Gisteravond. Glas rode wijn in Café de Jaren. Ik lees Linda Hamalians A Life of Kenneth Rexroth (1991).

At last
The sun was only thin
Crescent in our glasses with the
Bright planets nearby like watchers.
Then the great cold amoeba
Of crystal light sprang out
On the sky. The wind passed like
A silent crowd.

Modernistische poëzie van de bovenste plank.

Heel wat dichtersavondjes zijn in dit café begonnen. Ik heb het meer dan eens dronken verlaten. Ook ontmoette ik hier een jaartje of tien, elf geleden Samuel Vriezen voor het eerst. Over een uurtje naar Perdu, waar Obe Alkema zijn debuutbundel zal presenteren. Ik ben benieuwd of ik ook nog wat dichters van de oude garde zal treffen. Dan schuiven Arno Van Vlierberghe en Dominique De Groen in het café voorbij, beiden zijn jong en onlangs gedebuteerd. Ze zien me niet. Ik zou al tot een gevestigde orde behoren, suggereerde iemand nog niet zo lang geleden. Lulkoek, natuurlijk. Rexroth is al weer 36 jaar dood. Hij wordt gelukkig nog wél gelezen.

Het verlangen naar spetterend vers (9)

Even een uitstapje naar het subsidiefenomeen. In 2017 honoreerde het Letterenfonds twintig subsidieaanvragen voor het schrijven van een dichtbundel; in totaal werd er € 390.000 toegewezen:

€ 10.000
Joost Baars
Gerda Blees
Chrétien Breukers
Samuel Vriezen
Martijn den Ouden

€ 15.000
Martijn Benders
Jacobus Pieter Bos
Arjan Hut
Gerry van der Linden
Thomas Möhlmann

€ 20.000
Tsead Bruinja
Bernard Wesseling

€ 25.000
Elske Kampen
Rob Schouten
Elly de Waard
Cornelis van der Wal

€ 30.000
Pieter Boskma
Hans Tentije
Menno Wigman (†)

€ 35.000
Mischa Andriessen

Als ik het lijstje langsloop denk ik: de gemiddelde leeftijd is best wel hoog. Drie van de twintig dichters krijgen zelfs al AOW. Raar eigenlijk, AOW én subsidie vangen uit de gemeenschapskas. Kennelijk weten oudere dichters beter dan jongere hoe je een subsidieaanvraag invult, en wellicht kunnen ze ook nog een groter of bestendiger netwerk aanspreken. Enfin. Poëziepolitiek.

€ 390.000 voor 20 dichtbundels. Gemiddeld € 19.500 voor een bundel. Waar 200 of 300 exemplaren van worden verkocht. De overige 125 professionele bundels die jaarlijks verschijnen worden, net zo makkelijk blijkbaar, zonder subsidie op de markt gebracht. Ik blijf het een zonderlinge zaak vinden, deze willekeurige staatssteun. Wat levert het nu precies op?

Glossy debuutbundel Obe Alkema

09.21 u. Omdat ik de essays in Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw graag met de besproken bundels in de hand lees, zocht ik in mijn BiebApp op hoeveel van de 26 millenniumtitels ik van de Friese bibliotheken zou kunnen lenen: drie om precies te zijn. Iets meer dan tien procent dus van díe bundels die ‘allemaal een opvallende plek opeisen in de recente literatuurgeschiedenis of een scharnierpunt betekenen in het oeuvre van hun maker.’ Zeg, hoe zit dat Friese aankoopbeleid eigenlijk in elkaar? En canonvorming? Hoe gaat dat vandaag de dag in zijn werk?

Twee van de drie in de bieb voorhanden zijnde titels heb ik overigens zelf al: Mijn naam is Legioen van Menno Wigman en Kalfsvlies van Marieke Rijneveld. De derde, Vlinderslag van Piet Gerbrandy, is momenteel uitgeleend.

10.30 u. Belde met mijn moeder die vandaag 83 is geworden. Ze vertelde dat ze de afgelopen dagen ziek was geweest: ‘Hoesten, hoesten, hoesten! Ik weet niet wat dat allemaal was, maar het was héél anders!’ Ze moest er zelf om lachen. Proficiat, ma!

