘maar het verschil tussen deze twee termen is verwaarloosbaar.’

Each poet in his or her practice has characteristic moves as inescapable as the moon’s gravity on the tides.

Stijl is weer iets anders dan stemgeluid of toon. Stijl als een manier van schrijven of spreken kan worden aangeleerd, of afgeleerd, terwijl je je stemgeluid van onze lieve Heer hebt gekregen. Je bént je eigen stemgeluid, je kunt er niet aan ontsnappen.

Het herkennen van iemands poëtische stemgeluid is gemakkelijker dan het omschrijven ervan. Wie herkent de Kouwenaar in Kouwenaars gedichten niet? Maar definieer dat stemgeluid maar eens.

Ik heb deze kwestie weleens vergeleken met het herkennen en omschrijven van een kleur, blauw bijvoorbeeld.

Omdat ik er niet een-twee-drie literatuur over kan vinden, houd ik het er voorlopig maar op dat het stemgeluid van een dichter persoonlijke combinaties zijn van ritme, klank, woorden, techniek en betekenissen, die een constante factor vormen binnen zijn of haar oeuvre. Silliman heeft het in dit verband over ‘the writer’s almost alchemical processing of phenomenological perception.’

Interessant is Sillimans constatering dat ook dichters die werken met onpersoonlijk, niet-eigen materiaal – poëten die collages maken bijvoorbeeld – óók over een eigen stemgeluid beschikken. Blijkbaar kunnen we dichters ook herkennen in hun keuzes en verwerkingen van andermans teksten.

Coolidge, Inman, Melnick, Mac Low – all of the most rigorous “anti-voice” poets in fact have totally identifiable voices in Yates’ sense of a recognizable aesthetic consistency.

‘Awkward grammar appals a craftsman.’ (‘Lomp taalgebruik ontzet een vakman.’) Zo opent de Canadees Christian Bök zijn monumentale gedicht ‘Eunoia’, dat in 2001 in de gelijknamige bundel bij Coach House Books verscheen. Zestien jaar later is Eunoia nog altijd verkrijgbaar. Volgens Ron Silliman werden er alleen al in het eerste jaar achtduizend stuks van verkocht. Ik bezit een 19e druk uit 2006.

Een uiterst succesvolle dichtbundel dus, die in 2002 de prestigieuze Griffin Poetry Prize won. Bök wordt vooral geprezen om zijn vakmanschap en strikte toepassing van het achterliggende concept. Het seriële ‘Eunoia’ bestaat uit zeventig gedichten, verdeeld over vijf afdelingen. In elke afdeling wordt maar één klinker gebruikt. De gedichten in een afdeling zijn even lang en beslaan elf, twaalf of dertien regels. Voorts heeft Bök getracht om alle Engelse univocalics (woorden waarin maar één klinker voorkomt) te gebruiken en is daar volgens de bloemlezing van conceptuele schriftuur Against Expression voor 98% in geslaagd. Het openingsgedicht van de afdeling I luidt als volgt:

Writing is inhibiting. Sighing, I sit, scribbling in ink
this pidgin script. I sing with nihilistic witticism,
disciplining signs with trifling gimmicks – impish
hijinks which highlight stick sigils. Isn’t it glib?
Isn’t it chic? I fit childish insights within rigid limits,
writing shtick which might instill priggish misgiv-
ings in critics blind with hindsight. I dismiss nit-
picking criticism which flirts with philistinism. I
bitch; I kibitz – griping whilst criticizing dimwits,
sniping whilst indicting nitwits, dismissing simplis-
tic thinking, in which philippic wit is still illicit.

Overigens legde Bök niet als eerste een gedicht de beperking van één klinker op, dichters als C.C. Bombaugh (al in 1890!), Georges Perec (Oulipo) en Ernst Jandl gingen hem voor. Daarnaast zijn één-klinker-gedichten onvertaalbaar. Als ze letterlijk worden vertaald gaat het concept eraan, en als je het concept in stand houdt gaat de inhoud naar de haaien.

