Zo lang als ik me kan herinneren ben ik een hapsnap lezer geweest. Nooit één boek van A tot Z, maar steeds kleine stukjes uit een boek of vijf, tien of vijftien. Omdat ik die boeken ook nog laat slingeren, maak ik een rondgang door ons huis; op dit moment lees ik:

  • Monet at Argenteuil, Paul Hayes Tucker, 1982, Yale University Press
  • The Poetics of Space, Gaston Bachelard, ed. 1994, Beacon Press
  • Kunst zien en begrijpen, Herbert Read, Prisma, 1961
  • Zo vliegen de walvissen, Laura Demelza Bosma, Holland, 2007
  • Nachtroer, Charlotte Van den Broeck, Arbeiderspers, 2017
  • Inventions of a Barbarous Age: Poetry from Conceptualism to Rhyme, Robert Archambeau, MadHat Press, 2016
  • Alle vogels, Koos van Zomeren, Arbeiderspers, 2017
  • As Ever: Selected Poems, Joanne Kyger, Penguin Books, 2002 (e-boek)
  • I Am Flying Into Myself: Selected Poems 1960-2014, Bill Knott, Farrar, Straus and Giroux, 2017 (e-boek)
  • The Work of Art in the Age of Deindustrialization, Jasper Bernes, 2017, Stanford University Press (e-boek)

Kunst, filosofie, geschiedenis, natuur, literatuurwetenschap en poëzie. Een partieel overzicht van mijn interessegebieden. Ik ga graag een gesprek met meerdere, uiteenlopende boeken aan. Dat stimuleert me. Er zijn poëziebundels uit voortgekomen. En veel blogberichten.

Zondag, 7 mei 2017

Vanochtend van het Vlaamse Veurne naar huis gereden. Na drie en een half uur brak in de buurt van Lemmer eindelijk het grijze wolkendek open. Thuis werden we verwelkomd door twee poezen en een kat. Vervolgens koffers uitgepakt en boodschappen gedaan. Bij AH (bol.com afhaalpunt) ook nog de nieuwe Koos van Zomeren, Alle vogels, opgehaald. Daarna de zon in met een glas witte wijn.

Onze druif bot nu snel uit. Op de radio hoor ik Feijenoord van Excelsior verliezen. Via Blendle lees ik in het AD dat reizen ons bevrijdt van ballast en ruimte biedt aan nieuwe inzichten, waardoor we ver van huis creatiever en gelukkiger kunnen zijn.

Enkele dagen je mail niet checken en een boek lezen of een gesprek voeren kan al psychologisch verfrissen. Maar alleen reizen brengt de geest volledig op orde, stelt [psycholoog Ap] Dijksterhuis. Want onderweg zijn, haalt het automatisme uit je doen en laten. Reiservaringen inspireren het brein met nieuwe prikkels en ingevingen.

Hier zit een kern van waarheid in; minstens de helft van de ideeën die ten grondslag liggen aan mijn poëziebundels is tijdens een vakantie geboren.

Macron ‘heeft volgens de eerste exitpolls zondagavond de verkiezingen gewonnen.’ Of ik daar blij mee ben? Ik zou het niet weten. Voor de euro, tegen de euro … ik zou het werkelijk niet weten. 

In het voorjaar van 1984 verraste mijn toenmalige vriendin me met een langharige bastaard uit het asiel, Stanley, ruim tien jaar oud en onder de klitten. Ik was weliswaar met honden opgegroeid, maar wist me zo een-twee-drie geen raad met het dier. Hij wel met mij. Vanaf het allereerste moment dat Stanley me zag, was ik zijn bevrijder en gaf hij me zijn onvoorwaardelijke trouw. Ruim een jaar lang zou hij niet meer van mijn zijde wijken totdat het lot anders besliste. 

Afgelopen woensdag, op zoek naar wat boeken voor Hennie, zag ik Koos van Zomerens nieuwste boek in de bibliotheek liggen en griste het mee: Alptraum: Stanley’s laatste gems (De Arbeiderpers, 2016).

