Nog een gedicht van de boeddhistische monnik Stonehouse, waarin hij vertelt dat hij elke dag plukt, niet denkt aan morgen:

Het leven is van korte duur
dus waarom zou je in cirkeltjes ronddraaien
als er niets meer in huis is ga ik op zoek naar bataten
als mijn pij moet worden opgelapt overweeg ik lotusbladeren
ik heb de elandenstaart neergelegd en ben gestopt met preken
en in mijn verstofte soetra's zit de papiermot
ik heb te doen met eenieder die een monnikspij draagt
en druk is met zijn doelen en verknochtheden

Als teken van autoriteit bezat een abt in China soms een elandenstaart. Stonehouse vervulde enkele jaren de functie van abt.

De boeddhistische monnik Stonehouse (1272-1352) leefde ruim veertig jaar in afzondering in de bergen ten zuidwesten van Shanghai. ‘Stonehouse’ is een pseudoniem, zijn echte naam weten we niet. Tijdens zijn kluizenaarsbestaan schreef hij meer dan honderdtachtig gedichten, die eind vorige eeuw voor het eerst naar het Engels werden vertaald. In 2014 herzag vertaler Bill Porter, alias Red Pine, zijn eerdere bewerkingen: The Mountain Poems of Stonehouse. Een gedicht uit de bundel:

Een monnik alleen zit stil en ontspannen
hij leeft het hele jaar van wat karma brengt
bamboe en gele bloemen vereenvoudigen zijn gedachten
zijn leven is zo simpel als een wolkje of een beek
hij houdt een rots niet voor een tijger op een heuvel
of de reflectie van een boog voor een slang in zijn kom
in het bos vergeet hij wereldse zaken
volgt bij zonsondergang de terugvliegende kraaien

De vroeggestorven Frank O’Hara (1926-1966) schreef ‘Een warme dag voor december’ op 5 december 1960. Dit gedicht werd gevonden in O’Hara’s nalatenschap en voor het eerst gepubliceerd in zijn Collected, 1971:

EEN WARME DAG VOOR DECEMBER

57th Street
straat van plezier
ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos
en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos
een waterstofbom die te klein is
om een oog te laten tranen
en toch wandel ik door
langs de imponerende etalages van Tiffany
met zijn diamanten clips voor papieren zakjes
straat der dromen artistieke
Sidney Janis en Betty Parsons
en Knoedler is zo Teutoons vol
dat je me niet opmerkt
behalve dat ik te kijk loop met mijn nieuwe kapsel
en meer Brâncuși lijk dan gewoonlijk
dus ga ik een telefooncel binnen op een hoek
net een ruimteschip
ik hou van de mensen die luidruchtig passeren
voorbijschieten
'Ik hou van jou'
'Ik hou ook van jou'
dan open ik de deur de geluiden overdonderen me de mensen
maar ik ben in de buitenlucht
nog altijd volg ik 57th
ontmoet Roy en Bill ik drink vermout
we praten over de verstrooiingen van New York
je bent er bijna
57th Street

Dit vers doet verslag van een wandeling door een drukke straat van Manhattan, 57th Street, die bekend staat om zijn kunstgalerijen, restaurants en chique winkels. Dichten was voor O’Hara het neerleggen van wat hem te beurt viel: ‘What is happening to me […] goes into my poems.’

En dat het inderdaad een warme dag was voor de tijd van het jaar wordt door Weather Underground, een weersite die ook historische gegevens verstrekt, bevestigd. Gewoonlijk bedraagt de temperatuur in New York begin december rond de 9°C, op 5 december 1960 liep het kwik echter op tot ruim 17°C.

Sidney Janis en Betty Parsons waren kunsthandelaars en Knoedler was een kunsthandel die in 1960 kunstgalerieën aan 57th Street hadden, niet ver van het beroemde juweliersbedrijf Tiffany’s, dat al sinds 1837 in Manhattan huist. O’Hara werkte in 1960 als assistent-curator in het Museum of Modern Art (MoMa) en was kind aan huis bij deze kunstgalerieën.

Visueel doet ‘Een warme dag voor december’ me denken aan een langgerekte straat en ritmisch aan het rumoer van overvolle trottoirs.

Maar de praktijk van de stadswandeling draaide voor O’Hara niet alleen om het kijken naar wat er zich zoal voltrekt maar evenzeer om het bekeken worden: ‘ik ben een microkosmos in jouw macrokosmos / en dan weer een macrokosmos in jouw microkosmos’. O’Hara flaneerde graag, wilde zien en gezien worden. Zo heeft hij in dit gedicht een kapsel waarmee hij wil opvallen – de Roemeen Constantin Brâncuși (1876-1957) wordt wel de vader van de moderne beeldhouwkunst genoemd – en let hij op of hij de aandacht van anderen ook daadwerkelijk weet te trekken.