Eigenlijk beweegt ‘Eunioa’ – wat ‘fraai denken’ betekent en het kortste Engels woord is waarin alle klinkers voorkomen – zich op het snijvlak van beeldende kunst en dichtkunst. Telkens verbaas ik me weer over de fysieke schoonheid die het uitstraalt, de indrukken van eenheid en harmonie die de zeventig gedichten op me maken. En ik geloof dat ik die sensaties ook zou ervaren als ik het Engels niet of nauwelijks beheersen zou. ‘Eunoia’ heeft iets weg van een perfect gepolijst beeldhouwwerk of een serie monochromen van Yves Klein.

Alle afdelingen zijn aan experimentele kunstenaars opgedragen, in wier namen maar één klinker voorkomt:

  • Hans Arp, dadaïstisch beeldhouwer, schilder en dichter.
  • René Crevel, surrealistisch schrijver.
  • Dick Higgins, veelzijdig kunstenaar en medeoprichter van Fluxus.
  • Yoko Ono, beeldend kunstenaar, performancekunstenaar en muzikant.
  • Zhu Yu, controversiële Chinese performancekunstenaar.

Inhoudelijk is het werk doortrokken van vaak vermakelijk (meta)commentaar op de artistieke praktijk. Neem alleen al de vijf openingszinnen:

  • ‘Awkward grammar appals a craftsman.’ (‘Lomp taalgebruik ontzet een vakman.’)
  • ‘Enfettered, these sentences repress free speech.’ (‘Geketend smoren deze zinnen het vrije woord.’)
  • ‘Writing is inhibiting.’ (‘Schrijven is ontzeggen.’)
  • ‘Loops on bold fonts now form lots of words for books.’ (‘De ogen van vette lettersoorten vormen nu veel woorden voor boeken.’)
  • Kultur spurns Ubu – Ubu pulls stunts.’ (‘Kultur veracht Ubu – Ubu haalt stunten uit.’)

Ubu is een simpel, lomp en egoïstisch personage in enkele toneelstukken van de Franse poète maudit en toneelschrijver Alfred Jarry (1873-1907), in wie de burgerlijke theaterbezoeker zichzelf kan herkennen en die de verheven status van het theater in die dagen belachelijk maakt. Deze Ubu speelt nu de hoofdrol in Böks gedichten die de afsluitende, vulgaire afdeling U vormen:

[…] Ubu
sucks Ruth’s cunt; Ubu cuffs Ruth’s butt. Ubu stuffs
Ruth’s bum (such fun). Ubu pumps Lulu’s plush, sun-
burnt tush. Ubu humps Lulu’s plump, upthrust rump.
Ubu ruts. Ubu huffs; Ubu puffs. Ubu blurts: push,
push
. Ubu thrusts. Ubu bucks. Cum spurts. Ubu cums.’

De u als obscene letter. ‘Eunoia’ is ook satire.

Omslag Dichter & andere dingen, verschijnt eind juni
In Een lijn is een vore (2011) moet ik het procedé voor het eerst hebben toegepast: een gedicht laten bestaan uit één lange zin, verdeeld over meerdere regels en strofes. Het gebruik van lange zinnen is niks nieuws, John Ashbery is er kampioen in en Gerrit Kouwenaar kon er ook wat van. Zelfs de beperking van een gedicht tot één lange zin is legio gebezigd.

Interessant aan dit procedé is de relatie die het aan regel en zin oplegt. Omdat het allemaal binnen één zin moet gebeuren, ligt elke regelafbreking, elke witregel, elke ademhaling erg gevoelig. Als ik doelbewust aan een één-zin-gedicht begin, neem ik ook, merk ik, een andere houding aan: serieuzer, bedachtzamer. Wat vaak in de uitkomst valt terug te zien.

In mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen: Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk, die binnenkort verschijnt, staan twee nieuwe één-zin-gedichten, beide onderdeel van dezelfde serie. Dit is er eentje van:

Radicaal zijn,
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige over-
loop die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter,
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter,
dichter, zo wild als onze planeet is.

Op de achterflap van Charlotte Van den Broecks Nachtroer (Arbeiderspers, 2017) worden de gedichten in deze bundel door de uitgever ‘behuizingen’ genoemd. Omdat niet wordt uitgelegd voor wat of wie deze behuizingen als verblijf dienen, en ook niet of er wellicht iets of iemand van de omliggende wereld moet worden afgeschermd, blijft de benoeming zich, voor wie alleen kennis van de achterflaptekst neemt, gedeeltelijk ophouden in het verborgene.

Als je het wit rondom het zwart deel laat uitmaken van het gedicht, dan zou je de woorden tot bewoners kunnen bestempelen. Als je vindt dat de behuizing uit het zwart – de woorden – is opgetrokken, dan lijkt het gedicht door ritmes, klanken en betekenissen te worden bevolkt. Wie Nachtroer echter leest komt op uiteenlopende plekken terecht, die soms wel, soms niet als behuizingen kunnen worden aangemerkt: een bed, woonkamer, hotel, stad, veld, berg, ijskap etc. De slimme uitgever kon met het woord ‘behuizing’ gewoonweg – voor ieder wat wils – alle kanten op.

Toch is er mogelijk nog iets anders aan de hand. Van den Broeck schrijft onmiskenbaar lyrische poëzie, gedichten waarin het draait om het werkelijke leven, passies, het doen en laten van echte mensen. Maar ik loop in Nachtroer voortdurend tegen subtiele abstraheringen aan die de werkelijkheid minder herkenbaar maken, in meer of mindere mate van haar echtheid ontdoen. Ze laten je in verwaring achter. Een voorbeeld uit het gedicht ‘Blauw’:

[…] ook vandaag te lang
aan cirkels gedacht, wantrouwen gehad

voor wat zich in die makke vorm beweegt
zoals roofvogels en tornado’s en klokken en nageslacht

bijna alsof
het jaar dat zo lang over het om zijn deed niet eens verstreek
moet dan toch stilstand met moeizaamheid hebben verward

In cirkels denken alla, maar te lang áán cirkels denken en alles wantrouwen wat zich in die makke vorm beweegt, klinkt niet erg aannemelijk, en de raadselachtige vergelijking zet de werkelijkheid zelfs nog wat verder weg. Deze passage volgt direct op een beschrijving van een ongeval op de E17 en door de geraffineerde verschuiving in abstractie duurt het even voor je doorhebt dat Van den Broeck hier een gevoelstoestand beschrijft.

‘Lyriek in de dichtkunst is,’ volgens Herbert Read in Kunst zien en begrijpen (Prisma, 1961), ‘een bepaalde rechtstreekse manier om uitdrukking te geven aan een gevoelstoestand: dat wil zeggen dat we niet trachten deze gevoelstoestand te beredeneren en tot uitdrukking te brengen. We hebben alleen maar oog voor het gevoelsequivalent van de woorden, hun letterlijke betekenis mag zelfs absurd zijn.’

Waar Read nog een onvervalst expressionisme in gedachten moet hebben gehad, gaat Van den Broeck toch bewuster aan de slag. Wat ze hoort, ziet of voelt geeft ze dikwijls op enige afstand vorm, waardoor passages een half-abstracte indruk kunnen maken en van lezers vragen hun verbeelding te benutten. In dat geval is er geen sprake van rechtstreekse maar van onrechtstreekse of indirecte uitdrukking van het werkelijke leven. Waardoor niet alleen de ik-figuur maar ook de lezer in zekere zin door het gedicht wordt ingesloten; je gaat je als vanzelf nadrukkelijker met vorm en structuur bezighouden, met de taal zelf. En daar is het Van den Broeck ongetwijfeld óok om te doen. De postmoderne erfenis van een nieuwe generatie.

