Robert Archambeau over dichters en het verlangen naar macht

‘You have to be far removed from actual legislators to pin your hopes on a small scale, but just possibly viral, influence on public opinion.’

Niets menselijks is dichters vreemd: een aantal laat zich graag gelden. In zijn essay When Poets Dream of Power uit zijn essaybundel The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World (2013) behandelt dichter, criticus en universitair hoofddocent Robert Archambeau (1968) historische relaties tussen dichters en macht.

Na het elizabethaanse tijdperk (1558-1603) te hebben aangestipt – toen ‘de overlap van machtselite met vooraanstaande dichterskringen aanzienlijk was’ – bespreekt Archambeau een reeks sleutelfiguren uit de Engelstalige poëzie, van Alexander Pope (1688-1744) tot Robert Pinsky (1940).

In de 18e eeuw brokkelde het ‘aristocratische patronage’ af, deed marktwerking haar intrede en slonk de directe invloed van dichters op politieke aangelegenheden. Pope verzette zich hier volgens Archambeau in woord en geschrift tegen:

‘[He] dreamed of himself as a kind of spiritual and moral advisor, not speaking directly on matters of immediate political urgency, but offering general principals that might inform the decisions of the powerful.’

In Percy Bysshe Shelley’s (1792-1822) Defense of Poetry bespeurt Archambeau andermaal een poging om de voortschrijdende verwijdering tussen dichters en het centrum van de macht een halt toe te roepen. Shelley poneerde dat poëzie inspireert tot nieuwe denkwijzen die zich van poëzielezers uitspreiden over anderen. ‘Maar,’ repliceert Archambeau, ‘er is geen bewijs dat deze beïnvloeding ook daadwerkelijk plaatsvindt.’

De Engelse hofdichter Alfred Tennyson (1809-1892) hinkte op twee gedachten. Enerzijds greep hij terug op Pope’s idee van de dichter als publieke moralist, anderzijds  was hij loyaal aan de romantische gedachte van de bard als afkerige buitenstaander. 

‘Tennyson spent a lifetime at war with himself, his intellectual and aesthetic inheritance ever at odds with the social role he was asked to play, and was so richly rewarded—in sales, in status, in honors—for playing.’

De modernisten bewogen zich vrijwel helemaal niet meer in de voornaamste kringen maar verlangden wel naar impact van hun poëzie. Volgens Ezra Pound (1885-1972) was de groeiende massacultuur mede debet aan de vervagende rol van de dichter. In een noodsprong bestempelde Pound de literati tot bewindvoerders over de betekenis van woorden. Waarop Archambeau terugkaatst:

‘Pound isn’t reasoning here so much as he’s dreaming of a way for the things he loves to be important not just to him, but to the polity at large. There is a kind of will-to-power at work here, and a compensatory gesture—the sort of thing Seamus Heaney, in a very different context, would call “pap for the dispossessed”—the dispossessed in the present instance being poets in modernity.’

Ezra Pound

De diepgelovige T.S. Eliot (1888-1965) bood een andere oplossing voor de machteloze dichter: terugkeer naar een premoderne christelijke wereld waarin de schrijver een culturele en sociale spilfunctie vervult. Hierover merkt Archambeau op:

‘Instead of dreaming of an unrealistic power within the existing society, [like Pound and Shelley], Eliot dreams of an entirely plausible kind of power—in a society that doesn’t exist.’

Tot slot Pinsky. In zijn lange gedicht An Explanation of America (1979) onderzoekt hij mogelijke rollen die de dichter in smeltkroes Amerika zou kunnen vervullen. Aan elke mogelijkheid die de revue passeert twijfelt Pinsky; macht corrumpeert. Pinsky’s twijfel bevalt Archambeau wel:

‘Whatever its feasibility in our time may be, perhaps the most admirable thing about Pinsky’s dream of how he might make poetry relate to power is his doubting of his own dream, his consciousness of how even the most idealistic poets have betrayed their best selves through their co-optation by political power.’

Wees blij dat poëzie geen zin heeft.

The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World, Robert Archambeau (The University of Akron Press, 2013, ISBN 978-1-937378-41-7)

08.44 u. In dromen die ik me herinner weet ik meestal dat ik droom. Ik droom dan dus dat ik droom. Vannacht kwam ik daar pas op het allerlaatste moment achter, toen ik in een absurde levensbedreigende situatie terechtkwam. ‘Dit kan niet!’ riep ik uit, waarmee ik zowel naar de absurditeit als mijn naderende dood verwees. ‘Ik moet dromen!’ Dat was het moment waarop ik me realiseerde dat dat inderdaad weleens het geval zou kunnen zijn en me bewust uit mijn droom begon los te maken. Wat een ware worsteling was, die me nog duidelijk voor ogen staat: iemand, van wie ik me nog afvroeg of het de duivel was, hing om mijn nek en probeerde me tegen te houden. En ik maar schreeuwen: ‘Dus jij wil mijn dood, dus jij wil mijn dood!’

12.26 u. Uurtje door de stad gewandeld, boodschappen gedaan. Nagedacht over een uitspraak van T.S. Eliot; ik parafraseer:

De vraag of een gedicht goed is, impliceert telkens weer de vraag wat poëzie is. En omgekeerd.

Op deze vragen zijn, denk ik, alleen particuliere antwoorden mogelijk. Antwoorden waarbij de eigen waarden een rol spelen: welke betekenissen hecht je aan dingen? Misschien draaien we daarom zo vaak om deze kwestie heen: omdat antwoord geven op de vraag wat poëzie is, gelijk staat aan jezelf blootgeven. Toch zouden we dat wat vaker moeten doen. Zo stoor ik me aan bloemlezingen – ‘selectie van de beste werken of fragmenten van een of meer schrijvers’ – waarin de keuze niet vanuit een persoonlijke invalshoek wordt gemotiveerd, er geen poging wordt ondernomen om onder openbaring van eigen waarden het keuzeproces inzichtelijk te maken. Maak me duidelijk, zou ik bloemlezers willen meegeven, waarom je tot deze en niet tot een andere selectie gekomen bent. Toon me je werk! Dáár ben ik in geïnteresseerd.

16.21 u. Bulgursalade bereid, voor onze straatparty vanavond: ‘Net als vorig jaar zal De Reizende Kookvrouw Jolanda voor ons heerlijke, op hout gestookte, Napolitaanse pizza’s bakken.’

A2E24820-5734-485A-BC76-C0690E821604
Ossekop, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof