Over ‘Maar de kunst van de erotiek’

Ik viel als een blok voor Koenraad Goudeseunes gedicht ‘Maar de kunst van de erotiek’, dat ik op Facebook las, waarna ik direct zijn nieuwe bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan (Leesmagazijn, 2014) via bol.com aanschafte.

MAAR DE KUNST VAN DE EROTIEK

Maar de kunst van de erotiek
is geen kunst.
Of niet volledig kunst, niet alleen
maar kunst. Het is ook politiek.

De politiek van het vel van een
mooi lichaam is geen mooie politiek.

Rozen hadden verdwenen moeten zijn
aan het eind van de negentiende eeuw.

Op de velden alleen nog tarwe,
en aardappelen.

Maria Callas had het met tulpen moeten stellen,
boterbloemen.

Eenvoud.

Rozen hadden verdwenen moeten zijn aan het einde
van de negentiende eeuw.

Uitgestorven.

In 1969, Maria Callas is dan 46 jaar oud, en een beroemde operazangeres, wordt een grote, sterk geurende, donkerroze roos naar haar vernoemd. Callas is een verbastering van Kalos, haar achternaam, wat in het Grieks mooi of schoon betekent. Ze had een controversiële stem, even geliefd als verguisd, een complex geluid, waar veel over gezegd en geschreven is. Ik behoor tot haar bewonderaars, Goudeseune verkiest de eenvoud.

En mooi was ze, Callas, een klassieke schoonheid, erotisch, zinnenprikkelend. Maar niet zonder schandalen. Een temperamentvolle prima donna, die de bijnaam ‘tijgerin’ werd gegeven. Ze verkeerde bijna tien jaar met Aristotle Onassis, voordat hij haar verliet voor Jacqueline Kennedy. Goudeseune oppert dat Callas ook geslepen was, politiek handelde. Ik durf dat niet te onderschrijven, maar wil geloven dat ze een ingewikkelde persoonlijkheid had. Op 53-jarige leeftijd overleed ze aan een hartaanval, mogelijk veroorzaakt door een overdosis slaapmiddelen.

Het gedicht is in enkele grove streken neergezet. Elke zin kort en duidelijk. Vol geuren en kleuren ook: rozen, tarwe- en aardappelvelden, tulpen, boterbloemen; een aantrekkelijk geheel. Maar niet een-twee-drie volledig te begrijpen. Want waarom hadden rozen nu verdwenen moeten zijn, uitgestorven, aan het eind van de negentiende eeuw?

Sinds het begin van de twintigste eeuw klinkt in elke roos die in een vers opdraaft Gertrude Steins ‘een roos is een roos is een roos’ mee. Zo ook hier. Steins uitlating wordt vaak geïnterpreteerd als ‘de dingen zijn zoals ze zijn’. Zijzelf zei ooit dat ze er de ommezwaai mee op het oog had, die zich in de moderne tijd voltrok en taal definitief scheidde van ‘de zelfstandigheid buiten de taal waarnaar taalkundige elementen’ nog slechts kunnen verwijzen. Zo bezien drukt ‘een roos is een roos is een roos’ ook een romantisch verlangen uit naar de tijd waarin er nog sprake was van een vaste, innige relatie tussen woord en werkelijkheid, naar toen kennis en ervaring nog tegen elkaar aanschurkten.

Naar die eenvoud zou Goudeseune willen terugkeren. Daarom had de roos als zondebok verdwenen moeten zijn, uitgestorven, aan het eind van de negentiende eeuw. In het gebruik van het bittere woord ‘uitgestorven’ maakt zich ook een besef waarneembaar dat een terugkeer zonder meer niet tot de mogelijkheden behoort. In ‘Maar de kunst van de erotiek’ voert Goudeseunes voorliefde voor ongekunsteldheid op ingenieuze wijze de boventoon.

(Dit bericht verscheen eerder, op 15-03-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Taal zou moeten worden gekastijd

Ik heb me vermaakt met Koenraad Goudeseunes jongste telg, de eerste overigens die ik van hem las: Het probleem met mensen die naar zee gaan (Leesmagazijn, 2014).

HET PROBLEEM MET MENSEN DIE NAAR ZEE GAAN

Van Rutger Kopland wordt verteld
dat hij op het einde van zijn leven
vroeg naar het Koplandgehalte
in de nieuwste poëzie.

Dat viel erg mee.

Het probleem met mensen die naar zee gaan,
is de titel van een gedicht van zijn hand
dat niet meer werd geschreven.

Als je naar zee gaat, lees ik verderop, krijg je zand tussen je tenen. En ook: ‘de zee / […] er is niets dat zo eenvoudig eeuwigheid / in tijd uitdrukt, in wat komt en gaat, / in wat blijft komen en blijft gaan.’ Wat het titelgedicht in een ander licht stelt: het probleem met mensen die naar zee – de eeuwigheid, het hiernamaals – gaan, is dat ze geen gedichten meer schrijven.

Goudeseune laat zich graag vergezellen van bijtende spot, steekt de draak met van alles en nog wat, maakt me aan het lachen, is meer dan eens knorrig en dan moet de poëzie het regelmatig ontgelden:

DE GESCHIEDENIS VAN DE MAAN

Miljoenen jaren niks
en dan plots twee
huppelende mannetjes.

Dat was eigenlijk ook niks:
Enkele stenen, een handvol stof,
een Amerikaanse vlag die niet wappert.

Er gebeurt jandorie meer in de Vlaamse poëzie.

Soms speelt Goudeseune grof spel en werpt de lezer een belediging in het gezicht, ‘Wat ben jij toch een lul!’, tart zijn of haar fatsoensnormen:

De lezer hoort naast honden, naast het huilen van de wind,
ook Magalia Devleeschouwer piepen als in Auschwitz een
jodin.

Bij deze strofe moest ik denken aan een uitspraak van Elfriede Jelinek, die de lading van deze opmerkelijke bundel lijkt te dekken: ‘Language should be tortured to tell the truth.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 12-03-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)