GRAV, Julio Le Parc & Belvédère o.a.

‘To eliminate the category “Work of Art” and its myths.’ – Pamflet Groupe de Recherche d’Art Visuel, 1961

image

GRAV & Julio Le Parc
Al jaren lees ik geregeld in de meer dan 1200 bladzijden tellende pil Art in Theory 1900-2000: An Anthology of Changing Ideas, samengesteld onder redactie van Charles Harrison en Paul Wood. Dit boek geeft middels teksten van kunstenaars, critici en filosofen een overzicht van de theorieën die de ontwikkelingen binnen de beeldende kunst gedurende de vorige eeuw schragen.

Jarenlang heb ik op een behoorlijk niveau getekend en geschilderd (ik heb tweemaal overwogen om naar de kunstacademie te gaan), totdat ik rond mijn vijfendertigste opnieuw werd gegrepen door de poëzie. Sindsdien heb ik nauwelijks meer een potlood of penseel aangeraakt. Wellicht keert de behoefte nog eens terug. Maar mijn belangstelling voor de beeldende kunst heb ik nooit verloren. Ik ga nog altijd regelmatig naar musea en houd ontwikkelingen bij.

In Art in Theory lees ik het pamflet ‘Enough Mystification’, dat de ‘Groupe de Recherche d’Art Visuel’ (GRAV) in 1961 tijdens hun eerste groepstentoonstelling uitgaf. De groepsleden wilden de beeldende kunst ‘bevrijden’ van knellende traditionele banden. Deze doelstelling leidt in het pamflet tot ‘proposities’ als:

Het zoeken naar nieuwe wijzen van contact tussen publiek en de geproduceerde werken.
Het creëren van reproduceerbare werken.
Het zoeken naar nieuwe genres buiten de schilder- en beeldhouwkunst.
Het beperken van het werk tot een strict visuele situatie.

Het moet anders, is het modernistische credo van GRAV. Een van de meest vooraanstaande leden van dit collectief, dat in 1968 uiteenvalt, is de Argentijnse kunstenaar Julio Le Parc (1928), die vooral om zijn lichtobjecten wordt geroemd. Maar hij fabriceert ook andere intrigerende werken, zoals het filmpje hieronder laat zien.

Belvédère
Vanmiddag anderhalf uur doorgebracht in het kleine, maar mooi gehuisveste Museum Belvédère, dat net buiten Heerenveen ligt. ‘Het museum toont twintigste eeuwse en eigentijdse beeldende kunst uit Friesland in directe relatie tot beeldende kunst uit Nederland en Vlaanderen. Het accent ligt op schilderkunst die relaties aangaan met de omliggende landschappelijke sfeer.’

Het werk van de Duitse figuratieve kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945), dat tot eind september te bewonderen valt, kende ik nog niet. Vooral haar uitgelezen zelfportretten in houtskool, waar de tragedie van afdruipt (een van haar twee zoons sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog en de nazi’s dwongen Kollwitz haar functie aan de kunstacademie van Berlijn neer te leggen en verboden haar te exposeren), vind ik indrukwekkend.

Bij het werk van de Nederlandse kunstenaar René Korten (1957), te gast deze zomer in Belvédère, blijven mijn metgezel, een ex-galeriehouder, en ik ook wat langer stilstaan. Omdat we er geen vat op kunnen krijgen. ‘Tja,’ zeg ik, ‘je probeert eens wat als kunstenaar …’ ‘De lusteloosheid,’ antwoordt mijn metgezel, ‘druipt er vanaf.’ Het werk kan ons niet bekoren. Het lijkt exemplarisch voor de impasse waarin de hedendaagse beeldende kunst zich bevindt: er valt niks nieuws meer te verzinnen, wat nu? Maar oordeel zelf.

image
’12 werken uit de serie Hope Road’, René Korten, acrylverf op mdf, 2011-2014

Art in Theory 1900-2000: An Anthology of Changing Ideas, red. Charles Harrison en Paul Wood, Blackwell Publishing, 2003: via bol.com.