Literair dagboek, over Michael Heller & Dichters van het nieuwe millennium

image

Ruim tien jaar geleden nam ik voor het eerst contact op met de Amerikaanse dichter Michael Heller (1937). Ik vroeg en kreeg zijn toestemming voor de plaatsing van een vertaling van een van zijn gedichten op het inmiddels ter ziele gegane weblog poëziepamflet.nl.

Sindsdien zijn we met elkaar, zij het op onregelmatige basis, in contact gebleven. Onlangs wees hij me op een boek over zijn werk, dat in 2015 verscheen: The Poetry and Poetics of Michael Heller: A Nomad Memory. Ik heb het onmiddellijk aangeschaft. Heller krijgt steeds meer waardering.

In de introductie heb ik een opmerking van Heller onderstreept, die hij enige tijd terug tijdens een interview maakte:

‘Since I am not caught up in a conceptual poetics, i.e. a poetics which, a priori, has worked things out, including its idea of reality and therefore knows precisely what to do about it, I’ve always felt that each poem of mine heals (for me) a dissonance between what has already been said or written and what a constantly changing world would require to be understood or felt or experienced.’

Heller zoekt voortdurend naar nieuwe gezichtspunten en wil zichzelf daarbij geen beperkingen opleggen. In deze poëticale uitspraak klinkt George Oppen door, wiens gedachtegoed hij uitvoerig heeft bestudeerd.

Dit citaat zou het motto kunnen zijn van één van de bundels die ik nog moet schrijven.

***

Andermaal aandacht voor Dichters van het nieuwe millenium, waarin we onder redactie van Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre kennis kunnen maken met ’24 uiteenlopende dichters uit Nederland en Vlaanderen die in dit millennium debuteerden.’ Al eerder noemde ik dit een lekker boek en beloofde in een volgend bericht nog op de inleiding in te gaan.

Een inleiding waarover al het nodige door anderen is gezegd. Een inleiding waarin kort enkele tendensen in het 21e-eeuwse poëzieveld worden behandeld en we kunnen lezen dat het boek primair voor ‘de klas’ is bedoeld.

Een inleiding ook waarin Dera, Posman en Van der Starre op één selectiecriterium na – je moet als dichter in dit millennium zijn gedebuteerd – niets over het selectieproces prijsgeven.

En toch hebben ze gekozen.

Uit meer dan vijfhonderd debutanten (volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie verschenen er in de jaren 2000-2015 ruim 540 debuutbundels – en de lijst is nog niet compleet – bij reguliere uitgeverijen).

Slechts 4,4 % van deze debutanten wordt in Dichters van het nieuwe millennium behandeld. ‘Veel belangrijke 21e-eeuwse dichters, met debuten na en uiteraard ook voor 2000,’ geven Dera, Posman en Van der Starre in hun inleiding toe, ‘ontbreken.’

Omdat er geen inzicht in het selectieproces wordt gegeven, blijven de 24 behandelde dichters tot een willekeurig lijstje behoren en kan Dichters van het nieuwe millennium, ondanks dat het lekker leest, het label arbitrair niet ontlopen. Wat ik jammer vind.

***

The Poetry and Poetics of Michael Heller: A Nomad Memory, red. Jon Curley en Burt Kimmelman, Fairleigh Dickinson University Press, 2015: via bol.com.

Dichters van het nieuwe millennium: Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw, red. Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre, Uitgeverij Vantilt, 2016: via bol.com.

Lekker hoor!

Na mijn bordje havermout vanochtend (gezondheidsfreak!) een half uurtje in de verzamelbundel Dichters van het nieuwe millennium gelezen, dat vlot en dan weer hoekig geschreven is; niet alle literatuurwetenschappers van wie een stuk is opgenomen drukken zich even gemakkelijk uit.

image

In 24 hoofdstukken worden 24 dichters die in dit millennium debuteerden beschouwd. (Op de inleiding, die eigenlijk de kardinale verhandeling van dit boek is, kom ik in een apart bericht nog terug.)