Het was deze insluiting die me weer aan de ‘behuizing’ op de achterflap deed denken: het half-abstracte lyrische gedicht dat zowel ik-figuur als lezer in zekere mate afschermt van de omliggende wereld.

Aquarium

Kijk
in het raam van de hotelkamer waarachter de stad hijgt, trilt ons gezicht
het is lillend blauw en bedrukt met vorige monden

niet ver genoeg gereisd
om wat voorbij is te redeneren tot een verschijnsel
het ligt tussen ons in, schreit om vorm en adem

en ik mag niet slapen
ik moet je bevrijden, nacht aan nacht
zwem ik dezelfde punten aan elkaar
niet eens tot sterrenbeeld

Toen Ron Silliman in augustus 2002 een kort blogbericht aan The H.D. Book van Robert Duncan (1919-1988) wijdde, bezat hij er een digitale illegale kopie van. Hoewel al in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw geschreven, was The H.D. Book op dat moment nog altijd niet in een legale druk verschenen. De illegale kopieën die her en der circuleerden, bestonden uit hoofdstukken die tussen 1966-1983 in verschillende tijdschriften waren gepubliceerd. Hier kwam pas in 2011 verandering in, toen de University of California Press het bijna zevenhonderd pagina’s dikke boek, volledig geredigeerd, als eerste deel van The Collected Writings of Robert Duncan liet verschijnen, zowel in papieren als digitale vorm. Vanwege de zoekmogelijkheid koos ik voor het e-boek.

The H.D. Book is volgens de aanprijzing ‘tegelijk een encyclopedie van het modernisme, een herinterpretatie van zijn sleutelfiguren en -teksten, en een verslag van Duncans zoektocht naar een nieuwe poëtica.’ Ik gebruik het vooral als naslagwerk. De titel verwijst overigens naar de Amerikaanse dichter en schrijver Hilda ‘H.D.’ Doolittle (1886-1961), voor wie Duncan werd gevraagd om een eerbetoon voor haar 74e verjaardag te schrijven. Uit dit eerbetoon, dat we in het eerste hoofdstuk terugvinden, ontstond The H.D. Book.

Maar het gaat me eigenlijk om het volgende. In zijn derde post ooit noemt Silliman Duncans boek ‘a work of criticism with no argument, no theme, no development, no expository equivalent to a plot’, en bespreekt het alléén qua vorm, niet inhoudelijk. Hij is op dat moment nog zoekende naar wat hij met zijn blog aan moet. Wellicht is Silliman daarom op vorm en niet op inhoud gefocust. En de illegale kopie van The H.D. Book die hij in diezelfde tijd op zijn Palm tool leest, geeft hem op dat vlak richting. Silliman besluit zijn post met zijn leeservaring van Duncans boek, die je ook als motto van zijn eigen blog zou kúnnen lezen en als volgt luidt: ‘een tekst die zich stijlvol beweegt tussen kritiek en autobiografie en zich manifesteert als proza zonder plot, een werk dat nooit tot iets wil leiden, maar de lezer wel steeds in de nabijheid van het lezen zelf brengt.’

Feit is dat Silliman’s Blog zich heeft ontwikkeld tot een taalkritisch poëzieblog, waarin gedachten mogen uitwaaieren en het autobiografische element niet wordt geschuwd.

