Esthetiek van de terloopsheid

La fenêtre, Pierre Bonnard, 1925
In zijn essaybundel De berg en de steenfabriek (Querido, 1986) noemt K. Schippers de Franse laat-impressionist Pierre Bonnard (1867-1947) ‘een uniek schilder’ van ‘lege ogenblikken, waarvan hij een imperium heeft gemaakt.’ Bonnard wist ‘zijn interieurs en landschappen een schone loomheid’ mee te geven, alsof ze ‘wat vermoeid zijn geraakt van hun eigen esthetiek.’ Een esthetiek, zo vervolgt Schippers even later, ‘die overbodig is omdat er niet op wordt gelet.’ Lege ogenblikken, momenten die zich aan ons bewustzijn onttrekken, onopgemerkt voorbijgaan, omdat we routineus handelen of met onze gedachten ergens anders zijn. Onze dagen zijn er vol van. Bonnard vraagt aandacht voor deze terloopse tijdruimtes. Wie herkent ze niet? En wat kunnen ze schoon zijn. Bonnards esthetiek, die ik een esthetiek van de terloopsheid zou willen noemen, houdt me nu al enkele dagen bezig. Alsof ik er in een nieuwe reeks gedichten iets mee moet.

Zonder titel 1 | K. Schippers

Uit: Sonatines door het open raam, Querido, 1972
Dit gedicht van K. Schippers (1936), uit zijn bundel Sonatines door het open raam (Querido, 1972), is ontlast van alle irrelevanties die het zicht op de hoofdzaak zouden kunnen belemmeren, inclusief een titel. De kern die overblijft – het woord ‘Parijs’ – roept bij lezers ongetwijfeld uiteenlopende beelden op, afhankelijk van de eigen ervaring met deze metropool. Na de beschouwing van dit ene woord zal de aandacht zich als vanzelf op de tussen haakjes geplaatste aanwijzing richten: Schippers verbleef op het Schotse eiland Lewis toen hij ‘Parijs’ neerschreef. Ineens komt ‘la ville lumière’ in een ander daglicht te staan. Lewis is een ruig kaal eiland, dat anderhalf keer zo groot is als de provincie Utrecht en waar nog geen 20.000 mensen wonen. Het kan er ook flink stormen. Schippers moet zich daar eenzaam hebben gevoeld en reikhalzend naar de drukte van Parijs hebben uitgezien.

Hartenjagen | K. Schippers

Uit: Een klok en profil, K. Schippers, Querido, 1965
Om ons beter te laten kijken, grijpt K. Schippers (1936) in dit gedicht naar de kansberekening, het onderdeel van de statistiek dat zich met toeval – de kans dat iets gebeurt – bezighoudt. De titel verwijst naar het kaartspel Hartenjagen, dat met alle kaarten, 52 stuks, wordt gespeeld. Als je met vier bent, krijgt iedereen dertien kaarten toebedeeld. Volgens dit gedicht (ik heb het niet nagerekend) zijn er ruim 635 miljard verschillende samenstellingen van dertien kaarten mogelijk. Elke hand is even uniek. Zoals elke samenstelling van de werkelijkheid, elke gebeurtenis enig in haar soort is. Kijk beter om je heen, drukt Schippers de lezer op het hart, en realiseer je hoe bijzonder het ogenschijnlijk vanzelfsprekende is.

Schoen uit de golven

img_0766

Wat kunnen we zeggen over dit pietepeuterige gedicht? Is het eigenlijk wel een gedicht? Zijn geringe omvang dwingt ons terug te vallen op onze eigen ervaringen.

Ik ben vlakbij Scheveningen opgegroeid. Heb schoenen op het strand gevonden. Die daar waren achtergelaten of aangespoeld.

Het is een minimalistisch gedicht. Zoals Aram Saroyan – ‘lighght’ – en K. Schippers ze ook schreven.

Gymschoenen, een regenlaarsje.

Grenier verbleef in Californië toen hij A Day at the Beach schreef.

Ik ben ook in Californië geweest, heb over Venice Beach gelopen. Wat me daarvan is bijgebleven: prachtig licht dat alle kleuren intensiveerde.

Dit gedicht voltooit niets, het exploreert. Het is eerder proces dan een afgerond ding.

Ik zie iemand tot zijn middel in de aanrollende golven staan en razendsnel een meedrijvende schoen uit het water vissen. Hij steekt de schoen triomfantelijk de lucht in.

Het had net zo goed een ander object kunnen zijn. Op het strand spoelt van alles aan. Iets in plaats van niets.

Het is een gedicht over iemand die iets vindt. Wat iemand anders de uitroep ‘oh’ doet ontlokken. Een ‘oh’ van verbazing? Of een ‘oh’ van ‘oh, het is maar een schoen’?

De uitroep ‘oh’ (of ‘o’) kent een lange poëtische traditie.

Dit is een gedicht. Wat is een gedicht?

Stephen Burt bespreekt dit vers in zijn boeiende boek The Poem Is You: Sixty Contemporary American Poems and How to Read Them (The Belknap Press of Harvard University Press, 2016): via bol.com.

Brug

Over een gedicht van K. Schippers

‘Schippers doet niet in filosofische taalbeschouwingen, maar geeft visueel onderricht en aanschouwelijk taalonderwijs, waarbij de discrepantie van het medium en het gebruik ervan telkens oplicht.’ Aldus Redbad Fokkema in zijn Aan de mond van al die rivieren: Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945. Ik kijk nog eens naar K. Schippers gedicht ‘Auto’s’, uit zijn derde bundel Verplaatste tafels, en moet opnieuw grinniken:

8a

Als middelbare scholier heb ik, om mijn zakgeld aan te vullen, verschillende malen verkeerstellingen gedaan. Je werd, boterham mee, een dag lang op een kruising gezet en moest, bijvoorbeeld, tellen hoeveel auto’s linksaf sloegen. Voor elke auto die dat deed, zette je een streepje op het telblad. Het zal niemand verbazen dat ik aan die ervaring moest denken bij het lezen van dit gedicht.

Nu wil het geval dat het blad met streepjes driemaal in Schippers’ bundel is afgedrukt, telkens onder een andere titel. Naast ‘Auto’s’ zijn er ook nog ‘Munten’ en ‘Bezoekers’ geteld. Tenminste, als de streepjes voor aantallen auto’s, munten en bezoekers staan. Zeker weten doe je dat niet. En welke verbanden kun je tussen auto’s, munten en bezoekers leggen? Iedere lezer zal hier zo zijn eigen gedachten hebben. Met deze gedichten demonstreert Schippers heel duidelijk de menselijke reflex om steeds weer een brug tussen taal en werkelijkheid te willen slaan.

8b

Verplaatste tafels, K. Schippers, Querido, 1969, via boekwinkeltjes.nl: http://goo.gl/Rfet0w

Leentjebuur?

Over gedichten van Craig Dworkin en K. Schippers

Dichters lezen, leren en lenen soms van elkaar. Hoewel Craig Dworkin en K. Schippers ieder een gedicht schreven, waaraan een identiek concept ten grondslag ligt, is hier toch hoogstwaarschijnlijk geen leentjebuur gespeeld.

2a

In 2008 bracht de Amerikaan Dworkin (1969) het bijna driehonderd bladzijden lange gedicht Parse uit. Het is een transcriptie van een Engels boek uit 1875, waarin wordt uitgelegd hoe je moet ontleden: How to Parse: An Attempt to Apply the Principles of Scholarship to English Grammar van Edwin A. Abbott. Dworkin ontleedde Abbotts tekst en zette alle woorden over in hun woordsoorten. Een willekeurige bladzijde uit Dworkins Parse ziet er dan als volgt uit:

2b

Dworkin heeft met Parse een conceptueel gedicht geschreven: het idee erachter is belangrijker dan het werk zelf. Geen zinnig mens leest dit dikke boek uit, je bladert er hooguit wat in. Maar het concept vind ik fascinerend. Elke tekst, geschreven of gesproken, kan worden ontleed en in woordsoorten worden overgezet, en elke overzetting zal telkens weer een uniek resultaat opleveren. Parse maakt deze mogelijkheid zichtbaar, tastbaar eigenlijk. Bovendien heb ik bewondering voor Dworkins uithoudingsvermogen: de vervaardiging van deze bijna driehonderd bladzijden tellende transcriptie moet monnikenwerk zijn geweest.

Ik ben een liefhebber van het werk van K. Schippers (1936) en schafte onlangs bij een antiquariaat Een klok en profil aan, zijn tweede poëziebundel die in 1965 bij Querido verscheen. Tot mijn verrassing trof ik daar een gedicht aan, waaraan hetzelfde concept ten grondslag ligt als aan Dworkins Parse. Het heet ‘Bep. hoofdtelw. zelfst. nw. (meerv. abstract)’:

2c

‘Bep. hoofdtelw. zelfst. nw. (meerv. abstract)’ is een transcriptie van het korte gedicht ‘Twee gezegdes’ uit Schippers’ eerste bundel De waarheid als De koe, dat als volgt luidt: ‘Na regen komt zonneschijn // Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht’.

Twee gedichten, waaraan een identiek concept ten grondslag ligt. Dichters lezen, leren en lenen soms van elkaar. Toen Schippers zijn gedicht uitbracht, was Dworkin nog niet geboren. Schippers heeft het concept niet van Dworkin kunnen lenen. Omgekeerd zou wel het geval kunnen zijn. Maar ik heb nergens aanwijzingen gevonden dat Dworkin Schippers’ werk kent, en acht het dan ook waarschijnlijker dat hier twee experimentele dichters onafhankelijk van elkaar op hetzelfde idee zijn gekomen.

Overigens heeft Schippers zich bij de uitvoering van het idee beduidend minder hoeven inspannen dan Dworkin: drie regels versus honderden bladzijden die moesten worden overgezet, drie regels die Schippers bovendien niet zelf ontleedde, maar liet ontleden door Rob Nieuwenhuys, waar Dworkin al het werk zelf verzette. Als dank droeg Schippers zijn gedicht aan Nieuwenhuys op.

