Het verlangen naar spetterend vers (3)

‘[G]a eindelijk De ontdekking van de hemel lezen’ gebiedt ‘Vrouwtje Winter’ in Martijn den Oudens openingsgedicht van zijn derde poëziebundel Een kogelvrije zomer, die in 2017 door Querido werd uitgebracht. Den Ouden was negen toen het magnum opus van Harry Mulisch (1927-2010) eind 1992 het licht zag. Ik kreeg De ontdekking van de hemel vers van de pers op pakjesavond van Sinterklaas cadeau. Glunderend moet ik, als Mulisch adept, naast de haard hebben gezeten. In de dagen erna heb ik het boek in één ruk uitgelezen en in euforische toestand op mijn stapeltje mee-te-nemen-boeken-naar-een-onbewoond-eiland gelegd. En daar ligt het nu nog steeds.

‘[D]at / nooit’ repliceert de ik-figuur in Den Oudens gedicht. Dit antwoord riep een herinnering bij me op aan een interview met Radna Fabias in De Groene Amsterdammer enkele weken terug, waarin ze iets soortgelijks zegt. Op de vraag welke schrijver ze het meest overschat vindt reageert ze als volgt:

‘Laat ik dan maar in de context van Nederlandse schrijvers blijven: Mulisch. Ik heb het nodige aan dwangvoer uit de Nederlandse literatuur gehad op de middelbare school en die man heeft me bijna van mijn leeslust beroofd. Je móést hem gelezen hebben, maar ik voelde ’m niet. Ik vind het vooral megalomaan.’

Ook nu weer vraag ik me af: wat bedoelt Fabias met het? Vind ze het oeuvre van Mulisch megalomaan? Of zijn gedrag wellicht? Of praat ze hier anderen klakkeloos na? Zou er onder jongere literatuurliefhebbers iets van een anti-Mulisch stemming heersen? En hoe zit dat dan met die andere twee van de Grote Drie, Willem Frederik Hermans en Gerard Reve? Vragen waarop ik geen antwoord heb. Ik kan slechts constateren dat verhoudingen zich lijken te wijzigen.

De eerste afdeling van Den Oudens bundel belooft overigens niet veel goeds: ik kan er geen touw aan vastknopen. Misschien wordt het een en ander nog duidelijk, later, of blijkt de exploratie van raadselachtigheid een thema te zijn.

Bij de mooie reeks woorden op p. 19 – ‘nabij de Noordpool buigen de regels’ – word ik evenwel wakker geschud: ook ík heb onbegrijpelijke gedichten geschreven, die ik nog steeds verdragen kan. En een deel van de poëzie van een van mijn helden, John Ashbery, kun je toch op zijn minst als mysterieus bestempelen. Dus waarom neem ik Den Ouden eigenlijk ondoorgrondelijkheid kwalijk? Ik wil het eigentijdse vers wel volledig onbevangen en oprecht tegemoet treden en proberen te verstaan, anders heeft mijn zoektocht en dus deze rubriek geen enkele waarde.

Bovendien, en dat merk ik nu al, leidt mijn gesnuffel tot een heroverweging van mijn opvattingen over poëzie. Deze rubriek gaat niet alleen over de poëzie van vandaag de dag maar net zo goed over mijzelf; het is niet anders.

Terug naar Den Ouden, maar dan wel met een schoongepoetste bril op.

3F0BD66C-8B89-4D80-80DF-2913FCBFB07F
Prinsentuin, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

In Een iets beschuttere plek misschien. Journaal lees ik dat Cyrille Offermans sinds 1987 een dagboek bijhoudt dat niet bestemd is voor de openbaarheid. ‘Ik noteer er,’ zegt hij, ‘in telegramstijl alle belangrijke correspondentie in. Ook alle vorderingen van het werk dat ik onder handen heb, of het nu om het tuinonderhoud of het opruimen van de garage gaat. En natuurlijk noteer ik de titels van de boeken die ik lees of zou moeten lezen en vooral wat ik schrijf, plus de daarmee gepaard gaande, al dan niet verwachte problemen, teleurstellingen, vreugdesprongetjes en voornemens. Veel ruimte is er natuurlijk voor bezoek aan en van de kinderen en kleinkinderen, ook van alle spannende, schokkende en amusante dingen die zij meemaken. Idem, maar minder uitgebreid, voor bezoek van en aan vrienden en bekenden (indien “van”, dan noteer ik, om herhaling op korte termijn te voorkomen, wat we hun te eten hebben voorgezet of in welk restaurant we zijn gaan eten), voor uitstapjes, bezoek aan bioscoop, theater, museum, galerie, concertzaal, telkens met korte inhoudsopgave en beoordeling. Relatief vaak maak ik melding van mijn sport-, dat wil zeggen: fietsprestaties. Van elke rit noteer ik route, afgelegde afstand, gemiddelde snelheid, weersomstandigheden, eventuele obstakels, pech onderweg en andere bijzonderheden […] Het dagboek dient ten slotte ook als medisch logboek. […] Angstvallig registreer ik elk pijntje en kwaaltje, compleet met de datum waarop het voor het eerst van zijn ongewenste aanwezigheid liet weten, en vooral zo nauwkeurig mogelijk waar en hoe.‘

