Gisteravond met goede vrienden bourgondisch getafeld en diep in het glaasje gekeken.

Heute bis drei im Garten gearbeitet. Onze druif heeft weer iets lelijks te pakken. Lijkt me geen galmijt dit keer. Daar moet ik van de week dus wat aan doen.

Will, de oudere broer van pa, gaat achteruit. Hij heeft moeite om de dood van mijn vader te verwerken. Ook is, met de inname van zijn rijbewijs onlangs, zijn mobiliteit verder afgenomen. En zo ebt druppelsgewijs de joie de vivre weg. Ik moet hem binnenkort eens opzoeken.

Jeroen Brouwers—Mijn Vlaamse jaren. ‘Soms kuch ik wel eens, maar geen mens die ervan opkijkt.’

Het is bloedheet. De poezen liggen uitgeteld in de schaduw op het vaalgele grind. Ergens dreunt een basgitaar. Het hondje—geen idee van wie—is gestopt met janken. De rosé hangt in het glas. Ik staar in de blauwe ruimte, een open einde tegemoet.