Gelezen, gewandeld, boodschappen gedaan. Stukje geschreven.

Het verlangen naar spetterend vers (10)

‘In godsnaam wat is de zin van / mijn onverholen taalcapriolen?’ vraagt Mark van Tongele (1956) zich af in De loeiende tier (Atlas Contact, 2017). Het antwoord vinden we in een ander gedicht: ‘Vrij spel geven aan de verbeelding.’ Door gekke dingen te doen met taal probeert Van Tongele onze fantasie te prikkelen. Dat lijkt me in een notendop zijn poëtica.

KOMT ER IETS VAN BETEKENIS IN BEWEGING

Doloriet dofmouw doerra
kapspant pekblende reuring.

Wat het ook moge betekenen.
Voor wat de Melkweg waard is.

Wacht je voor de grijp!
Vrij spel geven aan de verbeelding.

Als men het begrijpt is er niets aan te doen.
Komt zin niet altijd van de andere kant?

Draait de aarde sneller om haar as
als je een gedicht leest?

Maar veel indruk maken Van Tongele’s bokkensprongen niet. Zijn gedichten in De loeiende tier spreken in elk geval niet of nauwelijks tot míjn verbeelding. Ik vind ze veelal flauw en naïef. Hier wordt poëzie tot een spelletje gereduceerd. Zonder inzet. Deze verzen zijn niet aan mij besteed.

ASJEMENOU

Kruipende klokpoliep tandhoornkoraal stompe alikruik muiltje
purperslak fluwelen ritspok zeedruif meloenkwalletje weduweroos
sliertige broodspons roze kalkkorstwier knotszakpijp kamster taalrasp.
          Alles blijft vervat in de wereld.

*
Las tot mijn verbazing in Linda Hamalians A Life of Kenneth Rexroth (1991) dat Rexroth (1905-1982) en George Oppen (1908-1984), twee dichters die mij na aan het hart liggen, elkaar oppervlakkig hebben gekend. Ik heb veel over Oppen gelezen, maar dit weetfeitje was mij nog niet bekend. Het was geen hartelijke relatie, volgens Hamalian. Begin jaren dertig ontmoetten ze elkaar voor de eerste keer. Rexroth stak toen blijkbaar niet onder stoelen of banken dat hij vond dat Oppen de poëzie van Louis Zukofsky na-aapte. Ik kan me voorstellen dat daarmee de toon was gezet.

Niet veel later kwalificeerde Rexroth een gedicht van Ezra Pound, dat was opgenomen in An ‘Objectivists’ Anthology (1932), als ‘aanstootgevende antisemitische rijmelarij’ en suggereerde dat dit vers de bloemlezing en alle andere opgenomen dichters, onder wie Oppen en hijzelf, belachelijk maakte. Jaren later omschreef Rexroth de furieuze reacties van Oppen en Pound als volgt:

‘This made a mortal enemy of Oppen, who could not bear to realize that he was being played for a sucker, and [went] about telling people that I [was] an Antisemite. Pound, on the other hand, wrote Oppen that he would have nothing to do with the Objectivists’ Press if “dot Chew Bolschevick Rexwrothsky” had anything to do with it.’

Mekkerende dichters zijn van alle tijden.

*
PS Ik laat voortaan alles wat ik over poëzie schrijf onder deze rubriek vallen.

Leeuwarden, 2018 © Ton van ’t Hof

Gisteravond. Glas rode wijn in Café de Jaren. Ik lees Linda Hamalians A Life of Kenneth Rexroth (1991).

At last
The sun was only thin
Crescent in our glasses with the
Bright planets nearby like watchers.
Then the great cold amoeba
Of crystal light sprang out
On the sky. The wind passed like
A silent crowd.

Modernistische poëzie van de bovenste plank.

Heel wat dichtersavondjes zijn in dit café begonnen. Ik heb het meer dan eens dronken verlaten. Ook ontmoette ik hier een jaartje of tien, elf geleden Samuel Vriezen voor het eerst. Over een uurtje naar Perdu, waar Obe Alkema zijn debuutbundel zal presenteren. Ik ben benieuwd of ik ook nog wat dichters van de oude garde zal treffen. Dan schuiven Arno Van Vlierberghe en Dominique De Groen in het café voorbij, beiden zijn jong en onlangs gedebuteerd. Ze zien me niet. Ik zou al tot een gevestigde orde behoren, suggereerde iemand nog niet zo lang geleden. Lulkoek, natuurlijk. Rexroth is al weer 36 jaar dood. Hij wordt gelukkig nog wél gelezen.

Het verlangen naar spetterend vers (9)

Even een uitstapje naar het subsidiefenomeen. In 2017 honoreerde het Letterenfonds twintig subsidieaanvragen voor het schrijven van een dichtbundel; in totaal werd er € 390.000 toegewezen:

€ 10.000
Joost Baars
Gerda Blees
Chrétien Breukers
Samuel Vriezen
Martijn den Ouden

€ 15.000
Martijn Benders
Jacobus Pieter Bos
Arjan Hut
Gerry van der Linden
Thomas Möhlmann

€ 20.000
Tsead Bruinja
Bernard Wesseling

€ 25.000
Elske Kampen
Rob Schouten
Elly de Waard
Cornelis van der Wal

€ 30.000
Pieter Boskma
Hans Tentije
Menno Wigman (†)

€ 35.000
Mischa Andriessen

Als ik het lijstje langsloop denk ik: de gemiddelde leeftijd is best wel hoog. Drie van de twintig dichters krijgen zelfs al AOW. Raar eigenlijk, AOW én subsidie vangen uit de gemeenschapskas. Kennelijk weten oudere dichters beter dan jongere hoe je een subsidieaanvraag invult, en wellicht kunnen ze ook nog een groter of bestendiger netwerk aanspreken. Enfin. Poëziepolitiek.

€ 390.000 voor 20 dichtbundels. Gemiddeld € 19.500 voor een bundel. Waar 200 of 300 exemplaren van worden verkocht. De overige 125 professionele bundels die jaarlijks verschijnen worden, net zo makkelijk blijkbaar, zonder subsidie op de markt gebracht. Ik blijf het een zonderlinge zaak vinden, deze willekeurige staatssteun. Wat levert het nu precies op?

Glossy debuutbundel Obe Alkema