Wie dit blog regelmatig leest, weet dat ik een fan van Van Zomerens werk ben. Ik deel zijn liefde voor de natuur en wandel er evenals hij graag doorheen. Van Zomeren mét hond, ik zonder. In Alptraum, wat in het Duits ‘nachtmerrie’ betekent, vertelt Van Zomeren hoe hij zijn geliefde borderterrier Stanley in 2015 op ongelukkige wijze in de Alpen verloor.

Dit boek bracht ook míjn Stanley weer in herinnering. Fijne herinneringen en droevige. Ik hield het niet altijd droog.

Vanmiddag heb ik de drie foto’s die ik van Stanley heb weer eens opgezocht. Op de eerste foto zien we hem zoals hij uit het asiel kwam: langharig, smerig en vol klitten. Op de andere foto’s is het een uurtje later en kijken we naar een nog wat bedeesde, maar schone en geknipte hond. Hij vond het heerlijk om de ballast en warmte van zijn dikke vacht kwijt te zijn.

Stanley, 1984
Stanley, 1984
Vanaf dat moment waren we onafscheidelijk. Hij ging, behalve naar mijn werk, overal mee naartoe. Samen wandelen, vrienden bezoeken, boodschappen doen. Voor de deur van de supermarkt bleef hij netjes op me wachten. ’s Avonds lag hij op het voeteneind van mijn bed. Als ik moest werken kon hij, tot begrijpelijke ergernis van de buren, urenlang blijven huilen. Tot tweemaal toe stuurde de benedenbuurman de politie op mijn dak.

Soms moest ik voor mijn werk meerdere dagen verder weg. In het begin bleef Stanley dan bij mijn vriendin, maar toen zij en ik uit elkaar waren gegaan, bracht ik hem naar mijn ouders. Zo ook die fatale meidag in 1985. Stanley was allang een deel van me. Op Sardinië had ik een taak te verrichten. Mijn moeder, van wie ik alles over honden had geleerd, nam Stanley liefdevol van me over. Op weg naar het vliegveld bleef de treurnis in zijn ogen bij ons afscheid nog lang bij me hangen.

Toen ik enkele weken later terugkwam, vertelde mijn moeder pas wat er was gebeurd. Op de dag dat ik Stanley had gebracht, had hij uit de tuin weten te ontsnappen. ‘Op zoek naar jou,’ zei mijn moeder. Al weet je dat nooit zeker. Mijn ouders hadden alles in het werk gesteld om hem terug te vinden. Tevergeefs. Hij was verdwenen en bleef tot mijn grote verdriet voorgoed weg. 

Elke aanzet tot een nieuwe hond heb ik altijd met een ‘tot na mijn prepensioen’ afgewimpeld. En dat moment komt nu rap naderbij. Ik ben benieuwd, zeer benieuwd wat ik ga doen.

Stanley, 1984

De tien boeken die ik dit jaar het meest waardeerde

Boek uit (4)

Tien van de 86 boeken die ik, tot nu toe, in 2016 las, gaf ik de maximale score van vijf sterren. Dit zijn ze, in de volgorde waarin ik ze spelde:

IMG_1107.JPG

Parse, Craig Dworkin

‘Een beproeving van het uithoudingsvermogen.’ Lees verder.

Voices from Chernobyl: The Oral History of a Nuclear Disaster, Svetlana Alexievich

‘Emotioneel gezien wordt dit boek me telkens te veel.’ Lees verder.

On the Move: A Life, Oliver Sacks

‘Sinds ik Sacks voor het eerst zag in de VPRO-serie Een schitterend ongeluk (1993), is deze zachtaardige, erudiete man nooit uit mijn herinnering verdwenen.’ Lees verder.

Sauseschritt, Martijn Benders

‘Ik heb om Sauseschritt gelachen en gehuild, de bundel in de hoek gesmeten en al kussend onder mijn kussen gelegd; Sauseschritt is Benders op z’n best.’ Lees verder.

The Oppens Remembered: Poetics, Politics, and Friendship, Rachel Blau DuPlessis

‘George Oppen wilde eerst leven, om daarna uit eigen ervaring over de betekenis van het leven te kunnen schrijven.’

