Grijs, weinig wind. Ruim anderhalf uur de buitenlucht in. Ik had het gisteravond toch bij één glaasje grappa moeten laten.
     Volgens de familienamenbank dragen vandaag de dag circa drieduizend mensen in Nederland de achternaam Van ‘t Hof. Vlak na de Tweede Wereldoorlog waren dat er nog maar tweeduizend. Ongetwijfeld heeft of had niet iedere Van ‘t Hof een onberispelijke levenswandel, maar ik keek toch raar op toen ik vanmiddag in Koos van Zomerens Een bevrijding het volgende las: ‘In Winschoten heb ik [ene Berends] [in 1944] wacht gedaan op het politiebureau. Ik had om de andere dag nachtdienst en was behulpzaam in de keuken. Er was daar een zekere Glazenburg ingesloten wegens een beledigende brief aan politiecommandant Van ‘t Hof, welke lid was van de NSB.’ Van Zomeren citeert hier uit een proces-verbaal, dat na de oorlog is opgemaakt.
      Een Van ‘t Hof die NSB’er is geweest. Voor zover ik weet is onze familie niet bekend met een familielid dat in de fout is gegaan. Maar uitsluiten kan ik de mogelijkheid ook niet. Ik zal mijn vader er eens naar vragen.

7D7834E2-8183-430F-82DB-A9342DDC21F6
Lekkum, 2017 © Ton van ‘t Hof

Zag gisteren een zeldzame docu op Arte van de Franse schrijver-reiziger Sylvain Tesson, White October, waarin hij enkele bergen in Tadzjikistan beklimt. De gevolgen van Tessons ongeluk in 2014 zijn goed te zien: zijn gezicht is gedeeltelijk verlamd en hij trekkebeent. Toch weet hij in het adembenemend mooie landschap tot 5500 meter te stijgen. En tussendoor doet hij wat hij altijd gedaan heeft: schrijven. ‘Voor mij geen meditatie,’ zegt Tesson, ‘geen zoeken naar leegte, maar structureren, het ordenen van mijn gedachten. En dat doe ik door te schrijven.’ Hoe herkenbaar.
     Jarenlang heb ik boeken over de Tweede Wereldoorlog verslonden, maar op een gegeven moment was ik het zat. Dat dat iets te maken zou hebben met het vallen van de Muur of mijn eerste uitzending niet veel later is, geloof ik, wensdenken, het verzinsel van een schrijver. Wat wel zeker is: ik ben aan Koos van Zomerens Een bevrijding begonnen omdat ik me momenteel in zijn werk verdiep. Dit drieluik geeft vanuit verschillende invalshoeken de gebeurtenissen op 5 mei 1945 in Leersum weer, waarbij zes Nederlandse verzetsmensen en een Nederlandse SS’er omkwamen.
     Van Zomeren: ‘Iedereen interesseert zich voor de oorlog en vraagt zich tegelijkertijd af waarom iedereen zich voor de oorlog interesseert. Zou het niet gewoon zo zijn, dat in de oorlog de absurditeit, die we achter de werkelijkheid van alledag vermoeden, in verhevigde vorm tot uitdrukking komt?’ Dat laatste kan ik ten volle beamen.
     En binnenblijven was geen optie vandaag: wat een licht, wat een luchtschappen!

8EE6CBFA-2774-4BA8-B213-B1D644DFC973
Wester Stadsgracht, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Volkomen eerlijk zijn en me niet mooier voordoen dan ik ben. Met deze woorden sluit ik me aan bij dagboekschrijver Gerrit Jan Zwier, die zich op zijn beurt aansluit bij dagboekschrijver Hans Warren, die zich op zijn beurt weer aansluit bij etc.
      Koos van Zomeren schreef met Het verhaal een bijzonder verhaal rondom de volgende kerngedachte: ‘Dat iedereen gelooft wat hem het beste uitkomt, denk ik nog steeds. Maar het is niet meer zo’n vernietigende, bijna haatdragende gedachte. In de loop der jaren is er een wanhopig soort deernis ingeslopen. Moet je niet elke poging om het leven inhoud te geven respecteren?’ De laatste zin slaat ook op een zelfmoord die verderop in het boek plaatsvindt. Uiteraard heeft Van Zomeren met ‘elke poging’ geen laakbaar gedrag in gedachten, althans daar zie ik hem niet voor aan.
      Dan nog: Moet je elke [niet laakbare] poging om het leven inhoud te geven respecteren? Ook als het op fundamentalistische, orthodoxe, antiliberale leest geschoeide handelwijzen betreft? Hierover moet ik nadenken.
      Wat doe je als iemand een boek bestempelt als ‘een van de beste reisboeken die er in Nederland verschenen zijn’? Op je qui-vive zijn. Wat doe je als je vervolgens hoort dat de schrijver ooit op de Hebriden verzuchtte: ‘Voor zo’n beroep [vuurtorenwachter] zou ik ook wel wat voelen.’ Met spoed aanschaffen dat boek! Wat ik gedaan heb: Aan de rand van de zee, Jan van der Vegt, Nijgh & Van Ditmar, 1976.
      Vanmiddag op familiebezoek in Almere. Er is sneeuw voorspeld.

Het verhaal, Koos van Zomeren: ‘In de natuur ontbeert de dood het dramatische dat haar in de literatuur zo apart maakt.’
     Over doodgaan gesproken. Eenderde van de Nederlandse planten- en dierensoorten dreigt het loodje te leggen. Dat werd deze week door het Compendium voor de Leefomgeving bekend gemaakt. Niets nieuws, want we weten dit al heel lang. Lichtpuntje: na een sterke toename is het aantal bedreigde soorten sinds 2005 enigszins afgenomen. Of dit aan ons natuur- en milieubeleid valt toe te schrijven moet nog worden onderzocht. Niet iets om melodramatisch over te doen, integendeel: nog meer schouders eronder.
      Waarom mensen slechte dingen doen? Denk aan het allerslechtste dat je zelf ooit beging en vraag je af waarom je dat deed.
     Het onstuimige weer is geen reden om binnen te blijven. Ook de meeuwen zien de lol van de stormachtige zuidwester in. Bij bosjes hangen ze luid krijsend tegen de wind in of scheren pijlsnel met de wind mee over huizen en bomen. Laatst zei iemand dat wie geen verstand van vogels heeft vooral meeuwen ziet. Wat ik als vogelleek moet beamen, en lach met de meeuwen mee.
     Vanmiddag de koopovereenkomst getekend voor een ‘compleet zonnestroomsysteem’ inclusief installatie; twaalf zonnepanelen die ons huidige stroomverbruik volledig zouden moeten dekken. Plaatsing over enkele maanden. Ik heb een groen gevoel vanbinnen.

Wat nu in mijn leven gebeurt nu beschrijven omdat het straks op mijn blog moet zou, als ik Koos van Zomeren goed interpreteer, volstrekt strijdig zijn met de instelling die nodig is om literatuur te kunnen schrijven. Naast dit tempoverschil is er ook een verschil in instelling tegenover taal. Wie literatuur wil schrijven, zegt Van Zomeren, dient het woord echt zijn werk te laten doen. Hij zou overigens Van Zomeren niet zijn als hij niet toch had geprobeerd – en met succes – van zijn journalistieke werk ook literatuur te maken. Zijn dagelijkse column op de voorpagina van de NRC in de jaren negentig is hier een prachtvoorbeeld van. Welnu, veel pretenties heb ik niet, maar tegen een mooie zin of een aardige gedachte zo af en toe zou ik geen nee zeggen.
     De stad maakt een opgeruimde indruk. Niet netjes maar vrolijk, blij dat de sinterklaasgekte voorbij is. De wind blaast al het krankzinnige wereldnieuws uit mijn overprikkelde hersenen; ik heb vanochtend te lang op allerlei nieuwssites rondgedoold. Gelukkig breekt elke dag opnieuw een onbekend tijdperk aan. Wat zeggen wil: morgen kan alles weer anders zijn. Als ik door de Prinsentuin langs de Noorder Stadsgracht wandel realiseer ik me dat men, een handjevol mensen, nog maar twaalf of dertien eeuwen geleden, vanaf ditzelfde punt over de Middelzee uitkeek, die bij slecht weer in een woest beest kon veranderen. Onder Frankisch bewind werd graan aangevoerd en was de eerste houten kerk verrezen. Vijftig tot zestig voorvaders terug. ‘t Kan verkeren.

