Het openingsgedicht (1)
Allereerst een compliment: de vormgeving van Barcode van stilte (omslagontwerp & typografie: Steven van der Gaauw), de bundel waarmee Hester Knibbe (1946) is genomineerd voor De Grote Poëzieprijs 2026, is tiptop in orde.
Knibbe heeft in de loop der jaren heel wat (nominaties voor) poëzieprijzen in de wacht gesleept en haar gedichten mogen dan ook gerust maatgevend worden genoemd. ‘Poëzie bestaat bij de gratie van de lezer die zegt: “Ja, dit is poëzie,”’ schreef Jeroen Mettes al, en tegen Knibbe’s poëzie is intussen veelvuldig ja! geroepen. Zelf heb ik haar bundels lang links laten liggen, maar daar is nu met Barcode van stilte verandering in gekomen. Daaruit bespreek ik voor de nieuwe serie Het openingsgedicht het openingsgedicht, getiteld ‘Terra’.

Geen gemakkelijk gedicht. Dat wordt een potje close reading. Zin voor zin. Met betrekking tot de titel raadpleeg ik etymologiebank.nl, en die is duidelijk:
terra [aarde] {1566} < latijn terra, verwant met oudlatijn torrus [droog]; de betekenis is dus eig. ‘het droge’. In de betekenis ‘licht bruinrood’ is het woord een afkorting van terracotta.
Aarde. Aardbodem. Vaste grond onder de voeten.
Zin één: Onder de hamer het geslotene / vreemde verzwegene niet gewetene. Een voorstelling: hamer in aanslag om iets stuk te slaan of bij hamerslag te verkopen.
Zin twee: Wie breekt het open, wie geeft die / tik zo exact dat weer vrij komt te / liggen wat ik dacht? Stukslaan dus. Maar wie durft? Voorts is de zinsnede ‘wat ik dacht’ voor meerderlei uitleg vatbaar: de ik heeft óf een vermoeden wat er bij een hamerslag vrijkomt, óf hoopt met één klap herinneringen op te kunnen wekken.
Zin drie: Te veel werd / voorbarig gewist door een andere / tijd overschreven tijd / waarin een dit en dat woekerden een / zon scheen, sneeuw een stille nacht / witwaste. De tand des tijds tast ook ons geheugen aan. De mens is overigens überhaupt kort van memorie. Het bijvoeglijk naamwoord ‘voorbarig’ lijkt erop te wijzen dat de ik-figuur dit betreurt.
Zin vier: Weet ik eigenlijk wel wat / zich schuilhoudt achter elk van mijn / bewegingen: liefkozing, wandeling / langs een strand, zoektocht die mij / een oeroud vermoeden doet nalopen / leert over stilstand heen te stappen? Een wending. Halverwege het gedicht vraagt de ik plotsklaps naar de motivaties van zijn (of haar) doen en laten. Denkt hij het antwoord wellicht te kunnen vinden in wat hij ooit heeft meegemaakt?
Zin vijf: High van verrukking wijs ik naar / mijn simpele krassen op de wand / van de cel waarin ik verblijf, zeg: dát / is de ware wereld dáár, voorbij de basale obsessie / voor voedsel en lijf leef ik volmaakt / op een andere wijze. Een eurekamomentje. In de ‘simpele krassen op de wand’ kan een schematische ordening van behoeftes worden ontwaard, een piramide van Maslow, die de behoefte aan voedsel en veiligheid tot de meest basale rekent. Als die eenmaal zijn bevredigd kun je volgens Maslow je aandacht richten op minder basale behoeftes, waaronder ‘zelfactualisatie’, waartoe zaken als moraal, creativiteit, oplossingsgerichtheid en werkelijkheidszin behoren. Maar of de wereld voorbij het voedsel en het lijf ook de ‘ware wereld’ is, zoals de ik-figuur beweert, waag ik toch te betwijfelen. Het dualisme van Descartes ligt ondertussen ver achter ons.
Enfin, door naar de slotzin: Ach wat X en / een niet te verhelpen verleden, ik / kleur eenvoudig het wit in dat over / is gebleven mij ongerept rest ——- Tja. Ik doe wat ik doe. Zolang ik nog leef. Makkelijk praten voor wie niet noodlijdend is en in een veilig land verblijft. Voorts vraag ik me af of de ‘X’ erin is gefrommeld om het gedicht een actueel tintje te geven.
Recapitulerend: oudere ik-figuur heeft wat losse gedachten over het geleefde leven en komt tot de conclusie dat hij het zichzelf in de tijd die hem nog rest niet al te ingewikkeld wil maken. Dit gedicht is een lichtelijk naïef allegaartje.

Geef een reactie