Wakker met een stressnek, tolletje verhuisdrukte vermoed ik, of een uitlopertje van mijn ‘water & gras’ dieet.

‘Optimisme is een morele plicht.’

Karl Popper

Chapbook Willem Thies gezet (versie 1). Eerste offerte van een verhuisbedrijf binnengekregen. Voor de lunch het restje van gisteravond opgewarmd (Mexicaanse bonenschotel).

Daarna naar buiten zitten staren, naar het oplichtende licht van de dag, en de neiging onderdrukt om er een fris glas voignier bij te drinken.

Terwijl de mist weer binnenrolde erwtensoep gemaakt; het is goddomme erwtensoepweer!

Vond in mijn spambox een e-mail van Geert Leupen, een zoon van de jongere broer van mijn grootvader van moederszijde. Hij had me via mijn blog gevonden.

Mijn grootvader heette Harm Geert en zijn jongere broer Evert Geert. Hun vader, mijn overgrootvader, droeg enkel de voornaam Geert. De oudste zoon van mijn grootvader was vernoemd naar mijn overgrootvader en heette dus ook Geert. Wat ze nog meer gemeen hebben: ze zijn allemaal dood.

Nu bezit ik een foto van het graf van Evert Geert waarop staat: ‘Ter nagedachtenis aan Geert Leupen 31-12-1911 18-1-1973’. Naar aanleiding hiervan vroeg ik me op mijn blog af waarom Evert Geert zich als Geert Leupen – dus zonder Evert – had laten begraven.

Op deze vraag antwoordde Geert, de zoon van Evert Geert, in zijn e-mail aan mij: ‘Omdat mijn vader in Epe bekend stond als Geert, de naam Evert werd nooit gebruikt, ook niet in gezinsverband.’ Wat het raadsel gedeeltelijk verklaart, maar nog niet helemaal.

Geert stuurde ook nog een foto van een ansichtkaart mee, die mijn grootvader in 1949 aan zijn jongere broer stuurde, die toen net vader van een tweeling (‘de jongens’) was geworden. Acht weken eerder was Marjo (‘een echt schatje’) geboren, de jongste dochter van mijn grootvader en grootmoeder Grada.

Als genealoog, die de afstamming en verwantschap van zijn eigen familie naspoort, ben ik de schepper van mijn scheppers, en laat in het spoor van mijn zoektocht geschiedenis na, die ik ‘de onze’ zou willen noemen.

Onze geschiedenis, die haar ‘verenigde kracht’ ontleent aan het ouderschap, onze genetische en niet-genetische bijdragen aan de vorming van iedere nieuwe loot aan onze stamboom.

Mijn motief? Het verlangen naar eenheid.

Marjo, de jongste zus van mijn moeder, laat weten dat het gezin Leupen in april 1949 verhuisde van de Postdwarsweg 15 te Nijmegen naar de Botstraat 3 in Eindhoven. Bevat het Nijmeegs adresboek uit 1951—zie vorig bericht—(gedeeltelijk) oude informatie of bleef er wellicht een Leupen op de Postdwarsweg achter? Ik moet snel bij de broers en zussen van mijn moeder langs om hun herinneringen vast te leggen!

In oude edities van De Gelderlander kom ik drie berichten tegen waarin mijn grootvader Harm Geert Leupen wordt genoemd:

  • Maart 1937: de uitslag van ‘de jaarlijksche periodieke verkiezing voor leden van het bestuur der R.K. Werkl.-Vereen.’ Mijn grootvader had zich, 26 jaar oud, kelner van beroep, verkiesbaar gesteld en vergaarde 47 van de 323 stemmen.
  • December 1938: een uitgebreid artikel over de kelner, de man die de gasten bedient: ‘dat ambt moet hij goed verstaan, het eischt kennis en ervaring.’ Mijn grootvader wordt genoemd als een van ‘de heeren’ die cursussen verzorgen op het gebied van serveren.
  • December 1940: een zoekertje waarin mijn grootvader om een ‘R.K. meisje voor de morgenuren’ vraagt. Enkele weken daarvoor was dochter Greet geboren, het zesde kind van mijn grootouders.

Ik herinner me mijn grootvader vooral als een vriendelijke, kalme gepensioneerde die het liefst zijn tijd doorbracht in de moestuin en tussen de kippen. Als hij een sjekkie pielde kon hij me lachend over zijn bril aankijken en plagend vragen, ik was nog te jong, of ik er ook eentje wilde roken. Later hebben we samen nog wel eens een Gauloise gepaft.

Mijn grootmoeder had in mijn belevenis thuis de broek aan. Grootvader voerde uit. Maar of die rolverdeling ook zo duidelijk was als ik dat als relatieve buitenstaander ervoer, waag ik toch te betwijfelen. Uit bovenstaande krantenberichten komt een ambitieuze jongeman naar voren, die naast zijn werk en zich rap uitbreidende gezin kennelijk ook nog tijd vond voor vakbondswerk en het verzorgen van cursussen. Een verfrissend inzicht.

Maar dan dat rooms-katholieke. Tot nu toe heb ik in de overwegend Drentse familie van mijn grootvader geen greintje geloof kunnen ontdekken. En als er toch nog een geloof opduikt, dan lijkt het protestante vanzelfsprekender. De familie van grootmoeder Spann was daarentegen dik r.-k. Zou mijn grootvader Harm Geert in 1933, toen hij met zijn Gerarda trouwde, tot de rooms-katholieke kerk zijn toegetreden? Wat in voorkomend geval toch een daad van opoffering moet zijn geweest!

In de jaren 30 werkte mijn grootvader Harm Geert Leupen in dit hotel.

Overvliegende watten, net geen mist. Achttien graden; een verademing na de hitte van de voorbije dagen. Hanengekraai, fluitende vogels. Tussen de huizen hangt een geur van koeiendrek. Linksaf de Feartswei in en langs De Fytsdokter richting de Zwagermieden. Een boer die gras maait, dan weer een veld vol klaprozen en korenbloemen. Een vrouw van mijn leeftijd die probeert te joggen. Dit is een wandeling die het beste uit je zintuigen naar boven haalt.

Nam gisteren nog enkele oude foto’s van ma mee, voor het familiearchief. Op de foto hieronder, die rond 1948 is genomen, staat mijn moeder (eerste van links) met zeven van haar acht broers en zussen. Marjo, de jongste van het kroost, werd pas in 1949 geboren. Geert (met bril) en Harm (uiterst rechts) zijn inmiddels overleden. Vermoedelijk is dit kiekje genomen in de Botstraat, Eindhoven. En goh, wat blijf een mens toch zijn hele leven op zichzelf lijken; ik herken ze allemaal!

Ons familiearchief bestaat uit een digitaal deel (Gramps, MyHeritage & blogposts) en een fysiek deel (boeken, documenten, paperassen, foto’s etc.) Het fysieke deel moet worden gedigitaliseerd en opgeborgen, maar ligt momenteel in ordeloze stapels rond mijn bureau. Chaos, waar ik even doorheen moet, zeg maar.

‘Leuk hè,’ zeg ik.
‘Neukè?’ vraagt Hennie verbaasd.

Jeroen Brouwers—Mijn Vlaamse jaren (1978). ‘Literatuur is een kanker, wie is aangetast zal niet genezen.’