Kleine mensen

Wandelde vanochtend met ma door een villawijkje in Gytsjerk, langs grote, goed onderhouden, veelal saaie vrijstaande woonhuizen op ruime kavels. Elke plant binnen handbereik werd door haar aan een onderzoek onderworpen, op knoppen en vormgeving beoordeeld. Bij een allerliefst houten huisje, een stuk kleiner dan de rest, bleef ze gebiologeerd staan, vinger aan de onderlip. Het duurde even, maar toen toch: ‘Wonen hier kleine mensen?’

Vanmiddag gesloopt. Vervolgens een biertje gedronken. Rindert van de overkant kwam nog effe langs. Ze hadden, vanwege een veronachtzaamde ontsteking, een van zijn vingernagels verwijderd. Hij was er niet van onder de indruk: ‘It wie al de tredde.’

Ons huis (dat witte) in Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Voorjaarsweertje

Toen ik aankwam was ze samen met de tuinman rozen aan het snoeien. Op de bovenkant van haar hand zat een jaap, waar ze om moest lachen. De zon scheen uitbundig en ze had zin om te wandelen, naar de windmolens in de verte. Of we daar al een keertje waren geweest? Ja hoor ma, antwoordde ik, meer dan eens.

Bartlehiem, 2020 © Ton van ’t Hof

Afgebeuld

Ochtend. Donderwolken trokken gejaagd voorbij. De tuin werd door een krachtige wind flink door elkaar gerammeld. Ik zag geen vogels. Hoorde ze ook niet. Wel was er een narcis ontloken, de eerste. Dan toch: achter onze bomen, boven het weiland: een vlucht spreeuwen, pijlsnel. Het vaantje van de buurman wees aan dat de wind varieerde van west tot westnoordwest.

Registreerde, terwijl ik koffie dronk en naar buiten keek, een te veel aan spierspanningen in mijn rug, schouders en nek. Realiseerde me dat ik de afgelopen weken hard werken heb verward met afbeulen. Ik moet wat gas terugnemen. Hennie trouwens ook.

Bij ma aangewipt en haar meegenomen naar autowasserette en Appie Heijn. Op de terugweg smulde ze van een Bounty.

Middag. Wind ietsje afgenomen, zon kwam vaker tevoorschijn. Gewapend met snoeischaar en schep de tuin verder in model gebracht. Tien kuubs container inmiddels nagenoeg vol met snoeiafval.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Lentekriebels

Geef ma een snoeischaar …

Zachte schoenen

‘Ja,’ zei ma in de schoenenwinkel, ‘deze zijn goed.’ Ze liep nog een rondje en gebaarde: ‘Toen ik nog een kind was had ik dat al, dat ze verschillend zijn, de ene zo groot en de andere kleiner. Maar deze schoenen zijn goed, ja, heel zacht.’

Trouwfoto van mijn ouders (voor de wet)

Mijn ouders trouwden in 1957, eerst voor de wet (14 november) en veertien dagen later voor de kerk (28 november). Ze hebben de laatste datum altijd als hun trouwdatum aangehouden. ‘Wanneer zijn jullie getrouwd, pa?’ ‘28 november 1957, jongen.’

Mijn moeder was toentertijd 22 en mijn vader op een haar na 24. Ze trouwden vanuit hun ouderlijke huizen, beide gelegen aan de Botstraat in Eindhoven. Ze hadden al jaren verkering.

Op onderstaande foto zijn mijn vader en moeder te zien (zittend), de ouders van mijn moeder (links) en die van mijn vader. Ik gok dat de foto, gezien de kleding die ze dragen, is gemaakt op 14 november, de dag dat ze voor de wet trouwden, maar weet dat geenszins zeker.

Je wilt een verhaal hebben, hè.

Ma over een ontzielde worm

Tijdens de wandeling vanochtend, het waaide hard, boog ma zich over een worm die ontzield op de weg lag. Achter ons vlogen honderden meeuwen uit het drassige land op, twee windmolens piepten. Ze keek aandachtig naar de worm en merkte op: ‘Die doet het niet meer.’

Tytsjerk, 2020 © Ton van ’t Hof