—Ik moet wat kilo’s kwijt en heb de volgende gewichtsbeperkende maatregelen genomen: één glas wijn per dag en ’s avonds éénmaal opscheppen.

—Via Blendle lees ik voor € 0,79 in Psychologie Magazine dat ik me beter kan gaan voelen door me aan te sluiten bij mijn natuurlijke behoeften, zoals ‘een groene omgeving, hechte sociale contacten, daglicht, duidelijke uitdagingen en lichaamsbeweging.’ En je weet dat het waar is.

—91 kg, na stoelgang & ontbijt.

—Typisch Hollands zomerweer, kopte de krant vanochtend. ‘Wolkenvelden worden afgewisseld met zonnige momenten.’ Op de fiets werden we wel lastig gevallen door een vrij krachtige zuidwesten wind. Onderweg zagen we een halfdorre es, mogelijk ten prooi gevallen aan het vals essenvlieskelkje. In het zwartste scenario gaat de komende jaren 90 % van onze essen aan deze schimmel ten onder. Nog tien verse eieren bij de boer gehaald en wat schapen gefotografeerd.

Landschap 134, Bitgummole, 2017 © Ton van ’t Hof
Las in bad wel vier of vijfmaal het roodborstjegedicht uit Joost Baars’ debuutbundel Binnenplaats, omdat het zo razendknap een moment van volledige aandacht weet te vangen:

iets leeft als het tegenstellingen
in zich draagt,

en jij, roodborstje,
lééft,

zoals je, niet te missen rood,
probeert onopgemerkt

aan mij voorbij te komen,
zoals je aarzelend

en toch gedecideerd je richting kiest,
zoals je groots aanwezig was

in boeken op de basisschool, en hier
ongrijpbaar klein en maar heel even

in mijn oogopslag verschijnt
en toch, in tijd en ruimte

heel het landschap vult,
en ik pas als je

weggevlogen bent
je roep opvang.

Maar we ontkomen niet

MAAR WE ONTKOMEN NIET

Huiskamerlezing, gehouden op 1 februari 2014 op een bovenkamer aan de Potgieterstraat te Utrecht

We staan vanavond in een opwindende internationale traditie, zetten deze voort. Omdat we buiten het reguliere literaire circuit bij mekaar komen, hebben huiskamerlezingen iets opstandigs, revolutionairs: ze bieden ruimte aan afwijkingen van de norm. En wie mij en/of mijn werk kent, weet dat ik daar in ben geïnteresseerd: het abnormale, ongewone, als mogelijke belichaming van een baanbrekende propositie.

‘The events known as Spicer’s Vancouver Lectures took place in Warren and Ellen Tallman’s home beginning on Saturday, June 13, 1965. “Jack set up these three evenings in which he went through The Holy Grail and so on.” Robert Blaser described them. “There were three lectures in which Jack Spicer gives the first real description of his […] later poetics – dictation and the serial poem.”‘ – Poet Be Like God: Jack Spicer and the San Francisco Renaissance, Lewis Ellingham and Kevin Killian, Wesleyan University Press, 1998

Twee maanden later stierf Spicer aan de gevolgen van zijn alcoholisme, 40 jaar oud. De geluidopnames van de Vancouver Lectures zijn de enige opnames waarop we Spicers stem nog kunnen horen.

Maarten van der Graaff en Nanne Nauta, de onvolprezen organisatoren van deze avond, hebben mij gevraagd om in twintig minuten iets te vertellen over mijn band met het werk van George Oppen, over zijn ‘Zes en twintig fragmenten’ die ik vertaalde, en om wat voor te dragen uit mijn nieuwe reeks antwoordgedichten op Oppens fameuze ‘Of Being Numerous’. Dat wordt proppen. Ik zal noodgedwongen kort en onvolledig zijn, en beginnen met mijn eerste antwoordgedicht, waarin mijn poëtica, dat wil zeggen de stand van zaken op dat gebied op dit moment, zich lijkt samen te ballen:

1

De toestand
waarin we verkeren en die doorzien
is onszelf leren kennen

de gebeurtenis
die het evenwicht breekt

de zonderlinge loop der dingen

waarvan is gezegd
onze lange mars naar vervolmaking.
Maar we ontkomen niet.

‘Ze vragen je “maar wat was er dan zo bijzonder” en het bijzondere was, weet ik nu, dat ik niet alleen bij al die anderen maar ook bij mezelf een heimwee bespeur, niet naar barricaden of politiecharges, niet naar ellenlange verklaringen en politieke chicanes, niet naar de opwinding van de opwinding, naar het zelf beleefde journaal of de uitgekomen onheilsprofetie maar wel naar die vreemde, onuitlegbare tinteling die in de lucht hing, die bijna aanraakbare verwachting, die in de lucht hing, die totale, ontroerende openheid van iedereen tegen iedereen, het mengsel van hoop, naïviteit, tactiek en eerlijkheid, alles wat nu, nu de wereld er weer uitziet als de wereld, onzichtbaar is geworden.’

Over mijn band met George Oppen en zijn invloed op mijn bundel Aan een ster/ she argued (Uitgeverij Stanza, 2009) hield ik in november 2010 een lezing in Perdu onder de titel ‘A sense of being in the world’. Oppen werd in 1908 geboren en stierf in 1984, 76 jaar oud, mede aan de gevolgen van Alzheimer. Hij ontving in 1969 als nog tamelijk onbekende dichter voor Of Being Numerous onverwacht de Pullitzer Prize. Wat mij aantrekt in Oppens werk formuleerde ik eerder zo:

‘Voorwerpen, feiten, omstandigheden, brandbommen, de Koude Oorlog, Agent Orange, Auschwitz. Te midden hiervan speurt de dichter Oppen naar waarheid. Of, zoals hij zelf aangeeft in zijn essay “The Mind’s Own Place” (1963): “It is a part of the function of poetry to serve as a test of truth.” […] Als laatmodernist blijft Oppen geloven in een gesprek met de geschiedenis, wil de deur niet definitief dichtgooien, maar de confrontatie aangaan en consequenties trekken uit het menselijk falen. Hij wil herstellen van de shock en weer gevoel krijgen er te zijn, “a sense of being in the world”. […] Oppen is zich verdomd goed bewust van de talige betekenisinflatie. Wat mij intrigeert is dat hij het niet laat zitten bij het postmoderne onthullen ervan, wat hij zeker ook doet, maar tegelijkertijd blijft zoeken naar mogelijkheden tot deflatie, tot het herwinnen van een betekenisvolle basis van waaruit kan worden gesproken over waarheid en zingeving. Maar waarom heeft hij bij dit alles gekozen voor de kunst als toetsinstrument en niet, bijvoorbeeld, de filosofie of de politiek? Hierop geeft Oppen zelf het volgende antwoord: omdat “het goede leven”, dat hij definieert als “the thing wanted for itself”, een puur esthetische aangelegenheid is. Ik geloof dat we hier de fundamentele opvatting en tegelijkertijd de uitdaging te pakken hebben waarop Oppen zijn oeuvre bouwt. Hij wil, te midden van de fnuikende storm van het vooruitgangsgeloof, opnieuw betekenis geven aan het leven en zoekt daartoe houvast bij de kunst en de esthetische ervaring. […] Er valt af te dingen op Oppens definitie van “het goede leven” als “het verlangen naar het ding zelf” en op zijn mening dat het een puur esthetische aangelegenheid is, maar zijn vertrouwen in het gedicht als laboratorium waarin mede vanuit de materialiteit van de taal zinnig onderzoek naar existentiële kwesties kan worden gedaan, deel ik volkomen. Of, zoals Wittgenstein zegt: “And to imagine a language means to imagine a form of life.”‘

Oppen had de gewoonte om invallen op papiertjes te krabbelen om ze te kunnen bewaren. Na zijn dood werden er tientallen op en in zijn bureau gevonden. De meest interessante krabbels werden onder de titel ‘Zes en twintig fragmenten’ gepubliceerd als laatste deel van zijn totale oeuvre. Joost Baars vroeg mij in 2011 om ze voor het online magazine blue-turns-grey te vertalen. Telkens als ik ze weer lees komt de gedachte op aan een met zijn geheugen worstelende George Oppen totdat Alzheimer hem het schrijven volledig onmogelijk maakt. Fragment 17 kent drie variaties van wat de aanzet tot een nieuw gedicht lijkt te zijn. Het is een bijzonder fragment omdat het wel eens Oppens afsluitende woorden zouden kunnen zijn over wat poëzie voor hem was, betekende. Hiertoe kroop hij in de huid van de Spaanse conquistador Hernán Cortés, die tussen 1519-1521 Mexico veroverde.

Cortez komt aan.
hij is volstrekt verdwaald
op een onbekende kust.
en hij is verrukt

(dit is de aard van poëzie

Het gedicht:

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volstrekt verdwaald
en hij is verrukt

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volkomen verdwaald
maar hij is verrukt

Onder het genot van een espresso formuleerde ik op 25 december 2013, eerste kerstdag, de volgende overweging:

Elk gedicht maakt op zijn minst één statement. / In het licht van het statement dat een gedicht maakt is al het andere techniek. / Elk gedicht nodigt ook uit om over de poëzie te praten. / Elk gedicht wacht op antwoord.

Enkele dagen later drong het idee voor een nieuw project zich op: andermans cyclus antwoord geven, gedicht voor gedicht. Dit idee eenmaal omarmd liet ik mijn keuze al snel vallen op George Oppens reeks ‘Of Being Numerous’, die uit veertig gedichten bestaat. In dit monumentale werk dat hij halverwege de jaren 60 van de vorige eeuw schreef, doordenkt Oppen de verhouding tussen zichzelf als individu en de werkelijkheid van zijn tijd, ook vanuit ontologisch oogpunt, waarbij Heidegger een belangrijke aangever is geweest. Om Oppens verzen gepast te kunnen beantwoorden, kom ik niet onder een herlezing uit van wat er sinds Heidegger op ontologisch gebied aan nieuwe inzichten verkregen is. Ik ben begonnen bij Alain Badiou en lees nu Bruno Latour; beiden hebben inmiddels hun sporen in mijn antwoordgedichten achtergelaten.

Elk antwoordgedicht is een reactie op het gelijkgenummerde gedicht uit ‘Of Being Numerous’, waarbij ik me op mijn verhouding tot mijn tijd tracht te bezinnen, maar de teugels wel in handen zijn en blijven van de antwoordgedichten zelf. Ik lees er tot besluit nog twee voor.

3

‘Wat geen verandering ondergaat
is de wil tot verandering’ – het verzet

tegen dat wat wordt waar-
of aangenomen: we kwamen
tot stilstand

stichtten een stad

verdienden een woordenschat aan activiteiten
tulpomanie bijvoorbeeld. Dan weer

in opstand

tegen verkalking
oude antwoorden
de vleesetende bloem.

4

Als de stad nog grijs en leeg is
en de jeugd zich realiseert dat het leven
dat van hun in elk geval, is

wat er is

en ook wel betekenis genoemd wordt

dan is een breuk
waardoor de wereld met andere mensen
nieuwe vormen krijgt waaruit van alles kan voortkomen
onvermijdelijk, oudje

en bijtende humor zal niet helpen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

‘Wij’ van Ghayath Almadhoun

Vanochtend, ter voorbereiding, het gedicht vertaald van de in Zweden woonachtige Palestijn Ghayath Almadhoun, dat morgenavond in VersSpreken door Asmaa’ Azaizeh, Joost Baars, Matthijs Ponte en mijzelf zal worden besproken in Perdu. Het is een vertaling van een Engelse vertaling; ik spreek geen Arabisch.

WIJ

Wij, die zijn uitgestrooid in fragmenten, wier vlees door de lucht vliegt als regendruppels, bieden iedereen in deze beschaafde wereld onze diepste verontschuldigingen aan, mannen, vrouwen en kinderen, omdat wij ongewild en zonder toestemming te vragen in hun vredige huizen verschenen. Wij verontschuldigen ons voor het in hun sneeuwwitte geheugen stampen van onze afgehakte lichaamsdelen, omdat we het beeld van wat normaal is geschonden hebben, een heel mens in hun ogen, omdat we de onbeschaamdheid hebben gehad om plotseling op te duiken in nieuwsflitsen en op de pagina’s van het internet en de kranten, naakt, op ons bloed en verkoolde resten na.
Wij bieden allen onze verontschuldigen aan die niet de moed hadden om recht in onze verwondingen te kijken uit angst dat ze te geschokt zouden raken, en aan diegenen die ’s avonds hun bord niet meer leeg konden eten nadat ze onverwachts nieuwe beelden van ons op de tv hadden gezien.
Wij verontschuldigen ons voor de pijn die we eenieder aandeden die ons zo zag, onopgemaakt, zonder dat er ook maar enige moeite was gedaan om ons weer in elkaar te zetten of onze overblijfselen bijeen te voegen nog voor we op hun beeldschermen verschenen. We bieden ook de Israëlische soldaten onze verontschuldigingen aan, die de moeite namen om op de knoppen te drukken in hun vliegtuigen en tanks om ons aan flarden te rijten, en het spijt ons dat we zo akelig keken toen ze hun bommen en granaten recht op onze dwaze hoofden mikten, en dat ze nu uren moeten doorbrengen in psychiatrische klinieken, in een poging om weer mens te worden, zoals ze dat waren voor onze transformatie in walgelijke lichaamsdelen die hen achtervolgen telkens wanneer ze proberen te slapen.
Wij zijn de dingen die jullie hebben gezien op jullie beeldschermen en in de pers, en als je zou proberen om de stukjes in elkaar te zetten, als een puzzel, dan zou je een duidelijk beeld van ons krijgen, zo duidelijk dat je niet meer in staat zou zijn om ook nog maar iets te doen.

Ghayath Almadhoun
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-03-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)