Parse, Craig Dworkin, Atelos, 2008, via amazon.com
Een klok en profil, K. Schippers, Querido, 1965, via boekwinkeltjes.nl

Adreswijziging

Over een gedicht van K. Schippers

Bijna honderd jaar nadat Marcel Duchamp in 1917 een gesigneerd urinoir als beeldhouwwerk voor een tentoonstelling inzond, is de readymade nog altijd springlevend, zowel binnen de beeldende kunst als de poëzie. Stelde Duchamp met zijn daad nog de kunstopvattingen van zijn tijd ter discussie, tegenwoordig worden readymades vooral ingezet om onze waarneming en onderliggende veronderstellingen en vooroordelen te ontregelen.

image

Binnen de Nederlandse poëzie verwierf de readymade pas bekendheid met de oprichting van het tijdschrift Barbarber in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Vooral in het werk van medeoprichter K. Schippers treffen we dit genre regelmatig aan. In zijn tweede bundel Een klok en profil (Querido, 1965), die werd bekroond met de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, stuit ik op de readymade ‘Stadhouderskade 42 te Amsterdam’.

image

‘Wat een merkwaardige mededeling,’ is het eerste wat me te binnen schiet. Door de afwezigheid van een postcode maakt het adres een gedateerde indruk op me. Ik heb enkele jaren in Amsterdam gewoond, maar kan de Stadhouderskade niet direct plaatsen. Wel trekken er beelden van geschilderde stadhouders aan me voorbij: Willem van Oranje, Maurits van Nassau, Willem II etc. Volgens Google Maps zijn er twee locaties in Amsterdam die beide ‘Stadhouderskade 42′ als adres hebben, maar wel van postcode verschillen. Op de ene locatie, recht tegenover het Rijksmuseum, kun je op een rondvaartboot stappen, en in het andere pand, direct naast het Rijksmuseum gelegen, is een galerie gevestigd. Schippers’ readymade wordt steeds raadselachtiger.

Eenmaal bij de ‘Aantekeningen’ achterin de bundel aanbeland, lees ik: ‘Stadhouderskade 42 te Amsterdam: Het Rijksmuseum.’ Er gaat een lampje branden en op internet achterhaal ik al gauw dat het Rijksmuseum enkele jaren geleden met de ingebruikname van een nieuwe entree ook een nieuw adres kreeg: Museumplein 1. Wat tevens tot gevolg had dat de oorspronkelijke pointe van Schippers’ readymade verdween. Die kun je thans alleen nog maar achterhalen als je in de geschiedenis der Amsterdamse straatnamen duikt.

Duchamp bestempelde gebruiksvoorwerpen tot kunst door ze uit hun alledaagse context te halen en in een museum te tonen. Schippers zette het instituut museum zelf te kijk, door het (oude) adres van het Rijksmuseum tot gedicht te verheffen.

Gecanoniseerd dus

Kreeg vandaag een ‘melding’ binnen van Noordhoff Uitgevers van de ‘overname in een van onze publicaties van een kort gedeelte van een werk.’ Het betreft een deel (minder dan 200 woorden) van mijn lange gedicht ‘nederland is groot’ uit mijn eerste bundel Je komt er wel bovenop (Stanza, 2007), dat wordt overgenomen in Nieuw Nederlands 5e havo 3 leerboek (oplage 5000). Grappig. Gaat potdomme € 56,20 kosten, dat boek! Gecanoniseerd dus, dit gedicht, tot referentiepunt verklaard door het onderwijs. (En nee, dit gedicht gaat niet over verwondering, en ja, het wordt doodgezwegen door de ‘official verse culture’, en nee, van Hans Groenewegen mag ik mij niet de auteur noemen van dit gedicht (dat hij niet uit zijn hoofd kende), en ja, ik word voor de overname betaald.)

En om nog maar eens te illustreren dat in Nederland vooral het kleine wordt geëerd, de volgende uitspraak die Arjan Peters vandaag in de Volkskrant doet: ‘Lees liever het gedicht van Schippers over moedervlekken. Of herlees Lodeizen over mieren. Zo klein kunnen mooie dingen zijn. De dichter laat ze zien.’ Niet altijd dus (een fragment):

nederland is groot

afrika is een arm continent en het verschil met nederland is groot

nederland is groot in zuivel
in de productie en de uitvoer van groenten en fruit
in doorgeslagen milieuregels
in het oplossen van kleine problemen
in documentaires, in het thuis bevallen en dat moet zo blijven
in keurmerken en het afrekenen van een ieder op een zwakke plek
nederland is groot is een bedrijf is de koepel

nederland is groot genoeg voor kansrijke grondgebonden landbouw
groot genoeg voor verenigingen van islamitische advocaten, medici, ondernemers, docenten etc.

(Dit bericht verscheen eerder, op 08-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)