Het verlangen naar spetterend vers (11)

Je hoort het regelmatig: met poëzie is geen droog brood te verdienen! Als je louter kijkt naar de verkoopcijfers van dichtbundels dan is dat waar. Maar je kunt als dichter nog op andere manieren geld bij elkaar schrapen, door op te treden bijvoorbeeld of subsidie aan te vragen. En het subsidiepotje voor poëzie is best goed gevuld. Zo verleende het Letterenfonds in de afgelopen tien jaar ruim M€ 4,8 subsidie aan dichters. Ruim 4,8 miljoen euro. Aan 135 woordkunstenaars, voor het schrijven van dichtbundels.

Vijf grootverdieners streken in deze periode meer dan een ton op:

  • € 145.000 – Pieter Boskma
  • € 140.000 – Mark Boog
  • € 130.000 – Jan Baeke
  • € 125.000 – Astrid Lampe
  • € 115.000 – Alfred Schaffer

Voor dit geld schreef Boskma vier dichtbundels, waarvan er eentje werd bekroond met de Ida Gerhardt-Poëzieprijs en een andere leverde hem een nominatie voor de VSB Poëzieprijs op. Mark Boog wist er in deze jaren, naast enkele bibliofiele uitgaven, maar twee dichtbundels uit te persen, die niet in de prijzen vielen. Van Jan Baeke kwamen vier bundels uit; met eentje wist hij de Jan Campert-prijs te winnen. Ook Astrid Lampe produceerde in tien jaar tijd vier bundels, die niet veel opwinding teweegbrachten in letterenland. Naast een kleine dichtbundel in de Slibreeks pende Schaffer twee volwaardige bundels bij elkaar, Kooi en Mens Dier Ding, waar hij veel lauweren voor oogstte; Schaffer is de meest succesvolle dichter van deze vijf.

In totaal ontvingen bovenstaande dichters € 655.000 voor het schrijven van zestien bundels, waarvan we er vijf wonderwel geslaagd kunnen noemen. De samenleving heeft best wat over voor eerste kwaliteit poëzie.

Een volledig overzicht van de subsidietoekenning vindt u hier: pdf.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof