Het leven heel even wezenlijk voelen

‘Hinde’ is een meesterlijk gedicht, het katapulteert me terug mijn jeugd in en laat me melancholisch schreien. Kees Ouwens schreef het en je kunt het vinden in zijn bundel Als een Beek (1975):

HINDE

Aan het water.

Ik rustte uit aan water.
De zon scheen daarop. Het pijnigt het oog te

kijken naar het brandend water.
Een vogel bad zijn vleugelslag op het rustpunt.

O, als jongeling hees mij een jeugd mijn poel uit.
Aan strakker riet dan het blauw der lucht en

op de rand van de weide
waar het doodse dorp zijn huis knaagt

hoogst onmerkbaar mijn stem van zuiverst zwijgen klinkt.
Van jaren her komt niet de dag terug dat nacht

een hoogste daad was
noch snelt men hinde heen.

In de jaren 70 zwalkte ik als jongeling in de polders tussen Oud Ade, Hoogmade en Leiderdorp rond, bouwde hutten in het riet en snoekte in de Dwarswatering. Nu ik ouder word, denk ik daar vaker aan terug, de weidsheid, mijn vrijbuiterij. Ouwens bouwt dat landschap in een opeenstapeling van beelden treffend op, weet me in de eerste tien regels, alsof ik in een tijdmachine zit, naar mijn verleden te verplaatsen, in een omgeving waarin ik me thuis voel.

Maar het is Ouwens niet alleen om een natuurbeschrijving te doen. Geleidelijk zetten connotaties dit gedicht onder spanning, wordt de idylle door bijsmaken verstoord: een oog dat wordt gepijnigd, water dat brandt, een vogel die jaagt, een poel die denkbaar troebel is, het dorp dat doods is en knaagt, en een stem die er het zwijgen toedoet. Dit laatste zou kunnen wijzen op het niet kunnen of willen spreken over onaangename ervaringen. Maar dat hoeft niet. Ik lees er ook de moeite in, die het herinneren an sich kan kosten.

In het slotakkoord komt Ouwens ter zake: wat is geweest komt niet meer terug. De tijd waarin ‘nacht / een hoogste daad was’ – de dood als voltooiing van een christelijk leven – ligt voorgoed achter ons. Eenmaal onze jeugd voorbij zullen we nooit meer als een jong hert ronddartelen, ‘noch snelt men hinde heen.’ Maar in deze prachtig dansende, melancholische laatste regel hoor ik toch ook een besef meeklinken dat we onze herinneringen, ook minder prettige, niet zomaar kunnen ontlopen. In dit gedicht laat Ouwens me het leven heel even wezenlijk voelen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 04-01-2015, op tonvanthof.tumblr.com.)