De populaire O’Hara was zich voortdurend bewust van zichzelf en verstond de kunst om zich naar believen aan de menigte te onttrekken, erin op te gaan of juist op te vallen. Met dit heen en weer bewegen tussen zijlijn en middelpunt gaf hij kleur aan zichzelf, zowel op papier als in het echt.

Op 22 november 1963 werd president John F. Kennedy in Dallas, Texas, door Lee Harvey Oswald doodgeschoten. Oswald haalde driemaal de trekker over – ‘bang, snap, crack’. Deze moord greep mensen over de hele wereld aan, sommigen werden gek van verdriet. De Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965) schreef er een kort titelloos gedicht over, dat eerst in Language (1965) en later in My Vocabulary Did This to Me: The Collected Poetry of Jack Spicer (2008) werd opgenomen.

Rooksignalen
Zoals in de Eskimodorpen aan de kust waar de aardbeving plaatsvond
Knal, knak, krak. Ze zullen nooit weten wat hen trof
Op de kust van Alaska. Ze verwachten dat iedereen krankzinnig zal zijn.
Dit is een gedicht over de dood van John F. Kennedy.

Ik heb dit gedicht altijd louter gelezen als een gedicht over de dood van Kennedy, die ongetwijfeld ook Eskimo’s in Alaska niet onberoerd heeft gelaten. Totdat iemand me op The Great Alaskan Earthquake wees, die op 27 maart 1964, enkele maanden na de moord op Kennedy, verwoestend toesloeg in het zuiden van Alaska. Het was met een kracht van 9,2 op de schaal van Richter de op één na zwaarste aardbeving ooit gemeten. Aan de kust werden enkele Eskimodorpen weggevaagd door de tsunami’s die erachteraan kwamen.

De ‘aardbeving’ in Spicers gedicht kan dus niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk gelezen worden. Spicer schreef het vers nadat het noodlot zo plotseling in Alaska had toegeslagen. Niemand die de aardbeving had zien aankomen. De rook had geen dreigingssignaal afgegeven. De paniek na de ‘knal, knak, krak’ moet groot zijn geweest, evenals het verdriet dat daar weer op volgde. Deze abrupte lotswending heeft Spicer vast doen denken aan de onverwachtse dood van John F. Kennedy, enkele maanden daarvoor. En dat pende hij neer. Waarna hij het gedicht bruusk liet eindigen.

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Zijn laatste bundel was in 1978 verschenen. Hij liet tientallen ongepubliceerde gedichten na, al dan niet voltooid. Boven zijn bureau hingen kladjes met invallen en aanzetten tot verzen.

Eén van Oppens kladjes verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die zich o.a. kenmerkt door geheugenverlies, spraak- en taalproblemen en desoriëntatie.

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover gesproken wordt
en de getallen (d.w.z.
hoe je ze vormt
--------------------
ook de getallen

Oppen was een nadenkend mens, zijn hersens zijn belangrijkste wapen. Het vooruitzicht van de verdere aftakeling van zijn verstandelijke vermogens moet hem angst hebben ingeboezemd, veel verdriet hebben bezorgd, dat in de afsluitende regel doorklinkt in het woordje ‘ook’. Hetzelfde verdriet dat ik in de ogen van mijn eigen moeder heb zien staan.

De Argentijnse Mirtha Dermisache (1940-2012) staat bekend om haar asemische kunst, geschriften die ‘geen specifieke semantische inhoud’ hebben. De lezer mag zich uitleven in het betekenisvacuüm van de verzonnen taaltekens en zelf strekking geven aan het geheel. Bovendien komt de vorm nu in het volle licht te staan. Asemische werken liggen op het grensgebied van beeldende kunst en poëzie. Ze kunnen op mijn sympathie rekenen.

Hieronder enkele foto’s van Dermisaches acht pagina’s tellende werk Diario nº 1, Año 1, uit 1972, dat werd afgedrukt op krantenpapier.

Tot mijn verbazing stuitte ik nog niet zo lang geleden in mijn digitale Van Dale Groot woordenboek Nederlands op het lemma ‘minor poet’. Ik had niet verwacht dat deze uitdrukking (al) toebehoort aan het Nederlands.

Van Dale omschrijft de minor poet als volgt: ‘minder belangrijke dichter met een bescheiden scheppingsdrang en vaak een aan de persoonlijke ervaringswereld ontleende thematiek’.

Huh? Ik beschouw mezelf als een minor poet, als een dichter met een beperkt lezerspubliek en kleinere oplages, maar bezit evenzogoed grote scheppingsdrang en put bij het dichten slechts sporadisch uit eigen ervaringen.

