Verdwijnen

Over een gedicht van Bernlef

‘Ik doe er niet toe, zei [Bernlef] vaak. Het gaat om de tekst. Een tekst om in te verdwijnen.’ Deze woorden schreef Bernlef (1937-2012) ruim een jaar voor zijn dood in een necrologie over zichzelf. En je gelooft het niet, maar in het openingsgedicht ‘Opdracht’ van zijn debuutbundel Kokkels, uit 1960, speelt dit ‘verdwijnen’ al een hoofdrol:

5a

Het zal niemand zijn ontgaan dat Bernlef in dit gedicht vijf voorwerpen opsomt, waarmee of met behulp waarvan zelfmoord kan worden gepleegd: een scheermesje, broodzaag, gasslang, badkuip en een touw. Vijf alledaagse voorwerpen die eigenlijk voor ander gebruik bedoeld zijn. Met deze opsomming tracht Bernlef de opdracht die in het motto is vervat, te vervullen: ‘hoe vaker je denkt aan doodgaan, hoe beter je zult leven’. Online blijkt het hier om een oud Italiaans gezegde te gaan. Het leven is maar kort. Hoe beter je je dat beseft, hoe beter je je het leven kunt toe-eigenen.

Wat opvalt, is dat Bernlef niet aan zomaar doodgaan denkt, maar het hier over zelfmoord heeft. Over het benemen van het eigen leven. Eigenhandig verdwijnen. In een gedicht zonder lier of gemoedsbewegingen. Hier staat geen spreker maar de tekst centraal. Zoals Bernlef dat wilde. Een literatuuropvatting die hij dus zijn hele carrière heeft gehandhaafd.

5b

Kokkels, J. Bernlef, Querido, 1960: via boekwinkeltjes.nl.

Gedicht John Ashbery

De belangstelling in Vlaanderen en Nederland voor buitenlandse poëzie lijkt toe te nemen. In magazines als Parmentier, Hans Kluger en Terras wordt veelvuldig vertaald werk gepubliceerd, de nieuw leven ingeblazen uitgeverij van Perdu wil zich vooral richten op vertaalde poëzie (en bereidt momenteel een vertaling van Rob Halperns Disaster Suites voor) en de FaceBook-vertaalwedstrijd mag zich in een groeiend aantal deelnemers verheugen. Deze horizonverbreding lijkt me een uitstekende zaak.

Voorts hoop ik dat er binnenkort een uitgeverij opstaat die een ruimere keuze uit het werk van John Ashbery in vertaling durft uit te geven. Het is me nog altijd een doorn in het oog dat zijn fantastische oeuvre het in Vlaanderen en Nederland moet doen met één bundeltje vertalingen, De mandril op de slagboom, door Bernlef en Peter Nijmeijer, uit 1995. Schande!

EENJARIGE EN OVERBLIJVENDE PLANTEN

Een simpel woord, zo ver weg,
als dit Amerika, thuis van de vrije,
gekleurde as uitgesmeerd op het fundament
of voetstuk dat wuift met wijzen van twijfel
aan bevalligheid, zwaai een magere hand …

We zijn gezwind en najagend
als haviken of kraaien.
We boeten voor de leugens die we verzonnen, ongewild
maar toch gekopt in de polsgreep van de deugd,
tiener Borgias of Gonzagas,
goud tegen grijs in vloeiende frequentiebanden,
betekenend geen kwaad, het lag nooit

in onze bedoeling, deze stroom die nu uitmondt
ongelukkigerwijs in het voorhuis dat wacht.

We hebben gedaantes maar geen macht.

John Ashbery
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 07-01-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Gedicht John Ashbery

HET VERLANGEN VAN DE HARMONIE

‘de witte machine van het leven’
   Geoffrey G. O’Brien and Jeff Clark

We zijn allemaal bewoners, van de ene
of andere soort: huurders, eigenaars,
gasten. En wat ertoe doet
doet ertoe voor de meesten van ons.
In de gang krimpen we gealarmeerd
zijdezacht ineen – komt daar iemand?
Maar wachters in boa ontvangen ons.

Men vertelde dat we een opdracht deden,
het onderwerp waren, de topic. In feite
maakte het een klein verschil

doch te gering om ons te storen of verstillen.
Concluderend, wellicht juist, van welk slag
wij waren, tekende jij voor gezien.
Het was oké om zich van alles toe te eigenen
maar niet om het te begeren.

John Ashbery
Vertaling Ton van ‘t Hof

‘Ashbery’s poëzie maakt niet zozeer gebruik van het denken om tot gedichten te komen, maar probeert het denken zelf, in “status nascendi” zou je kunnen zeggen, in al zijn vluchtigheid en tastende aarzelingen te betrappen. In een eerder interview heeft hij daarover eens gezegd: “Ik probeer in poëzie de activiteiten van het denkende of in rust verkerende brein weer te geven.” Je zou kunnen zeggen dat Ashbery op zoek is naar een kunst die zich nog niet van het leven heeft losgemaakt.’ (J. Bernlef in De mandril op de slagboom – Een keuze uit zijn gedichten 1956 – 1994, Meulenhoff, 1995)

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-03-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)