Aanmoediging

Gisteren is Gert [de Jager] bij ons langs geweest. Hij zag er topfit uit. Uiteraard hebben we, goed geluimd en bij vlagen gematigd optimistisch, geboomd over poëzie en verwante zaken. Hij moedigde me aan om weer wat vaker over poëzie te schrijven, ik twijfelde.

Ik krijg weer een pens. Actie graag!

Mijn betovergrootouders Ludovicus Bartholomeus Baijens en Johanna Gertruda van Hooff, van wie ik gisteren een foto publiceerde, kregen zes zonen en een dochter. Vier (!) zonen stierven kort na hun geboorte, twee zonen werden net als hun vader huisschilder en dochterlief trouwde, jawel, met een huisschilder.

Tussen de middag een tosti gegeten.

En vervolgens dan toch een nieuw blog aangemaakt, poëzielog, waarop ik vanaf vandaag mijn aantekeningen over poëzie zal publiceren.

Raard, 2020 © Ton van ’t Hof

Het wit zo wit

Goed schrijven begint met verontrustende feiten. Opperde ik.

Vanaf de geboorte van haar tweede kind begon mijn betovergrootmoeder Maria van de Leur zich opeens Anna Maria van de Leur te noemen. Dit hield ze vol tot haar dood.

Wie vergeet te leven, verliest.

Dus bracht ik enkele uren op ladders door, in aanwakkerende wind, om dakgoten schoon te maken en het garagedak vrij van klimop.

In bad las ik Bert Voetens dichtbundel een bord bekijken: ‘het wit zo wit / als het rond rond’.

Holwerd, 2020 © Ton van ’t Hof

Haarscherp

Hennie en ik wonen links van de ‘Drooglijn’, leerde ik vanochtend, waar het water, de zee, in steeds hogere mate de agenda zal gaan bepalen. Ons huis staat nu nog op een terp, straks eiland.

Schrijvers zijn exhibitionisten, beweert Thomas Rosenboom.

Op deze grijze ochtend hing ik een televisietoestel op in onze slaapkamer en sloot haar aan: haarscherp beeld.

Schrijvers menen dingen te zien of te weten, die anderen niet zien of weten, zegt Thomas Rosenboom.

Op een gezinskaart kwam ik het adres tegen waar mijn grootouders van vaderskant in 1931 naartoe verhuisden: de Lange Bisschopstraat te Deventer. Ook het beroep van mijn grootvader in die jaren wordt vermeld: kantoorbediende, volgens overlevering bij een schoenenzaak. Eindelijk heb ik het adres gevonden waar mijn vader in 1933 het levenslicht zag. Hieronder een foto van de Lange Bisschopstraat, eerste helft twintigste eeuw.

Het lawaai van groei

Verlangen naar wat echt is, vaststaand, waargebeurd. Selin Kuşçu ging op zoek en werd wijzer. In 0,78 doet ze daar verslag van. Ze rukt maskers af van Robert Cappa en Britney Spears en probeert in Duitsland een boom te vinden, waarin in 1945 een Amerikaanse paratroeper met zijn parachute belandde. Vlot en met een geheel eigen gevoeligheid geschreven.

De zon en ik waren al vroeg op. Na de gebruikelijke ochtendrituelen verrichtte ik in een snel opwarmende achtertuin enig metselwerk, een karweitje dat al een poosje op me lag te wachten. Niet dat ik een hekel heb aan metselen, integendeel – de betovergrootvader en oudvader van mijn stamreeks hadden van metselen zelfs hun beroep gemaakt – maar er waren dingetjes tussendoor gekomen.

Na gedane arbeid is het goed rusten. Vlak voor de lunch maakte ik een eerste opzetje voor een opstel over de invloed die het werk van George Oppen, dat ik tijdens mijn verblijf in Afghanistan (2008-2009) leerde kennen, uitoefende op (1) mijn poëtica en (2) mijn kijk op het Westerse ingrijpen in dat verscheurde Centraal-Aziatische land.

Omdat ik er een aardige recensie van had gelezen, haalde ik vanmiddag Sacha Bronwassers debuut Niets is gelogen uit de bibliotheek. Weer thuis zette ik thee en begon te lezen. Tot bladzijde 36. Waarna ik het boek vanwege een overdaad aan jachtig geklets weglegde.

‘Tussen de doffe / geluiden van de levenden / het lawaai van groei waaraan we ons bezit / te danken hebben.’ – George Oppen

Inzendbarrière

Literatuur moet opwindend zijn en ambitieus en iets beweren. Ik heb me gisteravond mateloos geërgerd aan deze opmerking en de plaatser binnensmonds uitgemaakt voor een stuk onbenul.

Vanochtend werd ik op de fiets, tas met boodschappen aan het stuur, in één keer en uit het niets overmand door droefheid over de dingen die voorbijgaan. Soms heb ik dat.

