Op mijn bericht over New Narrative enkele dagen geleden reageerden Frank Keizer en Obe Alkema, respectievelijk via Facebook en e-mail. Ter wille van de discussie hun reacties en mijn tegenreacties op een rij.

Frank Keizer: [New Narrative is een] ‘literaire praktijk die sterk gelieerd was aan sociale bewegingen en tegelijkertijd een formeel uitgangspunt had: het verhaal. Misschien niet gek dat je dan tussen wal en schip belandt. De effecten van marginalisering (klasse, seksualiteit) spelen ook mee. Overigens vind ik die obscuriteit wel een kracht. Maar een grap zeker niet! Een groep schrijvers die erg scherp nadacht over gemeenschapsvorming, maar dan niet alleen op literaire gronden.’

Mijn reactie hierop: ‘Was het in jouw ogen een nogal lokaal bepaald—San Francisco en omgeving—gebeuren? En leeft het nu nog?’

Frank Keizer: ‘Ja, het is een lokaal gebeuren, met fellow travelers in andere Noord-Amerikaanse steden. Het is een levendige erfenis maar om nu van een derde generatie te spreken? Halpern en Tremblay (tweede generatie) lossen het op door over praktijken te spreken. Dat is terecht, maar het gelokaliseerde, bijna insulaire ben je dan kwijt. Dat kan in deze tijd ook niet meer. San Francisco was nog goedkoop toen NN begon. Niet meer voor te stellen.’

Obe Alkema: ‘Zat je met de beginvraag van je blogpost voordat je het boek over NN opensloeg of andersom? Ik heb het nog niet gelezen, dus over de inleiding noch de afzonderlijke stukken kan ik iets zeggen, maar wel dit over je stuk: je zoekt naar algemeenheden, die vind je sowieso, maar zijn het niet juist details (de eigenschappen die jij niet opmerkt, of: mist) die NN onderscheiden van elke andere beweging? Poëticale, materiële, sociaaleconomische details. SF van eind 70er, begin 80er jaren (zo anders dan LA, NYC, etc. van dezelfde tijd); opkomst homocultuur; AIDS; neoliberale implementatie; vorming van gemeenschap (waardoor de beweging sociaalartistiek is); kunst en leven in elkaar over laten lopen (dit is wat veel bewegingen pogen, maar de Bloomsbury-groep en New Narrative zijn niet inwisselbaar). Zelfde bezigheden, overtuigingen, ideeën betekent niet inwisselbaarheid.

Dat je er niets over kunt vinden lijkt me niet tegenstrijdig aan de mythevorming, ligt er misschien in het verlengde van. Het boek van Halpern en Tremblay-McGaw circuleert volgens mij in een vrij kleine groep, zoals NN dat altijd gedaan heeft. (En het is bijzonder (en) gek dat er een handvol mensen in Nederland bezig is met deze beweging, als je kijkt naar de standplaatsgebondenheid van het werk, de zeer lokale posities die de schrijvers innemen (in het leven en in eigen/elkaars werk). De beweging heeft de afgelopen jaren aan bekendheid gewonnen door de mainstreamisering van bijv. Eileen Myles, Kathy Acker en Chris Kraus—schrijvers die voornamelijk als fellow travelers gezien worden.

Het zoeken naar die aanhoudende vragen: lees de NN-boeken. Elk boek is een poging tot antwoord en verdere problematisering van de vraag: de verhouding tussen zelf en relaas wordt aangescherpt en opnieuw opgeworpen met elk verhaal, elk boek. Idem voor constructie en expressie.

Zoiets?’

Mijn reactie hierop: ‘De vraag of NN een grap of een hoax was drong zich tijdens het schrijven van mijn stukje pas op. Ik zocht naar een gemeenschappelijk streven, een gemeenschappelijke inzet van NN maar vond niets dan wat algemeenheden, die op veel schrijvers van toepassing zijn, en vroeg me vervolgens af of je NN wel als een beweging kunt kwalificeren.

En mijn antwoord is nog altijd: ik denk het niet.

Hoeveel schrijvers houden zich niet bezig met zelf & relaas, constructie & expressie, ethiek & politiek etcetera? Wie niet, zou ik haast willen zeggen. En zaken als ‘opkomst homocultuur, AIDS, neoliberale implementatie, vorming van gemeenschap, kunst en leven in elkaar over laten lopen’ lijken me niet voorbehouden aan SF.

Dat is eigenlijk mijn punt. Ik zie geen ‘beweging’, louter individuele schrijvers.

En eigenlijk concluderen Halpern & Tremblay-McGaw dat in hun inleiding uiteindelijk ook.

Wat niet wil zeggen dat er door de individuele schrijvers geen goede boeken zouden worden geschreven, integendeel.’

Goede discussie, wat mij betreft, die mogelijk nog vervolgd wordt.

