Werd vanochtend wakker met een ijzeren staaf in mijn nek. Stress. Hoge ademhaling ook. Voelde me onrustig, gejaagd. Het veelkoppige drugsmonster dat onze zoon kwelt draagt hier misschien schuld. Onze mogelijkheden om te helpen zijn beperkt. Wat een frustrerende zaak is.

‘Meer dan anderen vragen verslaafden naar het wezenlijke van het bestaan, naar het ware leven.’ – Wilhelm Schmid in Handboek voor de levenskunst

Op de vraag op welke wijze burgers kunnen bijdragen aan klimaatbestendiging antwoordt Jan Rotmans, hoogleraar duurzaamheid en transitie, het volgende (in de LC van vandaag):

‘Heb je een geschikt dak? Koop zonnepanelen. Ze hebben een rendement van 7 procent, veel hoger dan wanneer je geld op de bank zet. Isoleer je huis. Eet minder vlees. Probeer in Europa minder vaak te vliegen. Kijk of je hybride of elektrisch kunt rijden. En maak je iets minder afhankelijk van bezit. Spullen zorgen ook voor een forse CO2-uitstoot. Iedereen heeft een boormachine, terwijl je die in je leven zo’n 25 minuten gebruikt. Echt waar, 80 procent van wat je bezit, heb je nauwelijks nodig.’

Minder spullen, minder zorgen! Die formule kende ik al. Maar aan ontspullen ter verkleining van je CO2-footprint had ik nog niet eerder gedacht. Zou dat zoden aan de dijk zetten? Wel, neem ik aan, als goederen niet duurzaam worden geproduceerd of milieu-intensief zijn in gebruik. Bovendien: hoe meer je bezit, hoe groter het huis dat je nodig hebt. En het verduurzamen van grotere huizen kost weer meer moeite en meer geld etc.

Soms droom ik ervan: www.tinyhousenederland.nl.

Verbazingwekkend: de druiventrossen kleuren al blauw! Dat is veel vroeger (drie, vier weken?) dan vorig jaar.

97C1EDAE-33A7-4DA2-9E7E-6509A549BF12

Evolutionair gezien is de dood zinvol, lees ik in Wilhelm Schmids Gelatenheid: Wat we winnen wanneer we ouder worden, en neem deze gedachte mee uit wandelen naar Lekkum en Snakkerburen.

‘De dood breekt het leven van ieder individu weer af en maakt daarbij ruimte voor nieuw leven, voor nieuwe genencombinaties, zodat het met frisse krachten kan proberen nieuwe mogelijkheden te realiseren, oude problemen op een nieuwe manier aan te pakken of die opnieuw te laten mislukken.’

Terwijl de regen op mijn paraplu tikt denk ik: daar zit wat in. Aan de andere kant: moet ik daarom het loodje leggen? Maar aan een wereld waarin iedereen nog leeft die ooit geboren is, moet je toch ook niet denken. Het is natuurlijk wel wat de evolutie doet: opbouwen en afbreken, in een eeuwigdurend ritme.

En daar maak ik dus deel van uit. Ik ben lang geleden in elkaar gezet en zal over enige tijd ook weer uiteenvallen. En met de energie die vrijkomt bij al dat uiteenvallen – wet van behoud van energie – kunnen weer nieuwe levensvormen worden gecreëerd. Mijn energie verdwijnt dus niet. Ergens, tot op zekere hoogte, blijf ik bestaan.

Dan begint het harder te waaien en te regenen en wordt de paraplu bijna uit mijn handen gerukt. Opletten en doorstappen. Bovendien moet ik nodig pinkelen, maar zie daar op deze groene vlakte niet een-twee-drie een geschikt plekje voor.

Kealledykje, Lekkum, 2017 © Ton van ‘t Hof

Over de zorg voor zichzelf (1)

Om nog beter inzicht in Foucaults interpretatie van de klassieke ‘zorg voor zichzelf’ te krijgen, lees ik momenteel Breekbare vrijheid: De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf (Boom/Parrèsia, ed. 1998), waarin enkele belangrijke teksten van zijn hand over dit onderwerp zijn opgenomen.

Foucaults De moed tot waarheid: Het bestuur van zichzelf en de anderen II (Boom, 2009) wekte mijn belangstelling voor dit onderwerp en Wilhelm Schmids Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2005) vergrootte die.

Voor de Grieken was de zorg voor zichzelf – meester worden over eigen gedrag, emoties en gedachten – van fundamenteel belang voor het functioneren van de gemeenschap en vormde de primaire grondslag voor de levenskunst. Een kunst die lang aan de vergetelheid is prijsgegeven, maar vandaag de dag weer in de mode raakt.

Wat levenskunst zo interessant maakt voor een seculiere samenleving zijn de mogelijkheden die zij het individu biedt om ‘een eigen levensstijl en een eigen moraal te ontwerpen.’

Maar nog even terug naar de geschiedenis. Met de opkomst van het christendom vond langzaam een aandachtsverschuiving plaats: van de klassieke zorg voor zichzelf naar een christelijke ‘liefdevolle gerichtheid’ op de ander, die uiteindelijk zelfs afstevende op een verloochening van het zelf. Een opvatting die nog altijd doorwerkt op wat wij thans moreel ‘goed’ vinden. Foucault zegt hierover:

‘Voor ons is het moeilijk om een strikte moraal en strenge beginselen te baseren op het voorschrift beter voor onszelf te zorgen dan voor wat ook ter wereld. We zijn eerder geneigd om de zorg voor zichzelf als immoreel te beschouwen, als middel om zich te onttrekken aan allerhande regels. We zijn de erfgenamen van een christelijke moraal die zelfverloochening als voorwaarde voor verlossing stelt.’

Toen ik dit las moest ik terugdenken aan mijn militaire opleiding. Vrijwel elke militaire inspanning is een groepsgebeuren en overstijgt individuele belangen. Toch wordt iedere militair afgericht om in menig opzicht eerst zorg voor zichzelf te dragen en dan pas voor anderen. Een zelfpraktijk die ook, of misschien wel vooral, ten dienste staat van de groep. Het draait dan met name om zorg voor eigen gezondheid en eigen veiligheid; aan een zieke, gewonde of dode soldaat heeft niemand iets. Dit kan betekenen dat je soms, in extreme omstandigheden, uit eigen- én groepsbelang, makkers aan hun lot moet overlaten.

Vanuit deze vaardigheid versta ik de samenhang beter, die de oude Grieken zagen tussen de zorg voor zichzelf en het functioneren van de gemeenschap.

En er schoot me nog iets te binnen. Na het vallen van de Muur in 1989 veranderde de taakstelling van de krijgsmacht drastisch. De verdediging van het eigen en NAVO grondgebied werd ondergeschikt aan de bevordering van Westerse belangen waar ook ter wereld. We gingen expeditionair. Plotsklaps werd er een groter beroep dan voorheen gedaan op de opofferingsgezindheid, het zelfverloochenende vermogen, van de militair. Het achterstellen van je eigen belangen of gevoelens ten gunste van familie of landgenoten gaat velen toch gemakkelijker af dan het wagen van je leven voor volstrekte vreemden of een bestuurlijke abstractie. Met name tijdens mijn uitzending naar Afghanistan heb ik geworsteld met de politieke en economische overwegingen die, in morele bewoordingen verpakt, tot Westers ingrijpen leidden. Een neerslag hiervan is terug te vinden in mijn bundel Aan een ster / she argued.

Ik vraag me nu af in hoeverre mijn besef van eer en plicht toentertijd, dat me in Kandahar terzijde stond, op een christelijke moraal stoelde. En of dat besef intussen veranderd is.

