Onder een bewolkte hemel over de dijk van Stavoren naar Hindeloopen gewandeld. Links het grijsblauwe water van het IJsselmeer en rechts donkergroene weilanden waarin koeien en bosjes staan. Waar ik ook keek: een lage horizon die eindeloos ver leek te liggen. Nog niet alle ruimte is verdwenen uit Nederland. Boven mijn hoofd schreeuwden water- en weidevogels door en naar elkaar.

Ik had me voorgenomen om onderweg wat na te denken over een poëzierecensie die Janita Monna onlangs voor Trouw schreef. Specifieker: over de zet waarmee ze de bespreking opent. Die luidt zo:

‘Zou ik zonder Menno Wigman ook aan Koenraad Goudeseune zijn begonnen? Een van de laatste keren dat ik Menno zag, vertelde hij een liefhebber te zijn van Goudeseune’s werk. Ik kende het niet goed, wist wel dat hij ooit voor zijn gedicht ‘Ieper’ de Gedichtendagprijs had gekregen.’

Mijn eerste reactie: Poëzierecensenten die het werk van Goudeseune niet kennen vind ík niet erg vakkundig. Maar kennelijk schaamt Monna zich niet voor haar minder professionele houding, loopt er zelfs mee te koop.

Op de dijk lagen honderden schapen. Ik zigzagde tussen ze door. Plots zag ik er eentje op haar zij liggen, met een opgeheven achterpoot. Uit haar vulva stak een puntje vlies; de uitdrijving was begonnen. Ik had al verschillende lammeren gezien met een lange, verdroogde navelstreng aan hun buik; op deze dijk hadden meer bevallingen plaatsgevonden. Het schaap kreeg een volgende wee; ze bleef er wonderwel rustig onder. In het volste vertrouwen liet ik haar achter in handen van Moeder Natuur.

Per jaar verschijnen er pak hem beet honderdvijftig poëziebundels. Ik begrijp best dat ook recensenten die niet allemaal kunnen lezen, maar een hogere geletterdheid dan gemiddeld verwacht ik toch zeker. 

Laat ik maar aannemen dat Goudeseune onwillekeurig aan Monna’s aandacht ontsnapt was, totdat Wigman haar op het werk van de Vlaming attent maakte. En wat een nominatie voor de Jo Peters Poëzieprijs en de toekenning van de Gedichtendagprijs niet voor elkaar hadden gekregen, lukte Wigman wel: Monna besloot een bundel van Goudeseune te lezen en te recenseren. Wat alleszins lovenswaardig is.

Terwijl de brandganzen me om de oren vlogen concentreerde ik me op de slotvraag: Wat beoogt Monna nu precies met haar openingszinnen? Wil ze de lezer laten weten dat ze Menno Wigman persoonlijk heeft gekend en hem een zekere autoriteit toebedeelt? Biedt ze hier wellicht haar verontschuldigingen aan voor het feit dat ze schaarse opinieruimte vult met een bespreking van een, in haar establishment ogen, minor poet?

Of zoek ik, muggenzifter, te veel achter Monna’s woorden? En is er slechts sprake van een tikkeltje onnozelheid? Nou ja, besloot ik, terwijl ik de dijk verliet, laat ik het daar dan maar op houden.

80C4D48B-2683-48EE-9070-89D772D6F0D3
Brandganzen, Molkwerum, 2018 © Ton van ’t Hof

Voor dichters is de inzet van poëzie, het belang dat op het spel staat, groot. Daarom bomen ze onderling ook zoveel en botsen hun opvattingen rond poëzie meer dan eens. De Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune brengt poëticale denkbeelden niet alleen in gesprekken naar voren, maar legt ze ook onomwonden in gedichten vast. Zo blikt hij in onderstaand vers, dat in de bundel Vet hart (Bokeh, 2016) is opgenomen, terug op zo’n ‘frisse’ discussie over de vraag wat poëzie is of waar zij over moet gaan. Waar de ik-figuur zijn eigen emoties en gemoedsstemmingen in gedichten wil verwoorden, staat zijn tegenstrever kennelijk – zijn opvattingen worden niet expliciet weergegeven – een anti-lyrische houding voor. Je zou daarbij kunnen denken aan een opstelling die rust op het idee dat een gedicht in de eerste plaats een talig en autonoom ding is. Maar het blijft gissen.

Uit: Vet hart, Koenraad Goudeseune, Bokeh, 2016

Oké. Vooruit dan: ik ben een controlfreak. Geen extreem geval, maar toch eentje die een behoorlijk aantal onzekerheden wil uitbannen. Omdat ik niet graag iets kwijtraak, geef ik veel dingen een vaste plaats. Omdat ik overzicht wil blijven houden, structureer ik onophoudelijk zaken.

Deze ordentelijkheid strekt zich ook tot mijn boekenkast uit: ik rangschik boeken op auteursnaam, niet op genre, en volgens de letters van het alfabet. Op een van de laatste planken ligt een ongeordend stapeltje lectuur: de boeken die nog gelezen moeten worden.

Nu ik na enige maanden afwezigheid weer bij Goodreads terugben, heb ik grote drang om deze ongelezen lectuur op mijn Want-to-Read-lijstje te zetten. Verzet hiertegen heeft, weet ik, geen enkele zin. Daar word ik alleen maar ongedurig van. Dit zijn ze dan:

  • Adder onder adders: Mijn jeugd tijdens de Russische revolutie, Victor Alexandrov, De Arbeiderspers, 1966
  • T as in Thether, David Bromige, Chax Press, 2002
  • Flarf: An Anthology of Flarf, red. Drew Gardner e.a., Edge, 2017
  • Vet hart, Koenraad Goudeseune, Bokeh, 2016
  • De stem op de 3e etage, Gerrit Kouwenaar, Querido, 1960
  • 21 Poems, George Oppen, New Directions, 2017
  • The Selected Letters of George Oppen, red. Rachel Blau DuPlessis, Duke University Press, 1990
  • Verder struinen op IJsland, Ruud Schaafsma, eigen beheer, 2016
  • Gelatenheid, Wilhelm Schmid, De Bezige Bij, 2015
  • Monet or the Triumph of Impressionism, Daniel Wildenstein, Taschen, 2010
  • Walking the Himalayas, Levison Wood, Hodder & Stoughton, 2017