In het derde hoofdstuk van Recomposing Ecopoetics bespreekt Lynn Keller het apocalyptische discours binnen de environmentliteratuur.

Terwijl ik dat las dacht ik terug aan dat bemoedigende krantenbericht van vanochtend: Vrouwtjeswolf vindt domicilie op de Veluwe: ‘De wolvin verblijft hier sinds juli. Genetisch onderzoek van keutels wijst dat uit. Het dier zwerft rond in het gebied ten noorden van de A1. Op de zuidelijke helft van de Veluwe houdt zich sinds augustus een tweede vrouwtjeswolf op.’

Bemoedigend omdat ik in dit gebeuren een voorbeeld zie van hoe we ons de leefomgeving niet ongegeneerd toe-eigenen, maar bewust delen met andere levende wezens die ook recht hebben op een habitat.

Het apocalyptische discours – waarin de wereld afstevent op een milieucatastrofe – kan worden gezien als een ‘vorm van risicoperceptie’ waarmee het milieubewustzijn van mensen kan worden vergroot en activisme aangewakkerd.

De paradox van apocalyptische teksten is dat het einde nooit het einde is. Eigenlijk draait het om wat er zich áchter dat voorspelde einde bevindt.

Apocalyptische schrijfsels moeten niet letterlijk worden opgevat; ze willen de toekomst niet voorspellen maar veranderen.

‘s Middags met Frank Keizer een biertje gedronken in Café de Bak. Goed om deze globetrotter weer eens te horen en te zien. Binnenkort verschijnt zijn nieuwe bundel die, naar eigen zeggen, aftastender is dan zijn vorige bundels.

Voormalige gevangenis, Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Natuurlijk lijken mijn gewetensvolle keuzes – uitsluitend reizen met het vliegtuig als het niet anders kan, zoveel mogelijk lokaal en biologisch geproduceerd voedsel nuttigen, alleen kleding kopen uit noodzaak en niet om met de mode mee te gaan, de plaatsing van zonnepanelen – geen effect te hebben, als je ze in afzondering beziet, op de leefomgeving. Toch ondervindt het milieu grote schade van onze gezamenlijke spilzieke gedragingen.

Ook heb ik, behalve in het stemhokje, geen invloed op de politieke, institutionele en economische systemen die de schijn hebben verantwoordelijk te zijn voor de aanhoudende achteruitgang van ons leefklimaat. Tegelijkertijd kan ik me niet aan deze stelsels onttrekken.

Ik vind het lastig om met deze wisselende percepties om te gaan, om mijn weg te zoeken in dit morele en politieke mijnenveld. ‘We worden thans uitgedaagd,’ zegt Lynn Keller in Recomposing Ecopoetics, ‘om de wereld te begrijpen op zowel veel grotere als veel kleinere schalen dan voorheen.’

Bovendien ben ik zo begaan met dit complexe probleem dat ik me geroepen voel om het telkens weer opnieuw aan de orde te stellen, terwijl het alleen kan worden opgelost door politieke, wetenschappelijke en institutionele samenwerking op wereldniveau.

En tóch telt mijn gedrag.

LITTLE SUR

Zoals in den beginne zakt het vroege tij uiteindelijk ineen & trekt zich terug terwijl poreuze rotsklompen

Zich door het schuim heen een weg omhoog banen waar aalscholvers drijven & nestelen & als de dag begint

De laatste flarden ochtendmist inademen & flauwe zonnestralen op de mammoetbomen vallen die zich boven

De ravijnwanden verheffen & in de slufter beneden ons voeren zeeolifanten hun dagelijks ochtendverweer

Gebaseerd op lessen uit de oertijd & jouw haar wappert net zo makkelijk over de bedding als slierten roodwier

Die gisteren nog geruisloos naast de kajak verschenen toen je een buitengewone stilte kerfde in de ontsluimerende baai

David St. John

Little Sur River is een riviertje in Californië, dat uitmondt in zee.

‘Little Sur’ is opgenomen in Fire and Rain: Ecopoetry of California, Scarlet Tanager Books, 2018

Vertaling © Ton van ‘t Hof

De monding van de Little Sur River, foto © Adam Vogt

De natuur is de natuur niet meer. Zij bestaat niet langer buiten ons. De wildernis is finito. Er is geen enkele plek meer op aarde die niet door menselijk handelen geschonden is. Natuur en cultuur zijn één pot nat geworden. We leven in het Antropoceen.

Woorden als natuurbehoud, natuurbescherming en natuurherstel stoelen thans op achterhaalde opvattingen. In een wereld die we elke dag opnieuw, of we dat nu leuk vinden of niet, vormgeven, geldt de wezensvraag: Welke wereld creëren we?

Ruim de helft van de wereldbevolking woont in verstedelijkte gebieden, bestaat uit stadsmensen die vogelsoorten niet meer van elkaar kunnen onderscheiden en zich ongemakkelijk voelen bij stilte of in een donker bos.

In deze veranderde omstandigheden is de natuurpoëzie uit vorige eeuwen, waarin de natuur als een fetisj wordt vereerd, niet langer toereikend om de instabiliteit van onze verknoeide leefomgeving te beschrijven. Poëtica’s van dichters als Herman Gorter, H.H. ter Balkt, Mary Oliver en Wendell Berry worden momenteel door ecodichters geactualiseerd.

In de komende afleveringen van Het verlangen naar spetterend vers zal Lynn Kellers boek Recomposing Ecopoetics (2017) centraal staan.

Wat allemaal niet wil zeggen dat ik een ouderwets natuurgedicht niet meer zou kunnen waarderen. Deze is van Berry:

DE KALMTE VAN WILDE DINGEN

Als de wereld me tot wanhoop drijft
en ik ‘s nachts wakker word van het minste geluid
angstig voor wat mij en mijn kinderen te wachten staat,
ga ik buiten liggen, waar de carolina-eend
in zijn schoonheid rust op het water en de grote reiger zich voedt.
Ik bedaar tussen wilde dingen
die zich niet belasten met bezinning op toekomstig
verdriet. Tegenover me stilstaand water.
En boven me voel ik de aanwezigheid van dagblinde sterren
die wachten op licht. Zo verblijf ik
een tijdje in de goedheid van de wereld, en ben vrij.