Een van onze poezen poept geregeld in ons grindbed. Meestal zie ik de drol tijdig liggen en ruim hem op voordat iemand erin kan stappen. Vanochtend dus niet.

Godsamme, ik zit weer in zo’n periode waarin ik niets kan laten staan. Dus dronk ik een glas witte wijn bij de lunch die ik dus afsloot met koffie en een stuk chocolade.

De Grote Poëzieprijs wil van inzendingen in eigen beheer af. Maar de organisatie wil dat nog niet toegeven. Daarom werpt ze barrières op. Wie dit jaar zijn of haar in eigen beheer uitgegeven bundel wil insturen, dient niet alleen € 50 te betalen, maar moet ook minimaal 250 exemplaren hebben laten drukken van zijn of haar boek. Dit geldt overigens ook voor gerenommeerde uitgevers. Wat vreemder is dan het lijkt: slechts sporadisch worden van Nederlandstalige bundels meer dan 250 exemplaren verkocht.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Het zoute wonder van de schoonheid

Gerbrand Bakkers De 3 bestaat niet is literair entertainment van het hogere niveau, waar ik gisteravond een halve rol chocoladebiscuits bij opvrat.

De tuin mijn stadion wuifde vanochtend, jubelde.

Online kwam Bert Voetens dichtbundel De tijd te lijf ter sprake, die in 1961 verscheen. Ik pakte de bundel uit de kast en bladerde meteen door naar de tweede afdeling, waarin Voeten zijn verhaal doet van een gedane reis naar Normandië en Bretagne. Hij is hier op dreef, weet deze streken, die ik goed ken, trefzeker te versificeren, bijna elk beeld is raak. Hieronder een strofe uit het gedicht ‘Bretonse namiddag’:

Elke middag zie ik de val van het water,
de terugtocht naar de slikkende oceaan.
De herhaling is nooit eentonig. Elke keer
glanst het zoute wonder van de schoonheid anders.

En dan onze vijver: ik pompte er vandaag duizend liter kraanwater in. Morgen optooien met (water)planten.

De koe met gekneusde heup stond zowaar weer op vier poten! Ze keek me aan alsof er niets gebeurd was.

Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof

Van de wereld

De bomen met hun volle bladerkronen zwiepten als in trance geraakte dansers vervaarlijk rond. Zou het hier vroeger ook zó vaak zó hard hebben gewaaid?

David Marksons Reader’s Block is een knap staaltje ritmisch mompelen; experiment geslaagd.

Grote schrijvers verstaan niet alleen hun vak, oreerde Longinus, maar ze zijn ook grillig en geniaal.

De koe met gekneusde heup ligt nog altijd buiten in het gras, vredig te malen. Volgens Foppe komt ze er wel weer bovenop. Ze wordt dagelijks met een mobiele melkmachine gemolken.

Als je loopt, of tuiniert, ben je eigenlijk even van de wereld. Zei Gerbrand Bakker.

Bankroet

Gisteravond flitsten tientallen zwaluwen door onze tuin, waar het kennelijk barstte van de insecten.

Poëzie is een vak, dicteerde Horatius, dat doorzettingsvermogen en zelfopoffering vereist.

Kwam twee oudouders op het spoor: Geertruid Jans Huizingh (1804-1853) en Hendrik Lucas Thijs (1792-1856), die bijna tweehonderd jaar geleden in Rolde, Drenthe, met elkaar trouwden. Geertruid was huismoeder van beroep, Hendrik landbouwer.

Wat niet bestaat, een goed gedicht dat nergens over gaat.

Als Hennie en ik niet bankroet willen gaan, zullen we moeten leren stekken.

Doopakte van oudouder Hendrik Lucas Thijs, geboren in 1792 te Witten, Drenthe

Lus om het achterlijf

Een uienvlieg bracht de nacht door op een van onze spoorbloemen, zijn ogen zo rood als koper.

Goede poëzie, beweerde Aristoteles, heeft een louterend effect op haar toehoorders.

Bij het graven van een gat voor een waterbekken stuitte ik op overblijfselen van een oudere terpcultuur, uit de tijd dat stroomdraad nog met katoen werd omsponnen. Na enkele uren graafwerk in de Friese klei kon ik overigens geen pap meer zeggen.

In het weiland tegenover ons ligt al enkele dagen een koe met een gekneusde heup. Met behulp van een vorkheftruck en een touw wordt ze regelmatig overeind geholpen, lus om het achterlijf zodat haar achterpoten nog juist de grond raken.

Leffe brune.

Zelfgebakken

Plato’s Socrates laat er geen misverstand over bestaan: dichters zijn leugenaars.

Wind: in de zesde versnelling naar Dokkum, in de eerste terug.

Ons huis geurde naar zelfgebakken cake, bestemd voor onze mindervalide overbuurvrouw. Wij zijn op dieet.

Eén glas sauvignon blanc, uit Nieuw-Zeeland. Eentje maar.

Diplomatie en een standvastige levenshouding.

Bornwird, 2020 © Ton van ’t Hof