Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (11)

Volgens Julia Kristeva verdeelt het subject zich in het bewuste en onbewuste, verstand en verlangen, rationele en irrationele, sociale en presociale, overdraagbare en onoverdraagbare, het symbolische en het semiotische. Het symbolische omvat taal die opereert onder de vlag van het verstand, communicatie en ideaal van enkelvoud en eenheid. Het semiotische omhelst de taal van het verlangen, erotische impulsen, lichamelijke ritmes en opwellingen uit een ver, pretalig verleden. Als volwassenen verliezen we, aldus Kristeva, nooit volledig de binding met de kinderlijke vloeibaarheid van het zelf. Voor Kristeva huist poëtische taal in het symbolische maar is doorboord met het semiotische, dat wil zeggen taal gericht op logische en heldere communicatie ontwricht door het irrationele en onoverdraagbare. Sybren Polet:

EINDBEGIN

Zo eenvoudig was het begin,
als een zon die vanzelf onderging

een opening in een bijna blinde muur.
Pure graffiti was de ware natuur

van de muur en alles wat erin verdween
leek voorgoed op weg naar zijn eindbegin

tussen hiëroglyfen zonder enige betekening.

Daar zweeft of zwerft hij, verloren in
de onbetekenissen van lussen en lissen,

als een zon die tegelijk op- en onderging.

Sybren Polet

Intertekstualiteit is voor Kristeva het middel bij uitstek tegen ‘(mono)logica’, het ideaal van enkelvoud en eenheid, en daarom subversief, revolutionair zelfs.

(Dit bericht verscheen eerder, op 27-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op

In het laatste nummer van de Poëziekrant bespreekt Carl De Strycker Flarf, een bloemlezing. Hij trekt o.a. de volgende conclusie: 

‘Voor flarfdichters is het internet dus de ultieme bron van intertekstualiteit. En ja, een flarfgedicht dat volledig bij elkaar gegoogled is, is een statement: de originele taal, de nieuwe tekst bestaat niet. Maar is dat een nieuw inzicht? Allesbehalve. Levert de illustratie van die filosofische idee (Roland Barthes, toch?) boeiende poëzie op? Nee. Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt. Dat is in flarfgedichten niet het geval: daar is alles gestolen, gesampled, geknipt en geplakt. Het levert over het algemeen redelijk onbeduidende poëzie op en in de gevallen dat er toch iets interessants uit de computer rolt, is het nog maar de vraag of dat in de buurt komt van Dirk van Basteleare of Peter Holvoet-Hanssen, die eigenlijk met soortgelijke technieken werken. De demarcatielijn tussen hun poëzie en flarf? De inzet, de achterliggende bedoeling. Flarf is vormexperiment, bij Van Bastelaere of Holvoet-Hanssen staat de techniek in functie van de inhoud.’

Julia Kristeva introduceerde het begrip ‘intertekstualiteit’ en Roland Barthes theoretiseerde er op voort.

‘Theorists of intertextuality problematize the status of “authorship”, treating the writer of a text as the orchestrator of what Roland Barthes refers to as the “already-written” rather than as its originator. “A text is […] a multidimensional space in which a variety of writings, none of them original, blend and clash. The text is a tissue of quotations […]. The writer can only imitate a gesture that is always anterior, never original. His only power is to mix writings, to counter the ones with the others, in such a way as never to rest on any one of them.”‘ (Daniel Chandler)

En nu dan De Strycker, die aan intertekstualiteit een geheel eigen waardeoordeel hangt:

‘Intertekstualiteit is pas interessant wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft, maar daarvoor moet wel herkenbaar zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt.’

Dat mag je vinden, maar verkoop het niet als de waarheid. Ik val hierover omdat vervolgens op grond hiervan de poëzie van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen hoger wordt aangeslagen dan flarf. Per definitie. Flarf wordt als genre door De Strycker afgeserveerd omdat het louter zou citeren, alleen maar vormexperiment is. Ook als ‘er toch iets interessants uit de computer rolt’.

En dat er soms iets interessants uit de computer rolt geeft De Strycker ook herhaaldelijk aan. En echt: dat waardeer ik. Hij heeft de bloemlezing goed gelezen. Hij zegt onder meer het volgende:

‘Dit soort flarfgedichten, waarin op intelligente manier het medium internet met zijn zogezegde ongebreidelde communicatiemogelijkheden op de korrel genomen wordt, draagt wel degelijk iets bij aan de poëzie. Zo is Erwin Vogelezangs “Gevoelens van eenzaamheid zijn te verminderen via internet” een spottende aanklacht tegen het valse gevoel van sociaal contact dat het net biedt. En ook Ton van ’t Hof gaat op een ingenieuze manier met zijn materiaal om. Zijn gedicht “In reactie op de eis van Geert Wilders om in navolging van Mein Kampf de Koran te verbieden” is een striemend antwoord waarin allerlei stemmen over dit onderwerp met elkaar geconfronteerd worden tot een angstaanjagende glossolalie.’

