Hamelen, Trapani & het eind

Had gisteravond plotseling een heftige aanval van eetlust.

Luisterde al kauwende naar een definitie van genialiteit.

Zette ‘Zomer, deel 3’ op mijn begrafenislijstje.

Trok ooit in Hamelen, Max Richters geboorteplaats, een stortbak van de muur.

Met m’n zatte kop.

Nee, nee, in Trapani, op Sicilië, was het een wastafel, op drie of vier hoog; ’t water gutste er langs muren naar beneden.

Lang, lang geleden.

Ik heb mijn lol wel gehad.

Al vroeg op de fiets geklommen vanochtend, ijs nog op de sloten, zonnig, zuidoost 4. Door het einde van de wereld gestoempt.

Waar stoppelige velden in wind gewikkeld zijn
en helder zoet water uit terpen vloeit.

Twee pimpelmezen bezichtigden het vogelhuisje dat ik gisteren ophing in een van onze eiken!

Las Tomaž Šalamuns Ik weet. Gedichten 1964-2014 uit. Absurdistische gedichten die niet absurd zijn: je gelooft ze! vertrouwt ze! en geeft na verloop van tijd het zoeken naar strekking op; zo vernuftig ongerijmd zijn ze. Heel goed werk. Vijf sterren.

Ternaard, 2020 © Ton van ’t Hof

Vandaag, een andere wereld

VANDAAG, EEN ANDERE WERELD

De boomverzorger heeft bepaald:
ouderdom   kevers   kanker
versneld door droogte
                maar in elk geval
niet te besnoeien   niet te behandelen   niet meer overeind te houden.

En dus.

De tak vanaf waar de sperwer en zijn baltsgedrag.

De stam waarop de mier.

De dertig meter hoge speelplaats van eekhoorns.

De bast   cambium   hars   dennennaalden.

De Japanse figuren   het inktpatroon.

De spikkels van bepaalde vissen.

Vandaag zal voor sommigen een wereld verdwijnen.
Eerst veel lawaai,
dan gewoon weer stilte.

De stilte van erna, als het theater leeg is.

Van verbijstering na de gletsjer,
de species, de ster.

Iets anders, op de schaal der levende dingen,
zal het vervangen,

dit gat van licht in het licht, de verbaasde vogels die eromheen cirkelen.

– Jane Hirshfield, uit Ledger: Poems (2020)

Onze oude es, die een dezer dagen een gat van licht zal achterlaten.

Tot de herfst, Steve Benson

Na de verhuizing borg ik mijn poëziebundels met handenvol tegelijk – snel en ongeordend – in mijn boekenkasten op. Nu is de tijd gekomen om ze te alfabetiseren. Ik neem ze één voor één op en zal hier, op mijn blog, telkens het openingsgedicht kort belichten, waarna de bundel op zijn plaats in de boekenkast zal worden gezet.

De 1e bundel die ik pak is Open Clothes van Steve Benson (Atelos, 2005). Benson is tien jaar ouder dan ik, geboren in Princeton, New Jersey, en wordt vaak gerekend tot de Amerikaanse Language beweging.

TOT DE HERFST

Het is winter
Kan ik regel voor regel een gedicht schrijven?
Ik kan alles
Toch hoop ik op meer
Ik hoop dat het wolkendek openbreekt
Wat zo gebeurd is
Het gebeurt in de komende tijd
Eén beeld tegelijk
De roerloze uitstalling van emotie
Gestrekt (de regels veranderen)
op rubbermatjes, glibberige
omweg
lompe wijze, draaiende
wijsheden op een stokje
we dubden
over stille wateren die overkookten
of onze roeiriemen, tijd
een stomme regel
loodrecht naar beneden
door een helder medium
niet voor honderd procent gebotteld
ademend
zwart en wit
Ik steek mijn hand uit, wil aanraken
weifelend, draaiend
even geblokkeerd
en daar blijk van gevend
terwijl ik een zootje glimpen
opvang
uitgefaseerd
vanwege stress
telkens weer anders
vandaag zeiknat, in silhouet
volledig afgemat, maar nog altijd
de haren in de fik
evenals de rest van me
er zijn plaatsen
watervliegtuigen
vliegen als bijen
vanaf planeten
lynchscènes
de mijne wellicht een futiel
teken op straat
vaag, wezenloos
bekrast
uit tumultueus verval
nauwelijks beroerd
door gespleten verwoestingen
totdat stuiptrekkingen
losbarsten in het duister
Wat is dit?
Straling, slik het
tot het einde toe
allerlei
vriendelijkheid ontvlamt
de met rozen bezette zon
de met roest bedekte mens
al eerder gebeten
door een waas

[24 januari 1998-27 februari 1999]

Bijzonder aan dit gedicht is de procedure die er aan ten grondslag ligt. In een noot zegt Benson hierover: ‘”Tot de herfst” is geschreven over een periode van dertien maanden, één regel tegelijk, op een stukje papier van 21,5 x 28 cm, dat ik elke dag in mijn achterzak droeg. Toen ik begon besloot ik dat ik zou proberen om elke regel uit een andere gelegenheid te laten voortkomen, zonder me daarbij te laten leiden door een of ander plan, thema of poëziebeginsel. Over het algemeen werden regels geschreven met tussenpozen van dagen of weken.’