Gisteravond. Glas rode wijn in Café de Jaren. Ik lees Linda Hamalians A Life of Kenneth Rexroth (1991).

At last
The sun was only thin
Crescent in our glasses with the
Bright planets nearby like watchers.
Then the great cold amoeba
Of crystal light sprang out
On the sky. The wind passed like
A silent crowd.

Modernistische poëzie van de bovenste plank.

Heel wat dichtersavondjes zijn in dit café begonnen. Ik heb het meer dan eens dronken verlaten. Ook ontmoette ik hier een jaartje of tien, elf geleden Samuel Vriezen voor het eerst. Over een uurtje naar Perdu, waar Obe Alkema zijn debuutbundel zal presenteren. Ik ben benieuwd of ik ook nog wat dichters van de oude garde zal treffen. Dan schuiven Arno Van Vlierberghe en Dominique De Groen in het café voorbij, beiden zijn jong en onlangs gedebuteerd. Ze zien me niet. Ik zou al tot een gevestigde orde behoren, suggereerde iemand nog niet zo lang geleden. Lulkoek, natuurlijk. Rexroth is al weer 36 jaar dood. Hij wordt gelukkig nog wél gelezen.

Het verlangen naar spetterend vers (9)

Even een uitstapje naar het subsidiefenomeen. In 2017 honoreerde het Letterenfonds twintig subsidieaanvragen voor het schrijven van een dichtbundel; in totaal werd er € 390.000 toegewezen:

€ 10.000
Joost Baars
Gerda Blees
Chrétien Breukers
Samuel Vriezen
Martijn den Ouden

€ 15.000
Martijn Benders
Jacobus Pieter Bos
Arjan Hut
Gerry van der Linden
Thomas Möhlmann

€ 20.000
Tsead Bruinja
Bernard Wesseling

€ 25.000
Elske Kampen
Rob Schouten
Elly de Waard
Cornelis van der Wal

€ 30.000
Pieter Boskma
Hans Tentije
Menno Wigman (†)

€ 35.000
Mischa Andriessen

Als ik het lijstje langsloop denk ik: de gemiddelde leeftijd is best wel hoog. Drie van de twintig dichters krijgen zelfs al AOW. Raar eigenlijk, AOW én subsidie vangen uit de gemeenschapskas. Kennelijk weten oudere dichters beter dan jongere hoe je een subsidieaanvraag invult, en wellicht kunnen ze ook nog een groter of bestendiger netwerk aanspreken. Enfin. Poëziepolitiek.

€ 390.000 voor 20 dichtbundels. Gemiddeld € 19.500 voor een bundel. Waar 200 of 300 exemplaren van worden verkocht. De overige 125 professionele bundels die jaarlijks verschijnen worden, net zo makkelijk blijkbaar, zonder subsidie op de markt gebracht. Ik blijf het een zonderlinge zaak vinden, deze willekeurige staatssteun. Wat levert het nu precies op?

Glossy debuutbundel Obe Alkema

Fijn begin van de dag: ‘Shell betaalt nul belasting over winst’ en ‘Schiphol wil afspraken openbreken’. De overmacht van geld in het leven. Ik maak met mezelf twee afspraken: (1) alleen in nood tank ik nog bij Shell; (2) alleen in nood maak ik nog gebruik van Schiphol als luchthaven. Deze afspraken komen bovenop de deal die al gesloten was: (1) ik maak zoveel mogelijk gebruik van het openbaar vervoer; (2) ik vlieg alleen als er geen ander alternatief voorhanden is.

Verduurzamen moet, maar de les die ik trek uit de Franse revolte van de ‘gele hesjes’ is dat invoering van duurzaamheidsmaatregelen over een zeker tijdsverloop moeten worden uitgesmeerd; we moeten de veranderingen wél kunnen blijven bijbenen, anders komt de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen in gevaar.

Zo dadelijk reis ik af naar Amsterdam, om in Perdu de bundelpresentatie van Obe Alkema bij te wonen.

Oosterbierum, 2018 © Ton van ’t Hof

Gisteren verscheen er in de NRC een recensie van mijn laatste bundel Dichter & andere dingen. Recensent Obe Alkema waardeerde de bundel met 5 sterren. Ik heb er een extra glas wijn op gedronken. Dit is wat hij schreef:

ZAGEN AAN HET NEDERLANDSE ZELFBEELD

Dichter en beroepsmilitair Ton van ’t Hof belicht in zijn verzamelde gedichten de recente Nederlandse geschiedenis. Zo zet hij Nederland neer als een land van conflict en strijd.

Dichter & andere dingen, de elfde bundel van dichter en beroepsmilitair Ton van ’t Hof (1959), brengt een eigen selectie uit tien jaar dichterschap samen met nog ongebundeld werk. De inleiding van deze verzamelbundel, geschreven door dichter Frank Keizer, zegt daarover dat deze keuze het mogelijk maakt om het bestaande werk in dialoog te laten treden met het nieuwe(re) werk dat ‘het bekende weer nieuw kan maken’.