Nog altijd op zoek naar het beste boek van de wereld (zie o.a. dit bericht) kom ik in Maarten van der Graaffs debuutroman Wormen en engelen (Atlas Contact, 2017) de volgende passage tegen:

‘Het maakt uit of en aan wie je een verhaal vertelt. Zowel jouw leven als dat van de ander zal erdoor veranderen. Soms begrijp ik hoe ingrijpend het eigenlijk is om gesprekken te voeren waarin je daadwerkelijk iets wil verduidelijken. Het lijkt simpel, maar dat is het niet.’

Een boek schrijven is inderdaad niet simpel, laat staan een goed, extraordinair of zelfs levensveranderend boek. Het boek dat in aanmerking wil komen voor ‘het beste boek van de wereld’ dat ík ooit gelezen heb zal van die laatste orde moeten zijn: levensveranderend. Dat boek zal op zijn minst mijn leven blijvend veranderd moeten hebben.

En er zijn al boeken die dat hebben gedaan. Ze staan in mijn boekenkast. Vijf boeken van vijf blanke mannen (over dit laatste ontluisterende feit volgt nog een bericht). Twee dichtbundels, twee filosofische werken en één roman. In willekeurige volgorde (inclusief jaartal waarin het oorspronkelijke boek voor het eerst werd gepubliceerd):

  • Hotel Lautréamont, John Ashbery, 1992
  • De bot, Günther Grass, 1977
  • Handboek voor de levenskunst, Wilhelm Schmid, 2004
  • Kosmopolis: Verborgen agenda van de Moderne Tijd, Stephen Toulmin, 1990
  • Of Being Numerous, George Oppen, 1968

Na Oppen en Ashbery ben ik andere poëzie gaan schrijven, Grass en Toulmin hebben mijn kijk op de Westerse geschiedenis ingrijpend veranderd en door Schmid ben ik anders gaan leven.

Een levensveranderd boek of vijf op driekwart mensenleven. Dat moet beter kunnen.

In de komende jaren zou ik nog graag een dozijn van dit soort boeken willen lezen. Maar hoe kom ik eraan?

Oké. Vooruit dan: ik ben een controlfreak. Geen extreem geval, maar toch eentje die een behoorlijk aantal onzekerheden wil uitbannen. Omdat ik niet graag iets kwijtraak, geef ik veel dingen een vaste plaats. Omdat ik overzicht wil blijven houden, structureer ik onophoudelijk zaken.

Deze ordentelijkheid strekt zich ook tot mijn boekenkast uit: ik rangschik boeken op auteursnaam, niet op genre, en volgens de letters van het alfabet. Op een van de laatste planken ligt een ongeordend stapeltje lectuur: de boeken die nog gelezen moeten worden.

Nu ik na enige maanden afwezigheid weer bij Goodreads terugben, heb ik grote drang om deze ongelezen lectuur op mijn Want-to-Read-lijstje te zetten. Verzet hiertegen heeft, weet ik, geen enkele zin. Daar word ik alleen maar ongedurig van. Dit zijn ze dan:

  • Adder onder adders: Mijn jeugd tijdens de Russische revolutie, Victor Alexandrov, De Arbeiderspers, 1966
  • T as in Thether, David Bromige, Chax Press, 2002
  • Flarf: An Anthology of Flarf, red. Drew Gardner e.a., Edge, 2017
  • Vet hart, Koenraad Goudeseune, Bokeh, 2016
  • De stem op de 3e etage, Gerrit Kouwenaar, Querido, 1960
  • 21 Poems, George Oppen, New Directions, 2017
  • The Selected Letters of George Oppen, red. Rachel Blau DuPlessis, Duke University Press, 1990
  • Verder struinen op IJsland, Ruud Schaafsma, eigen beheer, 2016
  • Gelatenheid, Wilhelm Schmid, De Bezige Bij, 2015
  • Monet or the Triumph of Impressionism, Daniel Wildenstein, Taschen, 2010
  • Walking the Himalayas, Levison Wood, Hodder & Stoughton, 2017