08.44 u. In dromen die ik me herinner weet ik meestal dat ik droom. Ik droom dan dus dat ik droom. Vannacht kwam ik daar pas op het allerlaatste moment achter, toen ik in een absurde levensbedreigende situatie terechtkwam. ‘Dit kan niet!’ riep ik uit, waarmee ik zowel naar de absurditeit als mijn naderende dood verwees. ‘Ik moet dromen!’ Dat was het moment waarop ik me realiseerde dat dat inderdaad weleens het geval zou kunnen zijn en me bewust uit mijn droom begon los te maken. Wat een ware worsteling was, die me nog duidelijk voor ogen staat: iemand, van wie ik me nog afvroeg of het de duivel was, hing om mijn nek en probeerde me tegen te houden. En ik maar schreeuwen: ‘Dus jij wil mijn dood, dus jij wil mijn dood!’

12.26 u. Uurtje door de stad gewandeld, boodschappen gedaan. Nagedacht over een uitspraak van T.S. Eliot; ik parafraseer:

De vraag of een gedicht goed is, impliceert telkens weer de vraag wat poëzie is. En omgekeerd.

Op deze vragen zijn, denk ik, alleen particuliere antwoorden mogelijk. Antwoorden waarbij de eigen waarden een rol spelen: welke betekenissen hecht je aan dingen? Misschien draaien we daarom zo vaak om deze kwestie heen: omdat antwoord geven op de vraag wat poëzie is, gelijk staat aan jezelf blootgeven. Toch zouden we dat wat vaker moeten doen. Zo stoor ik me aan bloemlezingen – ‘selectie van de beste werken of fragmenten van een of meer schrijvers’ – waarin de keuze niet vanuit een persoonlijke invalshoek wordt gemotiveerd, er geen poging wordt ondernomen om onder openbaring van eigen waarden het keuzeproces inzichtelijk te maken. Maak me duidelijk, zou ik bloemlezers willen meegeven, waarom je tot deze en niet tot een andere selectie gekomen bent. Toon me je werk! Dáár ben ik in geïnteresseerd.

16.21 u. Bulgursalade bereid, voor onze straatparty vanavond: ‘Net als vorig jaar zal De Reizende Kookvrouw Jolanda voor ons heerlijke, op hout gestookte, Napolitaanse pizza’s bakken.’

A2E24820-5734-485A-BC76-C0690E821604
Ossekop, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof