Hooglandse drek

Ongetwijfeld lijd ik aan een wandelverslaving. Ik ben er lichamelijk én geestelijk afhankelijk van, weet zelden iets beters te doen. Het is me met de paplepel ingegoten. Mijn ouders wandelden vaak en mijn zussen en ik moesten dan mee. Vanaf mijn veertiende, vijftiende vergezelde ik ze uit vrije wil.

Vandaag door drassige landerijen ten zuiden van het Lauwersmeer gebaggerd, waar Konikpaarden (niet gezien) en Schotse hooglanders (wel gezien) vrij mogen grazen. Minder vogels waargenomen dan gehoopt. Topstuk was de grote zilverreiger (wat een knoeper), die als een landsheer statig door laag water waadde. Ook fraai: de enorme, grillige wilgen, die zich in eindeloze rietvelden fier staande houden. Aan onze schoenen klodders hooglandse drek.

Zuidzijde Lauwersmeer, 2020 © Ton van ’t Hof

Weldadige leegte

Een stralende middag. Ik trek er toch nog even op uit, verlaat Brantgum via de Fjildbuorsterwei richting Hantum. Het landschap tussen de twee terpdorpen is vlak, gecultiveerd en vandaag een zonbeschenen lappendeken. De oranje gifvelden kleuren wonderwel bij de zwarte omgeploegde akkers, het witgele riet, groene gras en het blauw van de onberispelijke hemel.

Na ruim een kilometer passeer ik een oude kop-hals-rompboerderij, de Montzema State, die 16e-eeuwse fundamenten heeft. Enkele maanden geleden is het monumentale pand van eigenaar verwisseld. Achter benedenramen wordt geklust. Het lijkt erop dat de nieuwe eigenaar in tegenstelling tot zijn voorgangers niet boert en de boerderij louter als woning in gebruik heeft genomen. Het erf is opgeruimd en aan de overzijde van de weg wordt landbouwgrond te koop aangeboden. Hier geeft iemand een wending aan de loop der geschiedenis.

Als ik de Pybemawei insla vliegen twee buizerds op uit een plukje bomen, dat waarschijnlijk een gerief- en geen pestbosje is, om boeren van hout te voorzien. Er ligt een sloot omheen om het tegen vee te beschermen, maar is van de weg af voor iedereen toegankelijk. Ik zie ook enkele gevelde bomen.

Op een wat lager gelegen weiland staan flinke plassen water, drassigheid die is afgezet met roodwit lint. Daar moet je kennelijk niet met je zware tractor in belanden.

Daarna rechtsaf de Mellemawei op, een verzakte, half begroeide klinkerweg die thans nog door wandelaars en boeren wordt gebruikt, maar vroeger de hoofdweg was tussen Hantum en Foudgum. Ik kom er zelden iemand tegen. Naast kieviten en meeuwen word ik getrakteerd op een zilverreiger die me laat opmerkt. De vooruitgestoken borst van een wegwiekende reiger heeft iets plechtstatigs.

Langs de eeuwige rust van Foudgum en de provinciale N365 keer ik vervolgens huiswaarts. Mijn hoofd heeft dan al de weldadige leegte van de omgeving overgenomen.

Fjildbuorsterwei, Brantgum, 2020 © Ton van ’t Hof