Zo lang als ik me kan herinneren ben ik een hapsnap lezer geweest. Nooit één boek van A tot Z, maar steeds kleine stukjes uit een boek of vijf, tien of vijftien. Omdat ik die boeken ook nog laat slingeren, maak ik een rondgang door ons huis; op dit moment lees ik:

  • Monet at Argenteuil, Paul Hayes Tucker, 1982, Yale University Press
  • The Poetics of Space, Gaston Bachelard, ed. 1994, Beacon Press
  • Kunst zien en begrijpen, Herbert Read, Prisma, 1961
  • Zo vliegen de walvissen, Laura Demelza Bosma, Holland, 2007
  • Nachtroer, Charlotte Van den Broeck, Arbeiderspers, 2017
  • Inventions of a Barbarous Age: Poetry from Conceptualism to Rhyme, Robert Archambeau, MadHat Press, 2016
  • Alle vogels, Koos van Zomeren, Arbeiderspers, 2017
  • As Ever: Selected Poems, Joanne Kyger, Penguin Books, 2002 (e-boek)
  • I Am Flying Into Myself: Selected Poems 1960-2014, Bill Knott, Farrar, Straus and Giroux, 2017 (e-boek)
  • The Work of Art in the Age of Deindustrialization, Jasper Bernes, 2017, Stanford University Press (e-boek)

Kunst, filosofie, geschiedenis, natuur, literatuurwetenschap en poëzie. Een partieel overzicht van mijn interessegebieden. Ik ga graag een gesprek met meerdere, uiteenlopende boeken aan. Dat stimuleert me. Er zijn poëziebundels uit voortgekomen. En veel blogberichten.

Ron Sillimans eerste blogbericht
In zijn essay ‘Een taal van Nederland’, dat als inleiding in mijn nieuwe bundel Dichter & andere dingen is opgenomen, geeft Frank Keizer terecht aan dat ik als dichter ben beïnvloed door ‘de speelse experimentalist’ Charles Bernstein en ‘de plechtstatige serialist’ George Oppen. Hun bundels zijn altijd binnen handbereik, lees ik keer op keer. Sommige dichters gaan deel van je leven uitmaken, andere muzenkinderen vergeet je na de laatste pagina direct weer. Het moet klikken. Als met een goede vriend of vriendin.

Als blogger heb ik veel van Ron Silliman geleerd. Hij begon zijn vermaarde Silliman’s Blog in 2002 en publiceerde jarenlang vrijwel dagelijks berichten over hedendaagse Amerikaanse poëzie. Met zijn eigenzinnige kijk wist hij in de hoogtijdagen van zijn blog een wereldwijd publiek aan zich te binden en meer dan eens de gemoederen flink in beweging te brengen. De heftigheid van sommige reacties op berichten deed hem op een gegeven moment zelfs besluiten om de reactiemogelijkheid uit te zetten.

In zijn eerste post geeft Silliman aan dat hij zijn blog als dagboek wil gebruiken, waarin hij zijn kritische gedachten de vrije loop zal laten. Het is hem niet zozeer om een gehoor te doen, al vraagt hij zich wel af of er mensen op hem af zullen komen. Al gauw zal hij de voor- en nadelen van het openbare internetdebat leren kennen.

Ook op De Contrabas was het al dan niet modereren van reacties regelmatig onderwerp van gesprek. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat de mogelijke leereffecten opwegen tegen eventueel abject online gedrag. Maar als iemand écht over de schreef ging, dan werd de reactie verwijderd.

Niet alleen van Sillimans kennis van poëzie en zijn ervaringen binnen de poëtische gemeenschap stak ik veel op, maar ook van zijn onderzoekende wijze van schrijven, die zowel op vorm als inhoud gericht is. Tegenwoordig publiceert hij nog maar sporadisch een blogbericht, maar ik sla er nooit eentje over.

Ik heb me voorgenomen om zijn blog de komende jaren van voor tot achter te herlezen en hier regelmatig verslag van mijn ervaringen te doen.

Dichter & andere dingen verschijnt over enkele weken bij Uitgeverij Stanza. Van Bernstein verscheen in het Nederlands reeds Denken dat ik denk dat ik denk. In 2018 of 19 wil ik een vertaling van Oppens fameuze Of Being Numerous uitbrengen.