George Oppen and the Fate of Modernism, Peter Nicholls

‘In Nicholls’ boek lees ik voor het eerst, en ik heb intussen veel van en over Oppen gelezen, iets over de aanleiding die Oppen weer tot de poëzie bracht.’ Lees verder.

Penelope: Een gedicht, Wolfram Swets

‘Deze tekstuele installatie, die kan worden gerekend tot de conceptuele kunst, barst van het zelfvertrouwen en steekt het werk van literaire prominenten als Goldsmith en Dworkin naar de kroon.’ Lees verder.

Nieuwe vensters op de werkelijkheid: Contouren van een natuurfilosofie in ontwikkeling, Koo van der Wal

‘Dit boek zou een bestseller moeten zijn en op het nachtkastje van iedere politicus moeten liggen.’ Lees verder.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren

‘Van Zomeren heeft van zijn wandelervaringen een boek gemaakt, waarin het verlangen naar de verwezenlijking van een doel – in dit geval de waarneming van een vrij zeldzaam vogeltje – expressief is vormgegeven.’ Lees verder.

533: Een dagenboek, Cees Nooteboom

‘Ouder worden, kleiner worden, langzaam uitdoven, zo stelt Nooteboom ons zijn laatste jaren voor.’ Lees verder.

My Year in Books: voor de complete lijst en alle verdere details.

Robert Hughes, Koos van Zomeren, Claudia Rankine, James Altucher & Casper van Veen

Losse eindjes (1)

Kunst
‘Wat heb je ’t liefst? Kunst die het sociale contract wil omgooien maar faalt? Of kunst die wil behagen en amuseren en daarin slaagt?’ – Robert Hughes in The Shock of the New

Dagboek
‘Het voordeel van een dagboek is dat je de dingen neemt zoals ze komen, en dat is ook het nadeel ervan. Bij fictie of journalistiek werk heb je de dosering van gebeurtenissen zelf in de hand; je kunt hoogtepunten plannen. Natuurlijk speel je ook in een dagboek een organiserende rol, maar in essentie ben je, als het bijvoorbeeld over klapeksters gaat, overgeleverd aan de nukken van de natuur.’ – Koos van Zomeren in Verlangen naar klapekster

Racisme
‘Dit is de kern van het protest zoals dat de afgelopen jaren in Amerika vorm heeft gekregen: zwarte mensen die erop staan dat de aanwezigheid wordt erkend van datgene wat anderen weg willen laten uit hun perceptie van de werkelijkheid.’ – Claudia Rankine in een interview met De Groene Amsterdammer

Verandering
‘Wat gebeurt er als je besluit te veranderen? Mensen haten je. En jij voelt je ongemakkelijk, bang, ten einde raad, anders.’ – James Altucher op jamesaltucher.com

Geëngageerdheid
‘Ondanks dat er de afgelopen jaren geen gebrek was aan schrijnende politieke, maatschappelijke en economische problemen, is het Nederlandstalige poëzielandschap in die tijd niet overspoeld door een golf van jonge, geëngageerde dichters.’ – Casper van Veen op Literair Nederland

Het verlangen naar boek

Over klapeksters en Koos van Zomeren

Waarom vind ik Koos van Zomerens Het verlangen naar klapekster eigenlijk een goed boek? Onderhoudend is misschien een beter woord: het is aangenaam, houdt me bezig. 145 bladzijden lang aantekeningen over klapeksterwaarnemingen. Of liever gezegd non-waarnemingen, want zoveel ziet Van Zomeren er niet. Een klapeksters is een vogel die nauwelijks voorkomt in Nederland. Als je er eentje ziet, is hij of zij meestal op doorreis. Als er in een jaar tweehonderdvijftig worden geteld is het veel. Een voorbeeld van zo’n aantekening:

12/12/’11 Posbank, de Kaap. Zwaarbewolkt na regen (later wat lichter). Langdurige beschouwing van iets wits in de verte in de gaspeldoorns. Boterhammenzakje?