Wauw. Ik dacht dat ík als dagboekschrijver weird was … maar dit is maniakaal! Offermans gebruikt zijn dagboek naar eigen zeggen louter als geheugensteuntje, enkel en alleen voor hemzelf. Als hij het leven laat moet het worden vernietigd: ‘Als ik ze t.z.t. niet al zelf door de versnipperaar heb gehaald, zal ik mijn kinderen vragen dat te doen.’

Het verlangen naar spetterend vers (2)

Nog even iets over het procedé. Ik maak aantekeningen terwijl ik een bundel lees. Ik lees een bundel maar één keer. Ik geef geen oordeel over een bundel als geheel. Ik ben op zoek naar het enkele eigentijdse vers dat me van mijn sokken blaast. Mijn smaak is de enige maatstaf. Ik zeg wat ik denk. Ik begin met het maken van aantekeningen waar ik de vorige keer opgehouden ben.

Terug dus naar Fabias’ poëzie, die vaak afstandelijk (koel, cynisch, bitter) is en, mede daardoor, maar sporadisch ontvlammen wil. (Ik vind het in dit verband jammer dat de diepere oorzaken van deze afstandelijkheid niet door de dichter worden afgetast.) Slechts een enkele keer word ik echt getroffen. Door het gedicht ‘gieser wildeman’ bijvoorbeeld, waarin op subtiele maar niet mis te verstane wijze wordt gevraagd om ieder mens in zijn of haar waarde te laten.

763FA5FE-836A-4893-AFD2-0F1C794CF3B7

Geen boek lees ik de laatste tijd meer uit. Overal in huis slingeren half uitgelezen exemplaren. Ook e-boeken moeten het ontgelden. Iets, ik weet niet wat, stookt onrust in mijn lijf.

Poëzie daarentegen … ik bedoel: ik dicht als de ziekte.

Overigens, in de beginjaren van dit millennium las ik nog met enige regelmaat een spetterend eigentijds gedicht. Zo eentje waarvan je dagen later nóg ondersteboven bent. Tegenwoordig kom ik ze steeds minder vaak tegen. Ik vraag me af: heeft het nog wel zin om naar ze uit te kijken? Misschien moet ik hier een rubriekje beginnen, waarin ik verslag doe van een zoektocht naar eigentijdse gedichten zonder weerga: Het verlangen naar spetterend vers.

Leende Habitus van Radna Fabias uit de online bieb.

Het verlangen naar spetterend vers (1)

Kom op p. 15 van Fabias’ Habitus een aardig gedicht tegen, dat helaas een gemankeerde staart heeft. Het is een typisch gevalletje van te ver doordrijven: er wordt te veel gezegd en te weinig aan de verbeelding overgelaten, waardoor het werkje inboet aan kracht. Fabias beschrijft hoe een ik-figuur ‘s nachts wordt geplaagd door wind en slagschaduwen op de muur tegenover het bed. Hij/zij probeert zijn/haar angst te onderdrukken door tweemaal te bezweren ‘vraag me niet of ik bang ben’ en eenmaal ‘ik geloof niet in geesten / vraag me niets’. Dan volgt de vierde en laatste strofe:

de zee is diep
ik stop alle angst in de kiezelstenen

De slotregel plempt het gedicht, gooit hem dicht. Ik zou die regel dan ook geschrapt hebben.

Na tamelijk clichématige beelden van een voormalig wingewest kom ik op p. 31 een spontaner kleinood tegen, dat je het drama van exploitatie ook voelen laat:

VADER

en de oude man ging naar de zee en de oude man ving niks meer en de oude man vond daar zijn nietigheid

FE2FB4A5-C73C-415D-88CB-E013EED9807B