‘Tot de herfst’ gaat ook over deze procedure, en meer algemeen over het schrijven van een gedicht. Dit vers wil geen verhaal vertellen, maar is een weerslag van zijn productieproces, een werdegang van zijn eigen ontstaan. Hoewel ik een liefhebber ben van dit soort poëzie weet dit gedicht me niet te treffen. Ondanks enkele fraaie regels en aardige vondsten blijft het geheel me te abstract, weet het maar niet over zijn dode punt heen te raken.

Aardser, toegankelijker ook

Vandaag in Dagblad van het Noorden & Leeuwarder Courant, rubriek Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven, een signalement van mijn nieuwe bundel door Joep van Ruiten:

Robert Archambeau over dichters en het verlangen naar macht

‘You have to be far removed from actual legislators to pin your hopes on a small scale, but just possibly viral, influence on public opinion.’

Niets menselijks is dichters vreemd: een aantal laat zich graag gelden. In zijn essay When Poets Dream of Power uit zijn essaybundel The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World (2013) behandelt dichter, criticus en universitair hoofddocent Robert Archambeau (1968) historische relaties tussen dichters en macht.

Na het elizabethaanse tijdperk (1558-1603) te hebben aangestipt – toen ‘de overlap van machtselite met vooraanstaande dichterskringen aanzienlijk was’ – bespreekt Archambeau een reeks sleutelfiguren uit de Engelstalige poëzie, van Alexander Pope (1688-1744) tot Robert Pinsky (1940).

In de 18e eeuw brokkelde het ‘aristocratische patronage’ af, deed marktwerking haar intrede en slonk de directe invloed van dichters op politieke aangelegenheden. Pope verzette zich hier volgens Archambeau in woord en geschrift tegen:

‘[He] dreamed of himself as a kind of spiritual and moral advisor, not speaking directly on matters of immediate political urgency, but offering general principals that might inform the decisions of the powerful.’

In Percy Bysshe Shelley’s (1792-1822) Defense of Poetry bespeurt Archambeau andermaal een poging om de voortschrijdende verwijdering tussen dichters en het centrum van de macht een halt toe te roepen. Shelley poneerde dat poëzie inspireert tot nieuwe denkwijzen die zich van poëzielezers uitspreiden over anderen. ‘Maar,’ repliceert Archambeau, ‘er is geen bewijs dat deze beïnvloeding ook daadwerkelijk plaatsvindt.’

De Engelse hofdichter Alfred Tennyson (1809-1892) hinkte op twee gedachten. Enerzijds greep hij terug op Pope’s idee van de dichter als publieke moralist, anderzijds  was hij loyaal aan de romantische gedachte van de bard als afkerige buitenstaander. 

‘Tennyson spent a lifetime at war with himself, his intellectual and aesthetic inheritance ever at odds with the social role he was asked to play, and was so richly rewarded—in sales, in status, in honors—for playing.’

De modernisten bewogen zich vrijwel helemaal niet meer in de voornaamste kringen maar verlangden wel naar impact van hun poëzie. Volgens Ezra Pound (1885-1972) was de groeiende massacultuur mede debet aan de vervagende rol van de dichter. In een noodsprong bestempelde Pound de literati tot bewindvoerders over de betekenis van woorden. Waarop Archambeau terugkaatst:

‘Pound isn’t reasoning here so much as he’s dreaming of a way for the things he loves to be important not just to him, but to the polity at large. There is a kind of will-to-power at work here, and a compensatory gesture—the sort of thing Seamus Heaney, in a very different context, would call “pap for the dispossessed”—the dispossessed in the present instance being poets in modernity.’

Ezra Pound

De diepgelovige T.S. Eliot (1888-1965) bood een andere oplossing voor de machteloze dichter: terugkeer naar een premoderne christelijke wereld waarin de schrijver een culturele en sociale spilfunctie vervult. Hierover merkt Archambeau op:

‘Instead of dreaming of an unrealistic power within the existing society, [like Pound and Shelley], Eliot dreams of an entirely plausible kind of power—in a society that doesn’t exist.’

Tot slot Pinsky. In zijn lange gedicht An Explanation of America (1979) onderzoekt hij mogelijke rollen die de dichter in smeltkroes Amerika zou kunnen vervullen. Aan elke mogelijkheid die de revue passeert twijfelt Pinsky; macht corrumpeert. Pinsky’s twijfel bevalt Archambeau wel:

‘Whatever its feasibility in our time may be, perhaps the most admirable thing about Pinsky’s dream of how he might make poetry relate to power is his doubting of his own dream, his consciousness of how even the most idealistic poets have betrayed their best selves through their co-optation by political power.’

Wees blij dat poëzie geen zin heeft.

The Poet Resigns: Poetry in a Difficult World, Robert Archambeau (The University of Akron Press, 2013, ISBN 978-1-937378-41-7)

Elke dag een nieuw begin.

Wat een van God gegeven vorm van optimisme is.

En iets met vrijheid te maken heeft,

en ook het geluk van de dichter als hij of zij een aanvang maakt met het schrijven van een volgend vers.

Vanochtend teruggekeerd uit Gorredijk waar rust en vrede heersten. Thuis twee nieuwe dichtbundels in de Gaia Chapbooksreeks gelanceerd, waaronder eentje van mijzelf. Het loslaten van Waar tijd al niet goed voor is deed me enerzijds pijn en anderzijds glimmen van trots.

Bovendien impliceert loslaten de mogelijkheid om opnieuw te beginnen,

fris en levendig en hoopvol!

Zeijen, 2020 © Ton van ’t Hof