14.31 u. Vertaalde een gedicht van Rae Armantrout, ‘Lasting’, waarin háár moeder optreedt. Uit de bundel Versed, waarvoor Armantrout in 2010 een Pulitzer kreeg:

WAT BLIJFT

1

Licht
bezet thans de stoelen,

beschildert
het houten

filigraan

gefreesd om naar tijd
te verwijzen.

Volmaakte
moleculen van plastiek
spiegelen de zeeën.

2

Als ik aan mijn moeder terugdenk, herinner ik me haar angsten.
Maar op de foto leunt ze tegen een pilaar,
handen in zakken, hoofd schuin
en lichtelijk geamuseerd.

16.49 u. Maakte ook nog een digitale tekening van Armantrout:

b50cffb9-a028-4ded-94ea-38f8deee1de4
Rae Armantrout, 2018 © Ton van ’t Hof

 

Onder een bewolkte hemel over de dijk van Stavoren naar Hindeloopen gewandeld. Links het grijsblauwe water van het IJsselmeer en rechts donkergroene weilanden waarin koeien en bosjes staan. Waar ik ook keek: een lage horizon die eindeloos ver leek te liggen. Nog niet alle ruimte is verdwenen uit Nederland. Boven mijn hoofd schreeuwden water- en weidevogels door en naar elkaar.

Ik had me voorgenomen om onderweg wat na te denken over een poëzierecensie die Janita Monna onlangs voor Trouw schreef. Specifieker: over de zet waarmee ze de bespreking opent. Die luidt zo:

‘Zou ik zonder Menno Wigman ook aan Koenraad Goudeseune zijn begonnen? Een van de laatste keren dat ik Menno zag, vertelde hij een liefhebber te zijn van Goudeseune’s werk. Ik kende het niet goed, wist wel dat hij ooit voor zijn gedicht ‘Ieper’ de Gedichtendagprijs had gekregen.’

Mijn eerste reactie: Poëzierecensenten die het werk van Goudeseune niet kennen vind ík niet erg vakkundig. Maar kennelijk schaamt Monna zich niet voor haar minder professionele houding, loopt er zelfs mee te koop.

Op de dijk lagen honderden schapen. Ik zigzagde tussen ze door. Plots zag ik er eentje op haar zij liggen, met een opgeheven achterpoot. Uit haar vulva stak een puntje vlies; de uitdrijving was begonnen. Ik had al verschillende lammeren gezien met een lange, verdroogde navelstreng aan hun buik; op deze dijk hadden meer bevallingen plaatsgevonden. Het schaap kreeg een volgende wee; ze bleef er wonderwel rustig onder. In het volste vertrouwen liet ik haar achter in handen van Moeder Natuur.

Per jaar verschijnen er pak hem beet honderdvijftig poëziebundels. Ik begrijp best dat ook recensenten die niet allemaal kunnen lezen, maar een hogere geletterdheid dan gemiddeld verwacht ik toch zeker. 

Laat ik maar aannemen dat Goudeseune onwillekeurig aan Monna’s aandacht ontsnapt was, totdat Wigman haar op het werk van de Vlaming attent maakte. En wat een nominatie voor de Jo Peters Poëzieprijs en de toekenning van de Gedichtendagprijs niet voor elkaar hadden gekregen, lukte Wigman wel: Monna besloot een bundel van Goudeseune te lezen en te recenseren. Wat alleszins lovenswaardig is.

Terwijl de brandganzen me om de oren vlogen concentreerde ik me op de slotvraag: Wat beoogt Monna nu precies met haar openingszinnen? Wil ze de lezer laten weten dat ze Menno Wigman persoonlijk heeft gekend en hem een zekere autoriteit toebedeelt? Biedt ze hier wellicht haar verontschuldigingen aan voor het feit dat ze schaarse opinieruimte vult met een bespreking van een, in haar establishment ogen, minor poet?

Of zoek ik, muggenzifter, te veel achter Monna’s woorden? En is er slechts sprake van een tikkeltje onnozelheid? Nou ja, besloot ik, terwijl ik de dijk verliet, laat ik het daar dan maar op houden.

80C4D48B-2683-48EE-9070-89D772D6F0D3
Brandganzen, Molkwerum, 2018 © Ton van ’t Hof