Schuimkoppen

Droomde over vleermuizen, die verdomd veel gelijkenis vertoonden met bonte spechten. Maar het waren vleermuizen.

Hakte, achterin de tuin, driemaal een gat in vooroorlogse funderingen, ter plaatsing van een gietijzeren slagershek waaraan ooit gerookte hammen hingen. Nu laten we er een bruidssluier tegenop groeien.

Meeuwen, ik zie de laatste weken opvallend veel meeuwen rondom ons huis.

Satan is het kapitalisme, las ik in een boek, en internet een valkuil. Je kunt erom lachen en denken dat ik rare boeken lees, maar met een voorstelling van het kapitalisme als veelkoppig en vraatzuchtig monster doe je de waarheid nauwelijks geweld aan, en sinds ik me heb teruggetrokken op een plek waar je nog rust kunt vinden is mijn schermtijd sterk gedaald. Overigens zou ik de boel wel, als het mijn boek zou zijn geweest, anders hebben verwoord.

Op en neer naar Bartlehiem gefietst, schuimkoppen op de Dokkumer Ee. Mijn moeder noemde een pony meneer, een boot beest, paarden mannen, geiten hertjes en een hond poes. En ik begreep haar volkomen.

Foudgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Manifestatie

Ik moet het zo goed mogelijk verwoorden. Dat is mijn taak.

Nog voor zevenen vanochtend lag er al 1500 kg grind op me te wachten, die ik met groot gemak verplaatste.

Kapot was ik, naderhand.

Daarop: ‘Verkeersboete, beschikking. Door u te betalen: € 69,00.’

En ik wilde nog iets vastleggen over Augustinus, van Hippo. Dat hij zocht naar een methode om raadselachtige teksten te verklaren.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Gespleten

Hoe de wereld zich openbaart aan mijn bewustzijn en dat helder verwoorden.

Mijn mensbeeld? Gespleten.

Intuïtief tuinieren, noemde ze het. Ze had honderden tuinboeken gelezen, er enkele basisprincipes uit afgeleid – planten hebben grond, licht en water nodig – en alle andere, veelal tegenstrijdige adviezen overboord gegooid. Sindsdien tuinierde ze op gevoel, en veertig jaar ervaring.

Intuïtief tuinieren. Ik voel er wel voor. (Wat eigenlijk een pragmatische insteek is: ik kom als 61-jarig groentje namelijk nooit meer aan honderden tuinboeken toe.)

What about intuïtief schrijven? Bestrooid met eigentijds zout.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Nergens gedonder

‘Een groenling of een tjiftjaf,’ zei Albert gedecideerd. Ik had hem een foto gestuurd van enkele minuscule veertjes die Bo gisteren van de vogel had overgelaten.
‘Je moet haar een kattebelletje omdoen,’ voegde hij toe.
‘Maar,’ wierp ik op, ‘als het om muizen gaat is ze onmisbaar.’
‘Last van muizen? Hang een kerkuilenkast op!’ was Alberts oplossing. Wat ik eigenlijk best wel een goed idee vond.

Mijn jongste zus en zwager zijn op bezoek geweest. Ze waren ietsepietsje zwaarder geworden (hét coronakilootje) maar o zo relaxed.

De koele lucht gaf tijdens de middagwandeling extra kilometers zicht en extra heldere kleuren. En nergens gedonder, alleen wat gepor tussen halmen onderling.

Waaxens, 2020 © Ton van ’t Hof

Het lawaai van groei

Verlangen naar wat echt is, vaststaand, waargebeurd. Selin Kuşçu ging op zoek en werd wijzer. In 0,78 doet ze daar verslag van. Ze rukt maskers af van Robert Cappa en Britney Spears en probeert in Duitsland een boom te vinden, waarin in 1945 een Amerikaanse paratroeper met zijn parachute belandde. Vlot en met een geheel eigen gevoeligheid geschreven.

De zon en ik waren al vroeg op. Na de gebruikelijke ochtendrituelen verrichtte ik in een snel opwarmende achtertuin enig metselwerk, een karweitje dat al een poosje op me lag te wachten. Niet dat ik een hekel heb aan metselen, integendeel – de betovergrootvader en oudvader van mijn stamreeks hadden van metselen zelfs hun beroep gemaakt – maar er waren dingetjes tussendoor gekomen.

Na gedane arbeid is het goed rusten. Vlak voor de lunch maakte ik een eerste opzetje voor een opstel over de invloed die het werk van George Oppen, dat ik tijdens mijn verblijf in Afghanistan (2008-2009) leerde kennen, uitoefende op (1) mijn poëtica en (2) mijn kijk op het Westerse ingrijpen in dat verscheurde Centraal-Aziatische land.

Omdat ik er een aardige recensie van had gelezen, haalde ik vanmiddag Sacha Bronwassers debuut Niets is gelogen uit de bibliotheek. Weer thuis zette ik thee en begon te lezen. Tot bladzijde 36. Waarna ik het boek vanwege een overdaad aan jachtig geklets weglegde.

‘Tussen de doffe / geluiden van de levenden / het lawaai van groei waaraan we ons bezit / te danken hebben.’ – George Oppen

Inzendbarrière

Literatuur moet opwindend zijn en ambitieus en iets beweren. Ik heb me gisteravond mateloos geërgerd aan deze opmerking en de plaatser binnensmonds uitgemaakt voor een stuk onbenul.

Vanochtend werd ik op de fiets, tas met boodschappen aan het stuur, in één keer en uit het niets overmand door droefheid over de dingen die voorbijgaan. Soms heb ik dat.

Een van onze poezen poept geregeld in ons grindbed. Meestal zie ik de drol tijdig liggen en ruim hem op voordat iemand erin kan stappen. Vanochtend dus niet.

Godsamme, ik zit weer in zo’n periode waarin ik niets kan laten staan. Dus dronk ik een glas witte wijn bij de lunch die ik dus afsloot met koffie en een stuk chocolade.

De Grote Poëzieprijs wil van inzendingen in eigen beheer af. Maar de organisatie wil dat nog niet toegeven. Daarom werpt ze barrières op. Wie dit jaar zijn of haar in eigen beheer uitgegeven bundel wil insturen, dient niet alleen € 50 te betalen, maar moet ook minimaal 250 exemplaren hebben laten drukken van zijn of haar boek. Dit geldt overigens ook voor gerenommeerde uitgevers. Wat vreemder is dan het lijkt: slechts sporadisch worden van Nederlandstalige bundels meer dan 250 exemplaren verkocht.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Het zoute wonder van de schoonheid

Gerbrand Bakkers De 3 bestaat niet is literair entertainment van het hogere niveau, waar ik gisteravond een halve rol chocoladebiscuits bij opvrat.

De tuin mijn stadion wuifde vanochtend, jubelde.

Online kwam Bert Voetens dichtbundel De tijd te lijf ter sprake, die in 1961 verscheen. Ik pakte de bundel uit de kast en bladerde meteen door naar de tweede afdeling, waarin Voeten zijn verhaal doet van een gedane reis naar Normandië en Bretagne. Hij is hier op dreef, weet deze streken, die ik goed ken, trefzeker te versificeren, bijna elk beeld is raak. Hieronder een strofe uit het gedicht ‘Bretonse namiddag’:

Elke middag zie ik de val van het water,
de terugtocht naar de slikkende oceaan.
De herhaling is nooit eentonig. Elke keer
glanst het zoute wonder van de schoonheid anders.

En dan onze vijver: ik pompte er vandaag duizend liter kraanwater in. Morgen optooien met (water)planten.

De koe met gekneusde heup stond zowaar weer op vier poten! Ze keek me aan alsof er niets gebeurd was.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Van de wereld

De bomen met hun volle bladerkronen zwiepten als in trance geraakte dansers vervaarlijk rond. Zou het hier vroeger ook zó vaak zó hard hebben gewaaid?

David Marksons Reader’s Block is een knap staaltje ritmisch mompelen; experiment geslaagd.

Grote schrijvers verstaan niet alleen hun vak, oreerde Longinus, maar ze zijn ook grillig en geniaal.

De koe met gekneusde heup ligt nog altijd buiten in het gras, vredig te malen. Volgens Foppe komt ze er wel weer bovenop. Ze wordt dagelijks met een mobiele melkmachine gemolken.

Als je loopt, of tuiniert, ben je eigenlijk even van de wereld. Zei Gerbrand Bakker.

Bankroet

Gisteravond flitsten tientallen zwaluwen door onze tuin, waar het kennelijk barstte van de insecten.

Poëzie is een vak, dicteerde Horatius, dat doorzettingsvermogen en zelfopoffering vereist.

Kwam twee oudouders op het spoor: Geertruid Jans Huizingh (1804-1853) en Hendrik Lucas Thijs (1792-1856), die bijna tweehonderd jaar geleden in Rolde, Drenthe, met elkaar trouwden. Geertruid was huismoeder van beroep, Hendrik landbouwer.

Wat niet bestaat, een goed gedicht dat nergens over gaat.

Als Hennie en ik niet bankroet willen gaan, zullen we moeten leren stekken.

Doopakte van oudouder Hendrik Lucas Thijs, geboren in 1792 te Witten, Drenthe

Lus om het achterlijf

Een uienvlieg bracht de nacht door op een van onze spoorbloemen, zijn ogen zo rood als koper.

Goede poëzie, beweerde Aristoteles, heeft een louterend effect op haar toehoorders.

Bij het graven van een gat voor een waterbekken stuitte ik op overblijfselen van een oudere terpcultuur, uit de tijd dat stroomdraad nog met katoen werd omsponnen. Na enkele uren graafwerk in de Friese klei kon ik overigens geen pap meer zeggen.

In het weiland tegenover ons ligt al enkele dagen een koe met een gekneusde heup. Met behulp van een vorkheftruck en een touw wordt ze regelmatig overeind geholpen, lus om het achterlijf zodat haar achterpoten nog juist de grond raken.

Leffe brune.