Mijn woordenboek Engels omschrijft ‘minor poet’ enkel en alleen als ‘minder belangrijke dichter’, wat beter aansluit bij mijn belevingswereld.

Onlangs duikelde ik, in een hoekje, ook nog een titelloos gedicht van mijn hand op, dat nog geen onderdak in een bundel heeft gevonden. Naar aanleiding van het bovenstaande diende zich bovendien een titel aan:

ODE AAN ALLE MINOR POETS

Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven

met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel

gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel

zachtjes wordt teruggelegd.
Omslag van mijn eerste dichtbundel, 2007

Twee dagen het Scholtenpad bewandeld, rondom Winterswijk. Glooiend halfopen landschap met veel es en eik. In deze streek werden herenboeren scholtenboeren genoemd.

Men ging vandaag niet voor klimaatverandering, kloof tussen arm en rijk, polarisatie of burn-outs de straat op, maar voor concerten en festivals. Wat een feest.

Dat 9/11 mijn leven heeft beïnvloed is een understatement. Sinds enkele weken denk ik weer elke dag aan mijn tijd in Afghanistan.

‘Because we know there is something to mean.’ – George Oppen

Huppel, 2021 © Ton van ’t Hof

Onze voorstellingen zijn onstoffelijk, niet tastbaar, vluchtig ook. Ze bezitten geen inertie, ‘de eigenschap van lichamen om te volharden in de toestand waarin zij zich bevinden’. Van Dale wijst ook nog twee andere betekenissen van inertie toe: ‘traagheid’ en ‘daadloosheid’. Rae Armantrout schreef er een gedicht over, ‘Equals’, dat is opgenomen in het formidabele Versed (2009):

IS GELIJK AAN

1.

Alsof, tenslotte,

het ding dat in je opkomt
in het kwadraat
maal inertie

de ‘werkelijkheid' was.

2.

Een hagedis
die met zijn kop vastzit

in de strot
van een tweede.

Het beeld van de twee hagedissen is zo weerzinwekkend dat het, telkens weer, lang bij me blijft hangen. Armantrout heeft, heel knap, een ietsepietsie inertie aan dit vers weten te verlenen.

En wie voor het ‘ding’ ook eens ‘woord’ of ‘gedicht’ leest zal worden verblijd met nog meer mogelijke duidingen.

Op metaniveau: de ‘verknoopte’ hagedissen als metafoor voor poëzie.

De ouderdom komt met gebreken; I know. Maar hoe ga je daarmee om? Adviezen genoeg, maar uiteindelijk zul je zelf een modus moeten vinden.

Mijn belangrijkste wapens zijn: een meterslange lijst karweitjes, op zijn tijd een schuimend potje bier, een zweempje ironie en heul veul gelatenheid. Wat het onvermijdelijke iets verzoet, maar meer ook niet.

Robert Creeley zette een ander middel in: hij schreef als uitlaatklep gedichten over het aftakelingsproces. Onderstaand vers publiceerde hij in 1990, toen hij 64 was:

O

O, blijf nog even,
slaphangend vel
en broos geworden botten.

Blijf zitten,
gerimpeld gezicht, tanden,
ga niet weg.

Vanbinnen en vanbuiten
het verleppen
van lichaamsdelen,

bewegingsleer,
het verval
van de geest, een en al

echo hier
in gevlekte huid, vertroebeld oog,
herhaald gemompel.

Zucht eens, of geef eens
een teken in het luchtledige
dat ik nog steeds binnenin zit.

Wat een doffe ellende. Grotendeels. Want dit gedicht is tevens de bevestiging van het feit dat er nog altijd leven zat in de oudere Creeley.

Je moet je piepende lichaam en krakende geest dingen blijven ontfutselen.

Robert Creeley

Robert Lax zocht op de grens van tijd en tijdloosheid naar ritmes en samenhangen van het bestaan. Klare taal was zijn handelsmerk. Zijn bezielde werk geeft me regelmatig een mystiek gevoel van eenheid. Uit Sea & Sky (1965):

de
dromen-
de

zee

de
lachen-
de

lucht

de
dromen-
de

dromen-
de

zee

Hier wordt een mens toch allejezus gelukkig van.

Robert Lax in Griekenland, ca. 1985

Boeken FM: hysterisch, verwend en zonder kennis van de geschiedenis.

Las een column van Bas Heijne tweemaal: ‘Nederland anno nu: roepen dat alles anders moet, zodat alles hetzelfde kan blijven.’

‘You must be the change you want to see in the world.’ – Mahatma Ghandi

Zag honderdvijftig kieviten foerageren in een stoppelveld.

Wist nu zeker: ik moet, ten koste van mijn dagboek, voorlopig wat anders doen; poëzienotities blijven volgen.

Hantum, 2021 © Ton van ’t Hof