Laat ik samenvatten wat De Strycker beweert: sommige flarfgedichten dragen wel degelijk iets bij aan de poëzie, maar ze komen niet in de buurt van het werk van Van Bastelaere en Holvoet-Hanssen (die eigenlijk met soortgelijke technieken werken) omdat niet duidelijk is wat eigen tekst is en wat wordt geciteerd. De flarftechniek staat niet in functie van de inhoud.

Tja. De Strycker signaleert naast middelmatige ook geslaagde flarfpoëzie, maar vindt die laatste categorie vervolgens toch niks omdat het bijeen geflarft is. Hij lijkt hierbij uit te gaan van de vooronderstelling dat poëzie een persoonlijk spreken is of moet zijn. Alleen dan kan er volgens hem, zo meen ik te lezen, sprake zijn van een ‘inzet’, een ‘achterliggende bedoeling’.

Evenals andere critici heeft ook De Strycker moeite met de afwezigheid van een uitgewerkt manifest, waarin flarfers hun poëtica tot in detail verklaren en vernieuwing claimen. In plaats van in te gaan op deze afwezigheid verzint De Strycker zelf maar een aanspraak op innovatie: ‘De combinatie van gerespecteerde avant-gardetechnieken en een hedendaagse context zou dan een vernieuwende poëzie moeten opleveren.’ In de inleiding van de bloemlezing valt iets anders te lezen:

‘FLARF is: een opleving van de collage binnen de poëzie.

‘De combinatie van de eigenheid en charme van de collage als kunstvorm en de aard van de door FLARFdichters gebruikte tekstmateriaal is ESSENTIEEL.

‘De nieuwe technologische innovaties in combinatie met een verlangen om de moderne tijd in al haar taalhoedanigheden in de poëzie te onthalen en de uitgelezen mogelijkheid die de collage hiertoe biedt, vormen samen een verklaring voor het ontspruiten van FLARF in deze tijd.’

Flarf problematiseert opnieuw de concepten van originaliteit, creativiteit en expressiviteit. En door zichzelf als een beweging te presenteren zonder manifest, zonder claim op vernieuwing, wordt deze problematisering nog eens versterkt. Noem flarf nihilistisch, ironisch, hedonistisch, absurdistisch, humoristisch of sceptisch, maar vernieuwend? Nee.

Over intertekstualiteit laat ik graag Daniel Chandler nog eens aan het woord:

‘Texts are instrumental not only in the construction of other texts but in the construction of experiences. Much of what we “know” about the world is derived from what we have read in books, newspapers and magazines, from what we have seen in the cinema and on television and from what we have heard on the radio. Life is thus lived through texts and framed by texts to a greater extent than we are normally aware of. As Scott Lash observes, “We are living in a society in which our perception is directed almost as often to representations as it is to ‘reality.'” Intertextuality blurs the boundaries not only between texts but between texts and the world of lived experience. Indeed, we may argue that we know no pre-textual experience. The world as we know it is merely its current representation.’

Je zou van een flarfgedicht kunnen beweren dat het een tekst is die ultiem intertekstueel is. En dat het door het gebruik van flarden internettekst een beeld van de wereld kan geven zoals wij die nu kennen. Maar kom niet aan met de flauwekul dat de ene vorm van intertekstualiteit beter is dan de andere, dat ‘intertekstualiteit pas interessant is wanneer het extra betekenis aan de eigen tekst geeft’, gevolgd door de nog grotere onzin dat ook nog ‘herkenbaar moet zijn wat eigen tekst is en wat geciteerd wordt’. Ook Van Bastelaere lacht zich rot.

Carl De Strycker eindigt zijn recensie zo:

‘Wie de biootjes aan het eind van de bloemlezing doorneemt, merkt dat de verzamelde dichters vooral uit het blogmilieu komen. Flarf is dus niet meer of niet minder dan een strategische zelfpositionering, een poging om, gelegitimeerd als erfgenamen van dada, vanuit het nog steeds als perifeer beschouwde internetcircuit een plaatsje in het literaire centrum te verwerven. Want hoewel al deze dichters op het net veel hits hebben, blijken ze toch vooral met hun papieren publicaties geassocieerd te willen worden, zo blijkt uit hun cv’s. Ondanks hun geloof in de kracht van Google, zelfs als poëtisch middel, blijken ze de slogan “if you don’t find it, google it” niet te vertrouwen als het op zichzelf aankomt. Toch maar liever met hun naam in de literatuurgeschiedenis dan ergens op het www blijkbaar.’

Hé! ‘Carl De Strycker’ levert 2170 Google hits op!

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-12-2009, op 1hundred1.blogspot.nl.)