Literair dagboek

Na een gemoedelijk oud en nieuw in Leeuwarden keerden we via de Afsluitdijk huiswaarts. Onder een loodgrijze hemel had het IJsselmeer een lichtzeegroene kleur. Ik nam me voor om 1hundred1 dit jaar in een heus dagboek te veranderen, met een literaire focus uiteraard.

Het centrale thema van mijn antwoord op Oppens cyclus ‘On Being Numerous’ krijgt langzaam vorm (ik citeer uit Joost de Bloois en Ernst van den Hemels Alain Badiou. Inesthetiek: filosofie, kunst, politiek): ‘Hoe verandering, beweging en het nieuwe te begrijpen en vooral de mogelijkheid ervan open te houden?’ Een onderwerp dat me ook in mijn niet-literaire leven, als militair, al langere tijd bezighoudt. De eerste twee gedichten – van wat een reeks van veertig moet worden – staan in de steigers. Er moet nog worden geschaafd. Hieronder het tweede gedicht zoals dat nu klinkt.

2

In het voetspoor van
heeft zich van alles gevormd
wat doorgaans ook weer verdwenen is; de status-
quo kon niet worden gehandhaafd

telkens opnieuw van de
of het
naar een.

Tijd spot met ambities.

In de verte verrijst een stad. Uit zoete flow

worden we opgeschrikt door een tel

stilte: zie

hoe wolken boven de kranen dansen
onder de vleugels van de wind, verrukking dumpen
in alles wat vergankelijk is.

Ik heb de behoefte om meerdere boeken tegelijk – simultaan – te lezen, altijd gehad, niet alleen vanwege de afwisseling, maar ook om uiteenlopende zaken naast elkaar te kunnen plaatsen en verbindingen met elkaar te laten aangaan. Ik lees al enige dagen in The Collected Essays of Robert Creeley en verschillende boeken over het werk van Alain Badiou, en ben vandaag ook nog begonnen in Poems for the Millennium, Volume Four: Book of North African Literature (University of California, 2012), samengesteld door Pierre Joris en Habib Tengour. Ik heb het gevoel dat dat boek me ademruimte kan verschaffen naast het benauwend intensieve Oppen-project. Wat ik uit de inleiding oppikte: de Europese lyrische poëzie heeft eerder Arabische dan Occitaanse (taal van de troubadours) wortels.

‘And yet it has been known since at least 1928, via the work of the Spanish linguist Julián Ribera, that the obvious root of troubadour is the Arabic tarab, “to sing,” specifically to sing a musical poetry that produces an exalted state.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-01-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)