Aardig vind ik dat veel wetenschappers ruimhartig uit recensies citeren, waarin bundels worden besproken die behoren tot het oeuvre dat ze hebben geanalyseerd. Telkens blijkt weer dat recensenten het zelden met elkaar eens zijn, bijna nooit tot een eensluidend oordeel komen.

Wat, voor wie bedenkt dat het in de poëzie draait om smaak & netwerken, niet vreemd is. Van gedichten kom je nooit alles te weten. Tekstanalyse blijft impliciet en introspectief. De poëziescene, waarin dichters recensenten en/of literatuurwetenschappers zijn, hangt van intriges & ouwe-jongens-krentenbrood aan elkaar.

Desondanks smul ik van dit boek. Als dichter en poëzieblogger. Van alle zin en onzin die er in staat. Soms weet een stuk me de ogen verder te openen, dan weer ben ik een andere mening dan de scribent toegedaan. Maar vervelend wordt het zelden. Lekker hoor!

Dichters van het nieuwe millennium: Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw, red. Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre, Uitgeverij Vantilt, 2016: via bol.com.

Schaarse aandacht

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik de geschiedenis in herhalingen zie vervallen. Als Cees Nooteboom in Een middag in Bruay uit een ingezonden brief van een Algerijnse schooljongen citeert, moet ik aan misnoegde jihadgangers denken. Nooteboom in 1962:

‘Hij haat de Fransen om hun welvaart en omdat ze rijk zijn en hem verpletteren. […] “Ik haat ze,” zegt hij, “omdat ze degenereren,” en dat is waarschijnlijk de gevaarlijkste waarheid die hij aan het hele nieuwe Europa kon toedienen.’

Daarna naar de bibliotheek, waar ik constateer dat alle eigentijdse poëzie is uitgeleend en ik naar een restje staar dat veel weg heeft van een canon van voor de mammoetwet. Of zou er hier iets anders aan de hand zijn? Ik pak een dagboek van Koos van Zomeren en fiets peinzend naar huis.

Thuis lees ik in Rekto:verso een onderhoudend stuk van Kila van der Starre over poëzie en onderwijs: ‘Geef poëzie een toekomst’. Het geeft inzicht in de wijze waarop poëzieonderwijs tegenwoordig wordt gegeven en hoe het zou kunnen worden verbeterd. Ik blijf wat langer stilstaan bij de onderbouwing van nut en noodzaak van poëzie:

‘Dirk Terryn, werkzaam bij CANON Cultuurcel en voormalig leraar Nederlands, legt uit dat bij het lezen van poëzie een andere manier van denken geactiveerd wordt: “Leerlingen worden door poëzie gedwongen om niet logisch, maar metaforisch na te denken. Het is een manier om buiten de geijkte denkpatronen van het onderwijs te komen, om te ontsnappen aan de clichés van de ‘empirische’ wetten. Gedichten geven je een nieuw zicht op de complexiteit van de werkelijkheid. Bovendien verlagen ze ons tempo: gemiddeld lezen we een gedicht zes keer trager dan een normale tekst.” Ook is de kennis die een gedicht ons geeft, anders dan de kennis die “normale” schoolteksten opleveren. Herman De Coninck beschreef dat als volgt in Over de troost van pessimisme (1983): “Toen ik ooit lesgaf, poëzie, aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik.”’

De grote gemene deler hier lijkt iets van een bril te zijn, die poëzie ons aanreikt en waardoor we de wereld om ons heen op een andere, nieuwe manier kunnen waarnemen. Geen sterk argument te midden van talloze andere brillen. Wat maakt poëzie nu zo uniek dat we er allemaal onderricht in moeten krijgen? Zou les in yoga, bijvoorbeeld, in deze gestresste tijd niet veel logischer zijn? Als poëzie niet langer boven vermaak kan worden uitgetild, dan zal de schaarse aandacht van de leerling worden verlegd naar serieuzere zaken; de Google bril o.a.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-06-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)