Le meilleur!

m19

Bij een oude boer die in een schuur pal naast de abdij van Vertheuil al sinds mensenheugenis wijn maakt, proefden we een ‘grand vin de bordeaux’ en kochten een doosje uit 2005 aan (‘le meilleur!’).

Later, op het strand, in The Selected Letters of Robert Creeley (University of California Press, 2014) begonnen, dat een keuze bevat uit de ‘fifteen thousand or so typed or handwritten letters, cards, and faxes we [Rod Smith, Peter Baker, Kaplan Harris] have collected or reviewed, along with a practically uncountable number of e-mails.’ Wat me direct opvalt: Creeley’s vroege ambitie om schrijver/dichter te worden (al in zijn eerste brieven, dan negentien jaar oud, spreekt hij zich hier over uit) en zijn vermogen om daar alles voor opzij te zetten (hij verhuisde naar Frankrijk, Spanje en Guatemala om van weinig rond te kunnen komen en veel tijd te kunnen besteden aan schrijven).

Dit lezende dacht ik terug aan het lange interview van SLA|Avier met Bart FM Droog, waarin Droog het bestaansrecht van het huidige Letterenfonds in twijfel trekt:

‘Vanwege die werkbeurzen dienen veel dichters (ik heb het hier specifiek over dichters; omdat het samenstellen van een dichtbundel toch echt een ander proces is dan het schrijven van een roman) jaarlijks of tweejaarlijks een aanvraag in, of ze nu echt iets te melden hebben of niet. En, ergerlijker nog, of ze dat geld nu echt nodig hebben of niet – de inkomensdrempel voor die werkbeurzen ligt zo hoog (op € 45.000!) dat zelfs dichters met een bovenmodaal inkomen aanspraak kunnen maken op een werkbeurs.’

Ik ben het met Droog eens dat dit systeem, deze context de Nederlandse poëzie geen goed meer doet en op de schop moet. Lees vooral de antwoorden op de vragen twee en drie.

(Dit bericht verscheen eerder, op 09-09-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)