img_0791
Klapekster, foto Marek Szczepanek

In ons land worden klapeksters vooral in de periode oktober-april waargenomen. De meeste foerageren, sommige overwinteren hier. Maar je kunt ze dus zien als het kouder wordt. Ook Van Zomeren houdt van onze winter:

10/1/’12 Terlet. Nu regent het niet, nu waait het niet, nu is het mistig (tot halfelf ongeveer). Dit heideveld heeft nog niets opgeleverd, maar ooit zullen we hier scoren, dat beloof ik. Intussen, omdat de hersenen toch iets te doen willen hebben: het verlangen naar klapeksters is natuurlijk een verkapt verlangen naar sneeuw en het verlangen naar sneeuw, is natuurlijk een verkapt verlangen naar de dood. (Heus, diepzinnigheid is de simpelste kant van dit vak.)

Van Zomeren heeft van zijn wandelervaringen een boek gemaakt, waarin het verlangen naar de verwezenlijking van een doel – in dit geval de waarneming van een vrij zeldzaam vogeltje – expressief is vormgegeven. De lezer krijgt een aaneenschakeling van weer- en natuurbeschrijvingen voorgeschoteld, gelardeerd met reflecties op wat de schrijver ziet, hoort, ruikt, voelt.

Ik word meegenomen op zijn wandelingen, voel met hem mee, begin zelf te verlangen. Van Zomeren verstaat zijn vak.

Een jaar of wat geleden merkte hij op: ‘Als de langdurigheid het bijzondere is van mijn schrijverschap, dan moet ik er ook maar zo lang mogelijk mee doorgaan.’ Van Zomeren heeft intussen meer dan zestig boeken op zijn naam staan. En ik maak me sterk dat klapekster niet alleen voor klapekster staat, maar ook voor boek: Het verlangen naar boek. Een nieuw boek. Dát is wat hij met zijn zoektocht óók wil bereiken.

Zoals ik mijn leeservaringen heb verwerkt tot dit blogbericht.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 2014: via bol.com.

Dingen doen

Las een blogbericht van iemand die elke ochtend een lijstje maakt van vijf dingen die hij die dag zou willen doen. Vroeg me af wat ik, gegeven mijn lichamelijke beperkingen (hernia o.i.d.), vandaag eigenlijk zou willen doen. Wil doen. Ga doen:

  1. Gezond eten.
  2. Een artikel van Liz Kinnamon lezen: Elegant Uprooted Things: Jack Spicer, California, and Psychoanalysis.
  3. Een Kindle-editie van Koos van Zomerens Het verlangen naar klapekster aanschaffen.
  4. Een fles ‘malt’ (laten) halen, het zijn niet voor niks de wilde whisky dagen!
  5. Iemand een complimentje maken.

img_0784

En dit zijn dan de resultaten:

  1. Mijn maaltijden van vandaag: ’s ochtends: bord havermout; ’s middags: kliekje van gisteren: rijst, smoor van rundvlees, sambal goreng boontjes, pindasaus; ’s avonds: geroosterde biet met feta & tijm, pastinaak met rode ui, saucijsje; tussendoor: een banaan.
  2. Kinnamons artikel over Jack Spicer gelezen: ‘What killed Jack? Some offer the comfortable explanation that it was booze. But most who knew him well say poetry.’
  3. Van Zomerens e-boek aangeschaft: ‘Ontmoetingen met klapeksters hebben iets elektrificerends.’
  4. Het is naar aanleiding van enkele goede recensies een fles ‘Monkey Shoulder Blended Malt’ geworden, van € 31,39 voor € 27,99!
  5. Hennie een complimentje gemaakt en er een glimlach voor teruggekregen.

Heeft het maken van dit soort lijstjes zin? Jawel, is mijn eerste ingeving, mits je je voornemens ook daadwerkelijk tot uitvoering probeert te brengen. En je de resultaten naderhand evalueert, waarbij je je, in voorkomend geval, ook afvraagt waarom iets níet gelukt is. Bovenstaande opbrengst gaf me best een bevredigend gevoel.

Nog snel even gekeken wat míjn vogelgidsje, J.E. Sluiters Prisma vogelgids: Het herkennen van vogels in het vrije veld uit 1964, over de klapekster zegt:

Klapekster, Lánius excúbitor. ‘In de vlucht een zwart-wit-grijze vogel met witte stuit en lange zwartwitte staart. Op de vleugels een smalle witte vleugelstreep. De vleugels kort en afgerond. De vlucht is sterk golvend met een zwieper naar de uitkijkpost. Bidt. Jonge vogels hebben een dwarsgestreepte onderzijde en zijn grijsbruin. Geluid: De roep is ‘tsjek-tsjek’, de alarmroep een kort ‘èk-èk’. De zang is een mengeling van onderdrukte scherpe en melodieuze geluiden, met ‘tru’ en ‘kiehrr’. Imiteert. Voorkomen: Zeldzame broedvogel in het oosten en zuiden van Nederland en zeldzame, plaatselijke broedvogel in België. Waarschijnlijk stand- en zwerfvogel.’

img_0789
De klapekster. Getekend door Robert Scholz.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 2014: via bol.com.

Over de Uniastate en de sociale inborst van bomen o.a.

Staan en lopen zijn erg pijnlijk voor mijn rug en rechterbeen. Zitten en fietsen lukt nog wel. Verschillende mensen hebben me aangeraden om niet op de bank te blijven hangen maar regelmatig in beweging te komen. Dat lijkt me goede raad. Dus vanochtend de fiets gepakt en langzaam richting het dorpje Bears gefietst. Waar, zo zag ik gisteren op tv, een bijzonder kunstwerk staat:

img_0664

‘In het bescheiden dorpje Bears leefde ooit een vooraanstaande familie, de Unia’s. Na afbraak van hun State in 1756 ligt het terrein er eeuwenlang verlaten bij. Alleen de Poarte is nog een schamele getuige van het rijke verleden van deze locatie. Totdat rond 1990 een initiatief ontstaat om de state te laten herleven. Waar eens de stenen muren stonden verrijst een stalen replica, naar een ontwerp van kunstenaar Bep Mulder, als een luchtspiegeling van het verleden. De toren biedt een prachtig uitzicht over het landschap. Wie via de plechtige nog originele Poarte het heringerichte stinsenterrein betreedt, waant zich even bezoeker in een andere tijd.’ (Voor meer informatie: uniastatebears.nl.)

Daarna iets gelezen over de sociale inborst van bomen en bij de bibliotheek direct het boek gereserveerd waaruit het volgende citaat afkomstig is:

‘Why are trees such social beings? Why do they share food with their own species and sometimes even go so far as to nourish their competitors? The reasons are the same as for human communities: there are advantages to working together. A tree is not a forest. On its own, a tree cannot establish a consistent local climate. It is at the mercy of wind and weather. But together, many trees create an ecosystem that moderates extremes of heat and cold, stores a great deal of water, and generates a great deal of humidity. And in this protected environment, trees can live to be very old. To get to this point, the community must remain intact no matter what. If every tree were looking out only for itself, then quite a few of them would never reach old age. Regular fatalities would result in many large gaps in the tree canopy, which would make it easier for storms to get inside the forest and uproot more trees. The heat of summer would reach the forest floor and dry it out. Every tree would suffer.’ (Via Brain Pickings.)

Peter Wohlleben, de schrijver van The Secret Life of Trees / Het verborgen leven van bomen, hanteert hier een ander, zachtzinniger vocabulaire dan gebruikelijk om het leven van bomen te beschrijven. Wat me deugd doet. Omdat het noodzakelijk is dat we met andere, zachtzinnigere ogen naar de natuur gaan kijken. Alle elementen van onze wankelbare ecosystemen verdienen de volle aandacht.

‘Heb je ooit het gevoel dat bomen maatregelen nemen of in actie komen?’ vraagt Koos van Zomeren zich in zíjn bomenboek af. Wohlleben laat zien dat bomen dit inderdaad doen.

’s Middags heb ik half staand half zittend nog een appeltaartje gebakken. ’t Is per slot van rekening herfst.

Het verborgen leven van bomen, Peter Wohlleben, Lev, 2016: via bol.com.
Het bomenboek, Koos van Zomeren, Singel Uitgeverijen, 2008: via bol.com.

