Leesaantekeningen (2) bij Pacific Standard Time van Kevin Opstedal:

Opstedal is geen natuurdichter in oorspronkelijke zin. Hij wil niet zozeer onze ogen openen voor de schoonheid van het rijke Californië met haar wonderlijke tooi, maar laat keer op keer zien hoe de westkust hem in zijn armen houdt, fysiek in zijn ziel gegrift staat. Hij kijkt op innige wijze naar de ruimte die hem omringt, wil haar oorspronkelijkheid ervaren, durft erover te dromen, zijn depressies erin los te laten. En dit alles valt op sublieme wijze samen in zijn gedichten, die hij tonaal heeft weten af te stemmen op de modus van, in elk geval, míjn innerlijk.

VLOEIBARE HEMEL
Voor Pamela

Schaduwen vallen over de drempel van de zonsondergang
om de zeemist te bedotten te porren
doorschijnend grijze klippers werpend
in de schemering van juni … de ruimte tussen elke roller
het golfdal de
rust
& en in de oprukkende duisternis jouw ogen

Ik denk dat ik liever nog even hier blijf nadat je
bent vertrokken wetende dat je als dezelfde zult terugkeren
maar dan anders

& dichterbij begrip zullen we nooit komen

Parallel met meer subsidiaire resoluties om te buigen in de wind der dingen
zoals ze zijn
verbeeld ik me in strijd met ‘het leven van de geest’
43 km ongerepte kust die alleen in mijn hoofd bestaat
waar het rond ratelt met andere brokstukken
en een vreselijk gedoe wordt
dat de zeer dunne membranen verstoord
van de dryaden, nimfen & meerminnen die mijn donkerdere dromen bewonen

linkshandige sigaretten aanstekend

& de dag verandert in Nacht in Tunesië
als ik uit het raam kijk
een uit ‘Eucalyptussen’ gescheurde pagina
dwarrelt in de wind
alles groen & zilver & ruikend naar hoestbonbons
wat verdampt in getijdenpoeltjes
als klippers in de mist van een andere wereld

die hier is     en op je
wacht

Leesaantekeningen (1) bij Pacific Standard Time van Kevin Opstedal:

Venice of America werd in 1905 als kustplaatsje gesticht. Het lag toen ruim twintig kilometer ten westen van Los Angeles. Tegenwoordig is Venice een wijk van de miljoenenstad en trekt met haar strandboulevard en kanalen veel kunstenaars, toeristen, straatartiesten en -venters aan. Toen ik het op een stralende najaarsdag bezocht was ik vooral onder de indruk van het knisperende licht, dat lucht en oceaan blauwer dan blauw kleurde en de onmetelijke ruimte iets bovenzinnelijks gaf.

De Amerikaanse dichter Kevin Opstedal werd in 1956 in Venice geboren en bracht er zijn jeugd door. In de jaren zeventig vertrok hij richting San Francisco, vijfhonderd kilometer verderop, waar hij uiteindelijk in Santa Cruz bleef hangen. Als dichter en uitgever koos Opstedal steeds weer voor een plek in de luwte, wat hem minder bekendheid opleverde, maar zeker geen minder ambitieus oeuvre. Pacific Standard Time, dat in 2016 is uitgegeven door Ugly Duckling Presse, bevat nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk.

Na eerste lezing van de bundel bleven twee dingen bij me hangen: Opstedal is een tobber en hij heeft zijn ziel toevertrouwd aan de West Coast. Depressieve gedachten worden bestreden met een omhelzing van de natuur, de moeder die hem beschermt en in staat stelt om vredig te dagdromen.

I read “lonely” ocean when the word was “lovely”
(must be something wrong with my eyes, but then, why not
“lonely ocean”

Ik kan niet ontkennen dat hier een zekere mate van herkenning aan de orde is. Ook ik ben bij tijden een piekeraar en vlucht dan het Friese weidelandschap in. Toen ik opnieuw aan Pacific Standard Time begon nam ik me voor om vooral te letten op wat Opstedal loslaat over zijn gehechtheid aan Californië, over de wijze waarop hij zijn wereld bewoont, erin wortelt.

In veel gedichten gaan realiteit, herinneringen en verbeelding hand in hand, lopen in elkaar over, zijn solidair met elkaar. Als lezer weet je vaak niet waar de een ophoudt en de ander begint. Zo lijkt in de beginregels van het gedicht ‘Over the Edge’ een herinnering te worden aangekondigd,

Another day made of preternatural acetate
folded to fit every corner of the sky

a kind of see-thru origami

The cool air’s acceleration in this light is memory
too early yet to say where it’s going
having been there already

(preternatural acetate = bovennatuurlijk azijnzuur)

maar in het vervolg, waarin in de vroege ochtend wordt gekanood, is het onduidelijk of de kanotocht de aangekondigde herinnering is of een vlucht voor reminiscenties aan minder prettige gebeurtenissen uit het verleden. Of beide.

Opstedal zinspeelt wel vaker op een onverwerkt verleden, maar wordt nooit concreet. Wel onderkent hij bij zichzelf een fundamentele state of mind die hij aanduidt met de term ‘surf noir’: ‘Surf noir plays like a sub-genre of film noir, just as dark, menacing, and fatalistic, only set at the beach.’

De versmelting van heden en verleden, realiteit en denkbeeldigheid, en gemoed en natuur geven Opstedals poëtische beelden een elasticiteit die je terugbrengt naar innerlijke dieptes, de ziel der dingen. Meesterlijk vind ik de beschrijving van de weerspiegeling van een zonsondergang in de ogen van een vriend of vriendin:

Maybe it’s just the light against your cheek that / bids my heart unlooked for consent / the vestiges of a dull pain gliding pale / as if a swanlike passion could rake the / dark trees swaying in your eyes / glassed in & remotely queued to / a blank space where God wrote “SKY” / conveying a lethal content / sacred & precise though / no more than falling expressed / by the eyelids primarily I think

(bids = uitnodigen, unlooked = onverwacht, consent = instemming, vestiges = sporen, dull = dof, rake = bestrijken, swaying = wuiven, glassed in = in glas gezet, conveying = uitdrukken)

[…]