Er is natuurlijk sprake van een wisselwerking, want ook het oude oefent invloed uit op het nieuwe. Dat openbaart zich al in het openingsgedicht, afkomstig uit debuutbundel Je komt er wel bovenop, waarin hij clichématige, zelfverheerlijkende en pijnlijke wetenswaardigheden over Nederland tot een schaamlap weeft:

nederland is groot geworden door immigratie
door invloeden van andere culturen
door de aziaten bruut uit te buiten
door een ruimhartig toelatingsbeleid

Van ’t Hof zaagt aan het Nederlandse zelfbeeld door zowel hardnekkige misverstanden te reproduceren als naakte waarheden te tonen. Het selectieve geheugen laat bijvoorbeeld het koloniale verleden vaak achterwege, terwijl Van ’t Hof dat hier en in andere gedichten weer onder de aandacht brengt.

Belangrijk om te weten is dat Van ’t Hof Nederland godzijdank niet als een onproblematische categorie beschouwt, maar als een terrein van conflicten en strijd, zoals Keizer ook opmerkt. Dat is zichtbaar in het meerstemmige ‘nederland is groot’, maar ook in het nieuwe lange gedicht ‘Archieflichamen’, waarin op encyclopedische wijze namen uit Nederlands koloniale verleden opgesomd worden, van ‘COCKBURNE, slecht bewaakt werd, besloot, daarop eene kans te wagen.’ tot ‘WATSON, uit Bombay hadden ingenomen, zich hier meester van het gezag, waaraan men ook de vermindering van den Hollandschen handel moet toeschrijven’.

Afghanistan
Ook onze recente geschiedenis wordt kritisch doorgelicht. In de bundel Aan een ster / she argued vinden Van ’t Hofs ervaringen tijdens zijn uitzending in Afghanistan hun weerslag. Vooral ‘Kamer’, dat slechts gedeeltelijk is opgenomen in de bundel, is grandioos. Van ’t Hof geeft in dit gedicht alle tekst weer die hij in februari 2009 op zijn kamer in Afghanistan tegenkwam. Het resultaat is een aaneenschakeling van banale teksten uit bijvoorbeeld de krant of van medicijn-etiketten. De plaatsgebondenheid van de dichter wordt zo benadrukt: hoe schrijf je over een oorlog die zich voor je ogen voltrekt? Alles om je heen is getuige. Van ’t Hof laat expliciet commentaar achterwege. Triviale teksten geven blijk van een dagelijks leven dat ondanks de oorlog buiten doorgaat en zetten zo de situatie nog meer op scherp. De oorlog echoot hard tussen de post, een editie van het poëzietijdschrift Awater en een Nespresso-reclame.

Keizer noemt het werk van Van ’t Hof een radicale vorm van geschiedschrijving. In zijn werk is er geen sprake van een cover-up. Juist het tegenovergestelde: Van ’t Hof uncovert wat lang verborgen was en situeert dat in het heden: het oude en het nieuwe treden opnieuw in dialoog.

Werkwijze
Dit is het ene aspect dat me zo aantrekt in zijn werk. Aan de andere kant is dat de werkwijze van de dichter: hij houdt zich bezig met ideeën en procedures. Aan veel van zijn gedichten ligt een model ten grondslag. In het geval van ‘Kamer’ was dat het verlangen alle tekst in Van ’t Hofs kamer weer te geven. De bundel Fantastisch dat je dit kan! (2011) is een weergave van het commentaar dat een aantal journalisten uitsprak tijdens de Tour de France in 2010. De achterliggende redenen voor deze tekst lezen we dan weer in ‘Mijn poëzie’, dat een collage is van uitspraken die critici over zijn werk gedaan hebben. De gedichten spreken dus niet alleen over historische zaken, maar ook over elkaar.

Niet alleen het materiaal, maar ook het vormen van dat materiaal bevindt zich altijd op de breuklijn tussen het oude en het nieuwe. De concepten waarvan Van ’t Hof zich bedient, zijn veelal bedacht door anderen. ‘Mijn poëzie’ is gestoeld op My Poetry van David Bromige (1933-2009). ‘Chatten met Jabberwacky’ baseert zich op hetzelfde gedicht van Charles Bernstein (1950). Van ’t Hof put hoofdzakelijk uit de rijke twintigste-eeuwse Amerikaanse poëzie. Hij gebruikt wat er al is om iets nieuws te maken dat op zijn beurt het bekende, de procedure, óók weer nieuw maakt. In dat opzicht heeft zijn werk iets van een archief. Behalve in dialoog te treden met literaire tradities opent Van ’t Hof ook ruimtes om te spreken met de getuigen van de geschiedenis, of die nu van eeuwen terug zijn of nog in het heden rondlopen.

D43CBE25-B630-4DFC-9935-5E518A256DD6