Al decennialang hoor ik overal om me heen dat je de dag moet plukken, dient te genieten van het moment, want geluk ligt niet in de toekomst of het verleden maar in het hier en nu.

Soms lukt me dat, soms niet. Daar tussenin zit een neutraler humeur.

Over periodes van neerslachtigheid heb ik me overigens meer dan eens schuldig gevoeld.

Daarnaast zet ik zo mijn vraagtekens bij breidelloos genieten, dat zomaar kan omslaan in diepe treurigheid, zoals een tv-programma als ‘Ibiza: Het Party Eiland’ in elke aflevering weer laat zien.

Geniet, maar geniet met mate, is een jasje dat me beter past. Ook met het oog op duurzaamheid.

In dit verband wil ik een passage uit Wilhelm Schmids Groene levenskunst citeren. Het gaat over de recycling van de tijd, die het begrip ‘tijd’ zijn cyclische karakter teruggeeft dat het tijdsbesef van de moderniteit eraan ontnomen heeft:

Een duurzame levensstijl houdt in dat we individueel doen en laten in een breed temporeel perspectief zien en vanuit dit oogpunt de vraag stellen of we ‘ja’ kunnen zeggen tegen het leven. Dit gaat de vernauwing van de temporele horizon tot het punt ‘nu’ tegen. Individuen zijn er door de beloftes van de moderne economie aan gewend geraakt om al hun behoeftes reeds op het moment ‘nu’ waarop ze ontstaan te kunnen bevredigen, zodat het zinloos lijkt om nog een horizon van toekomst in stand te houden. Het zoeken naar een levensstijl die zelfs bij de kleine en de kleinste dingen, die men gewoonlijk onbelangrijk vindt, het duurzame behoud van ecologische samenhangen, en zo de grondslagen van het leven, in het vizier houdt, probeert ook die vergeten horizon van toekomst weer in beeld te brengen.

In 1920 bracht de Amerikaanse houtmagnaat, kunstverzamelaar en filantroop Martin A. Ryerson een bod uit op dertig waterleliestudies van Claude Monet. Naar de redenen die ten grondslag lagen aan Monets afwijzing van het royale bod van circa $ 200.000 wordt gegist. In zijn boek ‘Waanzin en betovering’ (Bezige Bij, 2017) oppert Ross King dat Monets ‘antiamerikanisme’ een rol heeft gespeeld: ‘Wellicht wilde hij voorkomen dat er nog meer schilderijen van hem de Atlantische Oceaan overstaken om een plaats te vinden aan de wand van huizen en musea in de Verenigde Staten.’ Omgerekend naar nu (met behulp van de consumentenprijsindex) sloeg Monet een som van bijna 2,5 miljoen dollar af.

Waterlelies, Claude Monet, 1916

Maar als je de ecologische geboden naleeft, wat doe je dan precies?

Een ecologisch calculerend ik, zegt Schmid onder andere, is iemand die ‘de overgang van zuiver consumeergedrag naar een bewust gekozen levensstijl, van verbruik naar gebruik, voltrekt.’

Minder vlees dus, concludeer ik hieruit, en wat je nog aan vlees eet moet ecologisch verantwoord vlees zijn. Alles wat je eet zou, als het even kan, ecologisch verantwoord moeten zijn. En een hapje minder eten kan voor velen vanuit gezondheidsoptiek ook geen kwaad. Op naar de biologische streekwinkel dus, zolang de portemonnee het toelaat.

Bewust meer geld uitgeven aan minder eten.

En iedereen weet dit al lang.

(En dan heb ik het nog niet gehad over alle andere aardse goederen waarmee we gezegend zijn.)

Uit Groene levenskunst: Wat ieder van ons voor het leven op de planeet kan doen, Wilhelm Schmid (Ambo, 2010):

Drie ecologische geboden (ik parafraseer):

  • Wat je ook doet, zorg dat je de fundamenten van je eigen bestaan niet verwoest.
  • Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Ook op ecologisch vlak.
  • Welke samenhang je ook aantreft, verbreek hem niet.

En dat ik … | Frans Kuipers

Uit: Wolkenherdersliederen, Atlas, 2009
Ondanks dertien dichtbundels en de opname van negen gedichten in de laatste Dikke Komrij (Bert Bakker, 2004) is Frans Kuipers (1942) een dichter voor selecte gezelschappen gebleven. Zijn werk stelt zich open voor het bestaan, accentueert niet de taal maar de werkelijkheid. In de eerste strofe van dit korte gedicht, uit Wolkenherdersliederen (Atlas, 2009), bezingt Kuipers het heerlijke leven, om in de tweede strofe ook de vluchtigheid ervan te benadrukken. Door uiteenlopende aspecten met elkaar te verbinden, brengt hij hier samenhang aan die zin aan het leven lijkt te geven. Wolk en wereld krijgen iets zachts. Ik houd een prettig gevoel over aan dit gedicht.

Tomatoes … | Michael Earl Craig

Uit: Talkativeness, Wave Books, 2014
Ik voel me ongemakkelijk onder dit gedicht – ‘Tomaten tonen geen respect voor ons’ – van Michael Earl Craig (1970), dat is opgenomen in zijn bundel Talkativeness (Wave Books, 2014). Het lijkt wel een scene uit een thriller waarin we kennismaken met een engerd die buitensporig reageert op een vlekje op zijn of haar boek. De titel van dat boek – ‘Onderwerping van het nutteloze’ – vergroot de spanning nog eens. De Duitse regisseur Werner Herzog schreef het overigens. Daarin vertelt hij hoe zijn film Fitzcarraldo tot stand kwam. Om de bouw van een operagebouw in de jungle te kunnen bekostigen wordt in die film, waarin Klaus Kinski en Claudia Cardinale hoofdrollen vervullen, onder andere een enorme boot over een berg gesleept. Zou de mafkees in Craigs gedicht ook zulke dwaze plannen hebben en daardoor zo geprikkeld zijn? Je weet het niet.

Esthetiek van de terloopsheid

La fenêtre, Pierre Bonnard, 1925
In zijn essaybundel De berg en de steenfabriek (Querido, 1986) noemt K. Schippers de Franse laat-impressionist Pierre Bonnard (1867-1947) ‘een uniek schilder’ van ‘lege ogenblikken, waarvan hij een imperium heeft gemaakt.’ Bonnard wist ‘zijn interieurs en landschappen een schone loomheid’ mee te geven, alsof ze ‘wat vermoeid zijn geraakt van hun eigen esthetiek.’ Een esthetiek, zo vervolgt Schippers even later, ‘die overbodig is omdat er niet op wordt gelet.’ Lege ogenblikken, momenten die zich aan ons bewustzijn onttrekken, onopgemerkt voorbijgaan, omdat we routineus handelen of met onze gedachten ergens anders zijn. Onze dagen zijn er vol van. Bonnard vraagt aandacht voor deze terloopse tijdruimtes. Wie herkent ze niet? En wat kunnen ze schoon zijn. Bonnards esthetiek, die ik een esthetiek van de terloopsheid zou willen noemen, houdt me nu al enkele dagen bezig. Alsof ik er in een nieuwe reeks gedichten iets mee moet.