Totdat de grenzen worden opgeheven

‘I really really want a poetry that is not just stateless or borderline but is anti-state’ – Juliana Spahr

In 1984 bracht Klein Orkest het liedje ‘Over de muur’ uit, waarin de verdeelde politieke situatie van Europa toentertijd wordt bezongen, de Koude Oorlog met zijn botsende ideologische systemen en verscheurde natiestaten, waarvan het IJzeren Gordijn het ultieme symbool was. In het refrein trekken de vogels zich niks van deze kunstmatige grens aan en triomfeert de natuur:

‘En alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn, worden niet teruggefloten, ook niet neergeschoten, over de muur, over het IJzeren Gordijn, omdat ze soms in het westen, soms ook in het oosten willen zijn.’

Ik moet aan dit aanstekelijke liedje denken als ik de e-mailwisseling tussen de dichters Sandeep Parmar en Juliana Spahr lees. Een van de vele onderwerpen die ze aanroeren, mede in het licht van de huidige vluchtelingenproblematiek, is de functionaliteit en houdbaarheid van staatkundige grenzen anno 2016. Spahr heeft hier de meest uitgesproken mening over:

‘[I]f one has to make any change right now that might actually shift and reconfigure the fucked up geo-political situations of our time it would be to eradicate national borders.’

Ze begrijpt donders goed dat de opheffing van staatsgrenzen veel wegheeft van een utopie, maar wenst het verlangen ernaar niet op te geven. Ze zoekt zelfs naar een poëzie die ‘antistaat’ is. In het weinige dat ze over een dergelijke poëzie loslaat, komen er vogels om de hoek kijken. De vogels die me aan het Klein Orkest en ‘Over de muur’ deden denken:

‘I seem to write in a sort of improvisational form that our culture calls poetry more often than it calls it prose. I’ll keep doing it probably despite being nervous about its relationship to the state because there is no meaningful way to opt out of these relationships. I will also keep eating food despite being nervous about how the green revolution is destroying the environment. And I will also keep flying on airplanes despite… I wish I had meaningful choices. But until the borders go down (aka until there is no more capitalism), I don’t. But one of my interests in migrating birds, which seem to show up in my work more and more, is that they have got no interest in the Peace of Westphalia, no respect for its legacies.’

Lees het hele gesprek: ‘Sandeep Parmar & Juliana Spahr in conversation‘, Tender #7, 2016.

Smaakoordeel gestut door gatenkaas

De titel van Calvin Bedients essay, Against Conceptualism: Defending the Poetry of Affect, spreekt boekdelen: deze hoogleraar in ruste heeft iets tegen conceptuele poëzie. Hij maakt zich zorgen over onze toekomst: ‘de 20e eeuw heeft menselijkheid synoniem gemaakt met onmenselijkheid’. Daar zou Bedient wat aan willen doen. Van dichters verlangt hij in dit verband dat ze het verleden en de toekomst niet ‘negeren’ en de poëzie ‘levend’ houden door – en hier worden Deleuze & Guattari geciteerd – ‘nieuwe beelden en affecten te creëren’. Conceptuele poëzie focust evenwel op het concept, waardoor de verbeelding en het gevoel op de achtergrond raken. In deze armzalige staat kan geen betere toekomst worden opgebouwd.

Cruciaal in deze redenering zijn de veronderstellingen dat (1) poëzie alleen levend kan worden gehouden door het scheppen van nieuwe beelden en affecten, en dat (2) conceptuele poëzie niet in staat is om deze nieuwe beelden en affecten voort te brengen.

Bedient zet de aannemelijkheid van veronderstelling 2 zelf op losse schroeven door meerdere malen te wijzen op conceptuele poëzie die afwijkt van de veronderstelde regel, bijvoorbeeld Srikanth Reddy’s ‘Voyager’ en Juliana Spahrs ‘HR 4811 is a joke’. Dit betekent dat, aangenomen dat veronderstelling 1 waar is, Bedient zelf al aangeeft dat ook het conceptualisme kan bijdragen aan het in leven houden van de poëzie en het opbouwen van een betere toekomst.

Veronderstelling 1 levert vragen op als: Wat wordt precies bedoeld met levend houden? En: Klopt de opsomming wel en is zij inderdaad limitatief? Stof om verder over na te denken.

Wat overblijft van Bedients essay is een mening van iemand die de poëzie van ‘Rimbaud, Vallejo, Césaire en meer recent Raúl Zurita’ liefheeft en een afkeer van het werk van dichters als Kenneth Goldsmith en Christian Bök; een smaakoordeel gestut door gatenkaas.

(Dit bericht verscheen eerder, op 17-09-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)