Maar je moet het wél doen!

image

‘We moeten aan de criticus vragen “wat hij te weten is gekomen” in plaats van “wat hij ervan vindt”,’ zegt de Brits-Oostenrijkse kunsthistoricus Ernst Gombrich (1909-2001) in het voorwoord van zijn boek Ideals and Idols: Essays on Values in History and Art. How true. Realiseer me tegelijkertijd dat ook ik me schuldig heb gemaakt aan die laatste vorm van kritiek bedrijven: het klakkeloos spuien wat je ervan vindt. En zweer dat bij deze af.

In Ruim duizend dagen werk, waarin Koos van Zomeren al zijn columns voor NRC Handelsblad verzamelde, kom ik deze ware uitspraak tegen: ‘Je gaat tenslotte niet in de kunst om over het hoofd te worden gezien.’ Ook ik niet. Al heb ik mijn vlegeljaren op dit gebied al weer achter me gelaten en maak er geen punt meer van waar ik wel en niet word gezien.

Wim ‘Iceman’ Hof raadt me in Koen de Jongs boek Koud kunstje: Wat kun je leren van Iceman? aan om dagelijks koud te douchen, mijn handen en voeten in een teiltje ijswater onder te dompelen, een ademhalingsoefening te doen en vooral door te zetten. Goed voor je bloedvaten en pijnappelklier. Maar om de positieve effecten te ondervinden moet je het wél doen!

Ideals and Idols: Essays on Values in History and Art, E.H. Gombrich, Phaidon,1979.
Ruim duizend dagen werk, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 2000.
Koud kunstje: Wat kun je leren van Iceman?, Koen de Jong, Uitgeverij Lucht, 2015.

Over Sybren Polet, Koos van Zomeren en schrijverschap o.a.

Waarom schrijf ik? Eigenlijk weet ik dat niet zo goed. In ’De geest van de literatuur’ kom ik een reden tegen waarom Sybren Polet schreef:

’[E]en eindeloos mentaal avontuur, een “duik in het eigen brein” die er net op gericht is dat brein een uitwendige bestaansvorm te schenken’.

Een prachtig motief. En als je bedenkt dat een ‘uitwendige bestaansvorm’ – een boek bijvoorbeeld – zijn maker met gemak kan overleven, dan heb je ook nog een klassieke drijfveer te pakken: jezelf vereeuwigen in een kunstwerk. Maar ik twijfel toch of mijn aandrijfas hier bij zit. Ik beleef aan schrijven in elk geval plezier. Maar waarom? En nu ik er zo over nadenk: waarom had ik vroeger zo veel plezier in een potje voetbal? Tegenwoordig beweeg ik omdat dat gezond schijnt te zijn. Wacht even, ik wandel nog verdomd graag. Misschien schrijf ik wel om dingen aan mezelf duidelijk te maken, omdat het mijn denken stroomlijnt, doelmatig organiseert. Schrijven om niet in mijn eigen gedachtespinsels verstrikt te raken. Zoiets.

Als je er op gaat letten, kom je overal redenen tegen: ‘Because I prefer to be left alone. And if you like being alone then be a writer!’

Ook Koos van Zomeren heeft plezier in schrijven. In zijn nieuwste boek Alles is begonnen, waarin hij terugblikt op vijftig jaar schrijverschap, geeft hij aan dat hij nooit iets anders dan schrijver heeft willen zijn. Mijn kennismaking met hem, met zijn werk dan, ik heb hem nooit persoonlijk ontmoet, moet begin jaren negentig hebben plaatsgevonden, toen hij dagelijks een column voor de voorpagina van NRC Handelsblad schreef. Daarna ben ik hem uit het oog verloren. En ik ben niet de enige. Zijn populariteit is de afgelopen decennia langzaam teruggelopen. (Ik heb hem enige tijd geleden herontdekt en verslind sindsdien al zijn boeken!) De terugval in de anonimiteit laat Van Zomeren niet koud:

