Trouwfoto van mijn ouders (voor de wet)

Mijn ouders trouwden in 1957, eerst voor de wet (14 november) en veertien dagen later voor de kerk (28 november). Ze hebben de laatste datum altijd als hun trouwdatum aangehouden. ‘Wanneer zijn jullie getrouwd, pa?’ ‘28 november 1957, jongen.’

Mijn moeder was toentertijd 22 en mijn vader op een haar na 24. Ze trouwden vanuit hun ouderlijke huizen, beide gelegen aan de Botstraat in Eindhoven. Ze hadden al jaren verkering.

Op onderstaande foto zijn mijn vader en moeder te zien (zittend), de ouders van mijn moeder (links) en die van mijn vader. Ik gok dat de foto, gezien de kleding die ze dragen, is gemaakt op 14 november, de dag dat ze voor de wet trouwden, maar weet dat geenszins zeker.

Je wilt een verhaal hebben, hè.

Ma over een ontzielde worm

Tijdens de wandeling vanochtend, het waaide hard, boog ma zich over een worm die ontzield op de weg lag. Achter ons vlogen honderden meeuwen uit het drassige land op, twee windmolens piepten. Ze keek aandachtig naar de worm en merkte op: ‘Die doet het niet meer.’

Tytsjerk, 2020 © Ton van ’t Hof

Met ma door Brantgum gewandeld, waarnaar Hennie en ik over twee en een halve week zullen verkassen. In de veelal oude woninkjes wonen circa 250 mensen. Het dorpje ligt in een van de mooiste maar ook onbemiddeldste streken van Friesland. Menig erf kan een opknapbeurt gebruiken. Toen ik ma op de terugweg vroeg wat ze ervan gevonden had zei ze kritisch: ‘Over het algemeen zijn het de lelijkste huizen.’

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Nijmegen, net na de bevrijding schat ik. Links staat mijn moeder, rechts haar hartsvriendin Els, die met de broer van mijn vader zou trouwen en veel te vroeg van ons heen is gegaan. Ze hebben nette kleren aan, poseren, Els lachend, mijn moeder met een wat ernstigere blik; zoals ik ze later ook zou leren kennen. Zou het leven hebben gebracht wat ze ervan verwachtten? Sommige dromen zullen zijn uitgekomen, andere niet. Opvallend: dat ding dat boven hun hoofd hangt.

Ria Leupen (links) & Els Coerwinkel, Nijmegen, ca. 1945

Bezorgd keek mijn moeder vanochtend van de overvolle winkelwagen naar de achterkant van onze auto. Ik had haar meegenomen naar AH, waar ik kerstboodschappen haalde. ‘Dit is voor vijf of zes dagen, hoor!’ zei ik. ‘Ja maar die dingen,’ ze wees naar de achterbanden, ‘die worden straks veel te plat!’

Daarna haardhout gehaald, speciale biertjes en boeken uit de bieb.

Keek naar filmpjes van autoritjes door Amerikaanse sloppenwijken en kreeg er een ongemakkelijk gevoel bij.

Omdat er naar gevraagd werd: we gaan half april Citroën rijden.

‘Het is een angstwekkend wegkwijnen van alle vermogens waarmee wij op de wereld gericht zijn – om te beginnen met de gemeenschapszin en het gezond mensenverstand, waarmee we ons in de gemeenschappelijke wereld oriënteren, tot onze zin voor schoonheid of onze smaak, waarmee we de wereld liefhebben.’

Hannah Arendt

Gewandeld in de buurt van Wanswert. Ma was niet helemaal tevreden met de route die ik had uitgezocht: te veel modder, te veel schapenkeutels & ganzenpoep. 

Ocharm, Jules.

Met de otter gaat het gelukkig beter. Het prachtdier kwam eind vorige eeuw niet meer voor in Nederland, maar dankzij een herintroductieprogramma zijn ze er weer: zo’n vierhonderd stuks en de populatie is nog steeds groeiende.

Wanswert, 2019 © Ton van ’t Hof

Met ma de polder in geweest, waar we werden getroffen door een sterk wisselvallig weertype. Ze leed er niet onder.

Over Nijhoffs ‘De Moeder de Vrouw’ zijn heel wat meningen gegeven, zinnige en onzinnige naar het schijnt. Bij deze meningen plaatst dichter-schrijver Andreas Oosthoek in De Moeder de Vrouw. Mythe en misverstand rond het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff (2019) enkele kritische opmerkingen.

Oosthoek bezit de auteursrechten op het werk van Nijhoff en woont thans in het huis te Valkenisse, Zeeland, waarin ook Nijhoff ooit woonde.

In de jaren dertig van de vorige eeuw bracht Nijhoff regelmatig een bezoek aan zijn zus Pien, die toentertijd in Zaltbommel resideerde. Hij heeft de oude Bommelse Brug, die in 1933 werd geopend, gebouwd zien worden. ‘De Moeder de Vrouw’ werd in 1934 voor het eerst gepubliceerd.

Oosthoek zocht Pien in 1978 op voor een ‘kort & klein’ vraaggesprek, waarin zij een deel van de misverstanden over Nijhoffs gedicht weet op te helderen:

‘Neen, ik zie rond Bommel geen mythologische landschappen heersen, hogere machten en krachten, of zelfs de overgang naar de onderwereld. Ik zie het gedicht veel zakelijker, als het dagboekblad van een reiziger zonder exquise vooruitzichten of buitenissige ervaringen.’

Oosthoek schreef voor een Nijhoffleek als ik een onderhoudend boekje.

Aldtsjerk, 2019 © Ton van ’t Hof