Helder licht

Gisteren naar Goes gereden, naar M, die stervende is. Uitgemergeld. Maar niet zonder humor. Wel zonder wrok. Hij moet nog 68 worden. Is niet verbitterd over het leed dat hem overkomen is. Kijkt met trots achterom. Staat gewoon nog met twee benen op de grond. In het hier en nu. Draagt zijn ziekte zonder morren. Is een kei van een vent.

Tussen allerlei karweitjes door moest ik vandaag regelmatig aan M denken. Ook herinnerde ik me dat ik ooit ergens las dat wie sterven gaat moet proberen om het heldere licht vast te houden en erin op te gaan.

Als M er straks niet meer is dan zal ik hem terughalen als iemand die licht liep, licht leefde en licht stierf.

Onderstaande roos, die in een onooglijke knop zat, waar je geen cent meer voor zou geven, opende zich vandaag ineens.

Vereenvoudiging

Soms kan ik ineens, zo uit het niets, hartstochtelijk verlangen naar Dvořáks Nieuwe Wereld. Gisteravond nog. Om tien uur ging ik er nog eens goed voor zitten en koos voor een uitvoering van het Berliner uit 1996. Toen het allegro werd ingezet was ik al een en al vrolijkheid. Ging aansluitend fluitend naar bed.

De tuin lag er vanochtend doodstil bij, fris, zonbeschenen. In de enorme struikroos, waarvan ik de naam nog steeds niet ken, zaten plots vijftien tot twintig mussen te tjilpen. Telkens als ik dichter bij kwam vlogen ze weg, en als ik weer afstand nam keerden ze weer terug. Het leek wel een spelletje. Ik had er in elk geval een hoop plezier in.

‘s Middags, na het snoeien, zoervleisj opgezet en appelmoes gemaakt. Heerlijk straks bij aardappeltjes uit de oven.

Een containerwissel aangevraagd, opnieuw tien kuub, maar ditmaal voor bouwafval, want de oude volière achter in de tuin gaat tegen de vlakte.

Pakte om half vijf een biertje, voor het coronavirus mij te pakken neemt. Ik probeer het eenvoudig te houden.

De oude volière in onze tuin, die gesloopt gaat worden.

Afgebeuld

Ochtend. Donderwolken trokken gejaagd voorbij. De tuin werd door een krachtige wind flink door elkaar gerammeld. Ik zag geen vogels. Hoorde ze ook niet. Wel was er een narcis ontloken, de eerste. Dan toch: achter onze bomen, boven het weiland: een vlucht spreeuwen, pijlsnel. Het vaantje van de buurman wees aan dat de wind varieerde van west tot westnoordwest.

Registreerde, terwijl ik koffie dronk en naar buiten keek, een te veel aan spierspanningen in mijn rug, schouders en nek. Realiseerde me dat ik de afgelopen weken hard werken heb verward met afbeulen. Ik moet wat gas terugnemen. Hennie trouwens ook.

Bij ma aangewipt en haar meegenomen naar autowasserette en Appie Heijn. Op de terugweg smulde ze van een Bounty.

Middag. Wind ietsje afgenomen, zon kwam vaker tevoorschijn. Gewapend met snoeischaar en schep de tuin verder in model gebracht. Tien kuubs container inmiddels nagenoeg vol met snoeiafval.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Pokkenweer

Je moet je erbij neerleggen. Ik kan dat niet goed, maar het moet. Je kunt het actuele weer nu eenmaal niet meer beïnvloeden. Het is al weken pokkenweer en het zal, volgens Buienradar, voorlopig ook pokkenweer blijven. Ongedurige mensen als ik worden daar chagrijnig van. Ik wil in de tuin werken maar word keer op keer naar binnen gejaagd door wind of regen of een combinatie van die twee. 

Maar vanochtend vroeg was het droog en stond er slechts een zwak briesje. Ik greep de gelegenheid aan om (1) al om 08.00 uur naar de Coop in Holwerd te fietsen om proviand in te slaan (wat hoognodig was) en (2) vervolgens anderhalf uur in de tuin te buffelen (waarbij een verloren gewaand tuinpad werd blootgelegd). Om 10.37 uur begon het andermaal te zeiken en was het uit met de pret.

Daarna aan het lummelen geslagen, naar de radio geluisterd, waarop het allemaal coronavirus was wat de klok sloeg. Zou Brantgum de dans kunnen ontspringen? Ik dacht van niet.

Dichter bij jezelf komen

Het is in het Engels, ik weet het, maar in het kader van deze posting is dit een belangrijk citaat:

‘We emerge from laws that, as far as we can tell, are timeless, and yet we exist for the briefest moment of time. We are guided by laws that operate without concern for destination, and yet we constantly ask ourselves where we are headed. We are shaped by laws that seem not to require an underlying rationale, and yet we persistently seek meaning and purpose.’

Brian Greene

Dichter bij jezelf komen? Lummel dan wat, denk niet aan de dag van morgen en wees blij dat het leven geen zin heeft!

Herinnerde me ineens dat ik gisteren ergens las dat mensen die vrijwilligerswerk doen gelukkiger zijn dan mensen die dat niet doen. Ik doe geen vrijwilligerswerk, of je zou het opknappen van ons huis en onze tuin tot vrijwilligerswerk moeten rekenen. Volgens Van Dale kan dat: ‘onbetaald, vrijwillig werk’. Maar dat artikel dat ik las doelde toch op vrijwilligerswerk in de liefdadigheid of welzijnssector.

Zou ik werkelijk (nóg) gelukkiger kunnen worden?

Klinkt wel gek: vrijwilligerswerk doen, niet zozeer met het oog op het welzijn van anderen, maar om er zélf gelukkiger van te worden.

De wereld is rond, wat zeggen wil: eindig, begrensd.

Na bestudering van de Vogelatlas trok ik de conclusie dat er vanochtend twee Turkse tortels in een van onze eiken hebben gezeten.

Om 10.30 uur naar Paesens-Moddergat gereden voor een fikse wandeling op de kwelders. Rijke vogeloogst: blauwe kiekendief (mannetje), rotganzen, zwarte ruiters, eiders en (veel) kieviten. Daarna door naar Lauwersoog voor een productieportie kibbeling & bleke friet. Bij Vishandel Sterkenburg zien ze ons niet meer terug.

Maar die wandeling was een zegen voor mijn ziel!

Paesens-Moddergat, 2020 © Ton van ’t Hof

Tot de herfst, Steve Benson

Na de verhuizing borg ik mijn poëziebundels met handenvol tegelijk – snel en ongeordend – in mijn boekenkasten op. Nu is de tijd gekomen om ze te alfabetiseren. Ik neem ze één voor één op en zal hier, op mijn blog, telkens het openingsgedicht kort belichten, waarna de bundel op zijn plaats in de boekenkast zal worden gezet.

De 1e bundel die ik pak is Open Clothes van Steve Benson (Atelos, 2005). Benson is tien jaar ouder dan ik, geboren in Princeton, New Jersey, en wordt vaak gerekend tot de Amerikaanse Language beweging.

TOT DE HERFST

Het is winter
Kan ik regel voor regel een gedicht schrijven?
Ik kan alles
Toch hoop ik op meer
Ik hoop dat het wolkendek openbreekt
Wat zo gebeurd is
Het gebeurt in de komende tijd
Eén beeld tegelijk
De roerloze uitstalling van emotie
Gestrekt (de regels veranderen)
op rubbermatjes, glibberige
omweg
lompe wijze, draaiende
wijsheden op een stokje
we dubden
over stille wateren die overkookten
of onze roeiriemen, tijd
een stomme regel
loodrecht naar beneden
door een helder medium
niet voor honderd procent gebotteld
ademend
zwart en wit
Ik steek mijn hand uit, wil aanraken
weifelend, draaiend
even geblokkeerd
en daar blijk van gevend
terwijl ik een zootje glimpen
opvang
uitgefaseerd
vanwege stress
telkens weer anders
vandaag zeiknat, in silhouet
volledig afgemat, maar nog altijd
de haren in de fik
evenals de rest van me
er zijn plaatsen
watervliegtuigen
vliegen als bijen
vanaf planeten
lynchscènes
de mijne wellicht een futiel
teken op straat
vaag, wezenloos
bekrast
uit tumultueus verval
nauwelijks beroerd
door gespleten verwoestingen
totdat stuiptrekkingen
losbarsten in het duister
Wat is dit?
Straling, slik het
tot het einde toe
allerlei
vriendelijkheid ontvlamt
de met rozen bezette zon
de met roest bedekte mens
al eerder gebeten
door een waas

[24 januari 1998-27 februari 1999]

Bijzonder aan dit gedicht is de procedure die er aan ten grondslag ligt. In een noot zegt Benson hierover: ‘”Tot de herfst” is geschreven over een periode van dertien maanden, één regel tegelijk, op een stukje papier van 21,5 x 28 cm, dat ik elke dag in mijn achterzak droeg. Toen ik begon besloot ik dat ik zou proberen om elke regel uit een andere gelegenheid te laten voortkomen, zonder me daarbij te laten leiden door een of ander plan, thema of poëziebeginsel. Over het algemeen werden regels geschreven met tussenpozen van dagen of weken.’

‘Tot de herfst’ gaat ook over deze procedure, en meer algemeen over het schrijven van een gedicht. Dit vers wil geen verhaal vertellen, maar is een weerslag van zijn productieproces, een werdegang van zijn eigen ontstaan. Hoewel ik een liefhebber ben van dit soort poëzie weet dit gedicht me niet te treffen. Ondanks enkele fraaie regels en aardige vondsten blijft het geheel me te abstract, weet het maar niet over zijn dode punt heen te raken.

Steenstraat, Arnhem

Eindelijk gereed, afgedrukt op aluminium, 40 x 40 cm. De plaat kan nu naar zijn nieuwe eigenaar.

De Steenstraat in Arnhem op een ochtend in februari © Ton van ’t Hof, 2020