DE11BE5D-33C7-459A-8F95-2CFF3EFA3D31.jpeg
‘1 nikkelen kwartje inwerpen’, Sint Frederikssteeg, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Koos van Zomeren over Bastiaan Bommeljé in Een jaar in scherven (1988): ‘Zelden wordt geblaseerdheid in zo’n hoge concentratie aangetroffen.’ Herkenbaar. Ik werd pas in mijn De Contrabastijd (2005-2009) met een stampvoetende Bommeljé geconfronteerd, maar het zat er gezien Van Zomerens uitspraak klaarblijkelijk al vroeg in.

Wat ik me nog herinner van mijn lange stadswandeling vanochtend: dat er in de ene wijk beduidend meer vogels rondvlogen dan in andere, dat Buienradar geen regen had voorspeld maar dat ik halverwege de wandeling tóch een plensbui te verwerken kreeg, dat vervolgens de zon ging schijnen, en dat ik tot slot een snackende kraai tot op een half metertje naderen mocht.

Daarna de Brandsma’s weer; genealogisch onderzoek is verslavend. Ditmaal Jelle Johannes, de oudste zoon van Johannes Jelles, die voor een geografische omslag zorg zal dragen. Jelle Johannes werd in 1802 in Stiens geboren, dat tien kilometer ten noorden van Leeuwarden ligt. Ook zijn vader was in Stiens ter wereld gebracht en zijn grootvader en vermoedelijke overgrootvader waren er ooit neergestreken. Maar Jelle Johannes zou niet in dit dorp blijven.
     Na zijn geboorte kom ik hem in 1839 pas weer tegen. Hij is dan als boerenknecht in Wirdum aan de slag, zuid van Leeuwarden. Mogelijk heeft een tekort aan werk hem die kant opgedreven. Als hij in 1844 met de dertien jaar jongere Marijke Pieters Ruitinga trouwt, met wie hij twee kinderen zal krijgen, geeft hij als beroep arbeider op. Alvorens zich in 1862 definitief in Winsum te vestigen, niet ver van Wirdum af, wonen ze in elk geval nog in Beers en Oosterlittens. Jobhopping vermoed ik. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.
     Op 1 september 1870 overlijdt Jelle Johannes op 68-jarige leeftijd. Marijke overleeft hem twintig jaar. Zij zal in Winsum nog kleinkinderen zien opgroeien, onder wie de Hennie’s pake.

1870: Nederland schaft geseling als straf af; Frankrijk verklaart Pruisen de oorlog; Londen neemt ‘s werelds eerste metro in gebruik; het koninkrijk Württemberg treedt toe tot de Noord-Duitse Bond; in Amsterdam wordt de Beiersch-Bierbrouwerij De Amstel opgericht (bron: Wikipedia).

Aldlânstate, Leeuwarden, 2017 © Ton van ‘t Hof

Deze maand zijn mijn ouders zestig jaar getrouwd, vandaag vieren we dat. Alleen met kinderen met aanhang; pa & ma worden per slot van rekening al een dagje ouder. Ik geloof dat ze kunnen terugkijken op een redelijk gelukkig huwelijk met, uiteraard, ups en downs. De afgelopen jaren, waarin de lichamelijke gebreken toenamen en ze ook nog eens moesten verhuizen, waren niet de meest gemakkelijke. Ik heb momenten van verwijdering gezien die ik nooit zelf hoop mee te maken. Die momenten zitten me dwars. Ik kan ze alleen begrijpen als ik ze wijt aan een zekere mate van kindsheid. Vuur in hun ogen doet me pijn. Oud en wijs, jawel, maar tot op zekere hoogte.
     Enfin, hoe dan ook, het was een geanimeerd feest.

Aanwinsten:

  • Het verhaal, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 1986, 2e-hands, € 5,20;
  • Een bevrijding, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 1991, 2e-hands, € 8,25;
  • Nog in morgens gemeten: Nieuw Herwijns dagboek, Koos van Zomeren, Privé-domein nr. 261, De Arbeiderspers, 2006, 2e-hands, € 17,50.