‘De laatste twintig jaar heb ik mijn werk gedaan onder een publieke belangstelling die gestaag is afgekalfd en ten slotte het punt heeft bereikt dat iemand vrijwel onopgemerkt een boek over hazelwormen kan uitbrengen – wat je zowel wrang als ironisch mag noemen omdat het een dier betreft dat zelf ook vrijwel onopgemerkt door het leven gaat, en beter verdient. […]
    De laatste twintig jaar, zei ik. Onder afkalvende belangstelling. Sinds 1995 is dat. Toch altijd nog zo’n twintig boektitels. Op een totaal van ruim zestig.
     Mijn boeken staan hier op mijn kamer apart; ze vullen twee planken, eigenlijk kan er geen boek meer bij. Als ik ergens ga voorlezen, wat zelden meer gebeurt, zie ik zelf ook wel dat er prachtige stukken in staan. Ontroerd door eigen werk. Snik in je stem. Moet je voor oppassen. Maar ja, de vergeefsheid van dit alles.
    In het leven van alledag ga ik mijn boeken zo veel mogelijk uit de weg. Ik kijk ze alleen in als het per se nodig is. Mijn werk is me pijnlijk. Of nee, mijn werk niet, het zijn de illusies waaraan ze me herinneren die me pijnlijk zijn. Aan de andere kant: zonder illusies was er geen werk geweest.’

Van Zomeren denkt zelfs serieus over stoppen na. Gelukkig weet hij zich enkele pagina’s later te herpakken en neemt een besluit: ‘En plotseling balden mijn mijmeringen zich samen tot één, kristalheldere gedachte. Als de langdurigheid het bijzondere is van mijn schrijverschap, dacht ik, dan moet ik er ook maar zo lang mogelijk mee doorgaan.’ Ik hoop nog menigmaal een nieuw boek van hem te mogen lezen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 31-11-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)

Het hoogst haalbare is uitstel

Een dagregister bijhouden is één ding, een góed dagregister, waar ik ook nog wat van opsteek, is iets anders. Dat vergt een kritische houding ten opzichte van mezelf. En dat kan beter. Ik moet mijn doen en laten niet alleen gadeslaan, maar ook juist en onjuist gedrag onderkennen, niet bang zijn om fouten aan te wijzen.

Ik ga een tijdje uit de running, wil me verder laten onderzoeken, samen met de artsen een behandelplan opstellen, samen met Hennie & de kids de situatie verwerken en, als het meezit, begin september nog twee weekjes op vakantie gaan. Mijn werkgever werkt ten volle mee. Ik heb een goed gevoel over dit stappenplan.

Ik lees een bemoedigende gedachte in Koos van Zomerens Nog in morgens gemeten: Nieuw Herwijns dagboek (De Arbeiderspers, 2006): ‘Het hoogst haalbare is uitstel. Nu vind ik het gevecht om uitstel niet zinloos of minderwaardig, integendeel, ik zie het hele leven als een gevecht om uitstel, maar erg bemoedigend is deze gedachte niet.’ Jawel Koos, voor mij zijn dit op dit moment opwekkende woorden.

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-07-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Kersenbloesem

Vandaag, net als gisteren overigens, gewoon aan ‘t werk gegaan. Onderweg vraag ik me af of ik nu in een reflex teruggrijp op het routinematige, om de slagen van het leukemiebericht op te kunnen vangen. Ik lees bij Koos van Zomeren, in Nog in morgens gemeten: Nieuw Herwijns dagboek (De Arbeiderspers, 2006):

‘Je reflexen lezen de situatie. Ze zoeken houvast, zetten hun tanden op elkaar en vinden een uitweg.’

Eenmaal achter het bureau is de concentratie ver te zoeken. Ik rommel wat aan. Pleeg een telefoontje. Tik een pagina analyseproza, maar kom niet tot conclusies. Besluit na een paar uurtjes om naar huis te gaan.

In het Amsterdamse Bos stop ik even bij het Kersenbloesempark, dat in juni al weer zonder bloesem zit. In Japan staat deze bloesem symbool voor de vergankelijkheid, van de schoonheid en van het leven, dat kort is en mooi. In april kom ik terug.

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)