Door de uitgestrekte manshoge rietvelden op de zuidelijke oevers van het Lauwersmeer had een maaier zich een weg gebaand. Met de zon kwamen er ook ontelbare insecten te voorschijn. Ik werd voortdurend belaagd door muggen en dazen die me op een kilometer afstand al roken. Bij de zoveelste duikvlucht van zo’n teringbeestje sloeg ik per ongeluk de eigen bril van het hoofd, die met een grote boog ergens in het riet belandde. We hebben een uur gezocht, tevergeefs.
Draag nu de vorige bril weer.
Hopeloos was ook het schilderwerkje van vandaag, een impressie van het wad die veel weg heeft van een vuile onderbroek. Ik wilde iets in de trant van Matisse doen, maar het werd poep. Enfin, zonder hopeloosheid geen hoop. Morgen beter.
Tijd voor stilo Antonio.
Gewoon schilderen wat je ziet, zei David Hockney ooit.


