In 2011 ontving de Zweedse dichter Tomas Tranströmer (1931-2015) de Nobelprijs voor Literatuur. Een deel van zijn werk is door J. Bernlef (1937-2012) vanuit het Zweeds naar het Nederlands vertaald en in 2002 uitgebracht onder de titel De herinneringen zien mij: Verzamelde gedichten / Memoires. Ik bezit zelf een Engelstalige collected, dat in 2011 verscheen en waarin alle gedichten die Tranströmer ooit in boekvorm publiceerde zijn opgenomen. Een proeve (in Bernlefs vertaling):
UIT MAART ’79
Moe van iedereen die met woorden komt, met woorden maar niet met taal
begaf ik mij naar het sneeuwbedekte eiland.
Het ongerepte heeft geen woorden.
De ongeschreven bladzijden breiden zich naar alle kanten uit!
In de sneeuw stuit ik op hoefsporen van een ree.
Taal maar geen woorden.
Andermans gezeur zat, piept de ik-figuur er even tussenuit, naar een eiland, dat nog bedekt is met sneeuw. Het is maart 1979. Aangekomen trekt hij of zij eropuit, de maagdelijk witte natuur in. Daar stuit de ik, een kenner klaarblijkelijk, op sporen van een ree. Maar het dier is in geen velden of wegen te zien. Toch vindt er middels het spoor communicatie plaats: het dier vertelt de ik, in klare dierentaal, dat het nog niet zo lang geleden op deze plek aanwezig wás. Precies waar de ik-figuur op dat moment behoefte aan heeft.

Geef een reactie