Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (2)

Yannis Stavrakakis zegt over motieven tot verandering het volgende:

‘Het lijkt erop dat de as van de aandrijving tot vorming van een nieuwe wereld en vernietiging van de oude is gesmeed van iets dat zich onttrekt aan ons zicht – dat zo vanzelfsprekend is dat het niet langer wordt bevraagd: de wenselijkheid van de nieuwe wereld zelf. […] Onze wereld wordt ondersteund door onze meest basale neigingen – een smaak in efficiency en flexibiliteit – die zich grotendeels onttrekken aan het zicht.’

In Een lijn is een vore schrijf ik:

Met de grond gelijk gemaakt
om ruimte
voor een industrieterrein,
M. van der Veen,
kapper, tabak en sigaren,
even verderop graven machines zich
naar een nieuwe toestand.

De postmoderne machine vernietigt de oude wereld maar lijkt besluiteloos over een nieuwe. Thomas Vaessens en Jos Joosten belichten deze twijfel in de poëzie:

‘De premissen die het postmoderne gedicht naast zich neer legt, worden als wezenlijk ervaren: postmoderne poëzie verzet zich niet tegen een willekeurig conglomeraat van poëtische gewoonten, maar lijkt zich te verzetten tegen de poëzie zélf. Vanuit een modernistisch lezersperspectief zijn postmoderne gedichten daarom in diepste wezen paradoxaal: zij schijnen in poëzie het einde van de poëzie te verkondigen.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 13-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)