In Jachthaven De Maas, vlakbij Alem, naar een motorkruisertje wezen kijken. Een en dezelfde boot, twee verschillende paren ogen. Waar ik een ruim en goed onderhouden vaartuig zag, nam Hennie een ‘tankje’ (3 ton staal) waar. We denken erover na en zoeken ondertussen verder.

Bij thuiskomst vond ik de proefdruk van Alain Delmottes Warhoofds leerdichten op de deurmat; de bundel ziet er perfect uit. Meteen in de etalage gezet: als e-book en als paperback.

Uit ‘Leerdicht over de ochtendspits’:

‘De ochtend gaat aan de slag met je humeur. Je straal aan ochtendpis geeft de kleur al aan, zet de toon van wat zal volgen.’

Proust, tabee!

Proust snellezen lukt me niet: wat een onmogelijke hoeveelheid bijzinnen! ‘Matig uw snelheid,’ is het credo. Maar boeiend is het wel.

Naar de oogarts geweest: na mijn rechteroog moet nu ook het linker eraan geloven: staar. Na de zomer krijg ik een nieuw lensje.

Gewerkt aan Brandsma. Een Friese familiekroniek, waarin ik Hennie’s stamboom beschrijf. Moet van de zomer verschijnen als deel 5 van de Gaia • Chapbooks reeks.

Ruim veertig kilometer gefietst, naar Sint Annaparochie, en via Tichelwurk weer terug. Onderweg gesneupt bij Malle Pietje, waar Hennie een oude waskom wegsleepte, ‘voor op de wastafel.’

Je kunt het misschien geen journalistiek noemen wat ik hier, op dit blog, bedrijf, maar eerlijk en onafhankelijk is het wel.

Engels is nu nog de eerste taal waarin EU-documenten worden geschreven, maar na een eventuele brexit lijkt me dit toch—ondanks een verwoed pleidooi van The Economist—een no-go.

Ritsumazijl, 2019 © Ton van ’t Hof

Omdat het er eens van komen moest: ik ben vanochtend begonnen in Marcel Prousts Op zoek naar de verloren tijd 1. Kant van Swann. Waarom nu? Omdat het ineens—vanuit mijn diepe zelf—in me opkwam. Geen specifieke aanleiding, of het moet Murakami’s ophemelen zijn geweest van enkele grote 19e-eeuwse schrijvers, waarbij hij Proust overigens niet noemde.

Plantenbak van cortenstaal in de achtertuin geplaatst. De nieuwe bak moet nog met roest overdekt worden. Na 3 maanden is de achtertuin nu zo goed als af.

Onder de vlag Gaia • Paperbacks reeks zal volgend jaar mijn Dingen & structuur. Journaal 2019 verschijnen. Vanmiddag heb ik de maand januari geredigeerd en gezet.

Wat zullen we nu weer hebben? Jawel, we overwegen de aanschaf van een 2e-hands motorkruisertje.

‘Klimaatsceptici spelen vandaag een beetje de rol van de hansworst die je op een feestje komt vertellen dat zijn kettingrokende opa toch maar mooi 92 jaar is geworden.’—Pieter Leroy, hoogleraar milieu en beleid aan de Radboud Universiteit

Ik laat de dingen komen en gaan, althans ik probeer dat.

‘Proust is gisteren gestorven. Ik heb hem nog gezien, sterk vermagerd en al blauw door de kou van het graf. Het grijpt me erg aan.’ – André Gide, 19 november 1922

Grootse eenvoud en ingehouden grandeur.

‘[Alcoholism] is, as [Jack] London recognized, a moral problem: the inability to control desire, and thus to direct the course of one’s own life. One might even say that the pathology is political: the surrender of the will to a form of tyranny.’

Ik heb duizenden boeken gelezen, maar niet eentje van Proust. Wat volgens sommigen een doodzonde is. Niet dat ik niet wilde, maar het is er simpelweg nooit van gekomen. In mijn boekenkast staan wel boeken waarin Proust figureert, waaronder Alain de Bottons How Proust Can Change Your Life, wat ik een alleraardigst werkje vind.

Maar De Botton kent Proust alleen uit boeken terwijl André Gide bij de ziekelijke schrijver op bezoek ging. En verslagen uit eerste hand hebben een meerwaarde. In Gides dagboek uit 1921, opgenomen in Het innerlijk blauw, wordt Proust als volgt beschreven: ‘Hij zegt dat hij soms uren achtereen zijn hoofd niet kan bewegen; hij blijft de hele dag in bed, soms dagen achter elkaar. Nu en dan strijkt hij met de zijkant van zijn hand, die dood lijkt, langs zijn neusvleugels, met vreemd stijve, gespreide vingers, en dat dwangmatige, stumperige gebaar, dat lijkt op dat van een dier of een waanzinnige, is allerakeligst om te zien.’

Fascinerend. Ik heb, geloof ik, in dit geval meer belangstelling voor de schrijver dan voor zijn werk.

Terwijl ik me tijdens de ochtendmeditatie concentreerde op de koelte van de lucht om me heen drong zich plotseling de gedachte op dat ik ‘nooit alleen’ ben en ook niet kan zijn. Nooit alleen. Wel zonder gezelschap maar niet zonder omgeving, zonder dingen om me heen. De wereld waarin ik me bevind kleeft als het ware aan me vast, kan ik niet van me afschudden, maakt deel uit van wat of wie ik ben. Beter andersom: ik behoor bij de wereld. Onverbrekelijk.

Vraag die nu rijst: behoor ik na mijn dood ook nog bij de wereld?

Lees een artikel over de burgeroorlog in Jemen en herken, uit mijn tijd in Afghanistan, het fenomeen ‘nobodies’: mensen die goud geld verdienen aan de heersende toestand van dood en verderf, parasieten:

‘Het constante geweld, de economische ineenstorting, de politieke chaos, de buitenlandse invloeden: er is zoveel mis, zegt [onafhankelijke journalist Mohammed Al-Qadhi]. En vergeet ook niet alle gewone Jemenieten, aan beide kanten van het front, die alleen maar oog hebben voor zichzelf.

Nobodies”, noemt Al-Qadhi ze. Mensen die voorheen niets voorstelden en nu ineens een militie leiden of een of andere politieke positie bekleden. “Ze krijgen veel geld toegespeeld, hebben ineens macht en status. Zij willen dat de oorlog voortduurt.”’