Sneeuwweer

Geachte heer Creeley, in uw brief d.d. 13 juni 1952 schrijft u aan de heer Olson het volgende: ‘Ik weet niet wat schoonheid is, of zo genoemd kan worden, omdat het er is. De criteria zijn een rommelzootje van intenties en bedoelingen – gaan zozeer aan de kwestie vooraf dat, waardoor, de kwestie zelf geen ruimte meer krijgt om zich te melden als zijnde óók aanwezig. Er wordt zo simpel over vlees gesproken – mensen zeggen dat het op je zit, toch? en waarom zou je je ook zorgen maken. Om wat aan te raken? Waar ben je naar op zoek – vrouwen of wat dan ook? Maar als je kijkt, ik bedoel, er naar je gekeken wordt, kijken in díe betekenis. Zo ontmoette ik gisteren een meid, 22, en jong in de zin van – dit willen doen, of dat, het echt willen, en louter vlees, eerlijk, voor welke stijve pik dan ook. Hoe kan zij dat harde ding ter sprake brengen, ik bedoel, welke woorden, als je in ze gelooft, kunnen worden gebruikt? Maar zelfs als er geen woorden voor zijn, is er nog altijd dat ding, van jezelf, dat daadwerkelijk is, fier is, puur is tenzij iemand, of jijzelf, het afstotelijk maakt.’

Ik voel met u mee, heer Creeley. Even verderop verzucht u: ‘In godsnaam, mensen, ben helder in (1) wat – hoeveel pijn of gemorrel er ook mee gemoeid is – het ding IS, en (2) wat – hoe vaktechnisch ook uitgelegd – NIET.’ Maar zijn we er dan? Stel dat we het ding – dat wat het ding daadwerkelijk is en wat niet – precies onder woorden hebben gebracht, wat hebben we dan bereikt? Dat we weten waarover we spreken?

Naast mij in de bus vandaag antwoordde een vrouw op een vraag van haar metgezel: ‘Nee, geen sneeuwweer, dat ruikt anders.’ Ik zou niet weten hoe sneeuwweer ruikt, maar zij kennelijk wel. Voor het ‘weten waarover we spreken’ is, geloof ik, nog iets meer nodig dan louter het woord. John Keats drukte dat als volgt uit: ‘Nothing ever becomes real until it is experienced.’ George Oppen besefte dit en schreef dan ook voor dat dichters alleen mochten spreken over wat zij zelf hadden ervaren. Man en vrouw zullen het, ben ik bang, nooit eens worden over wat een stijve pik is.

Uw project en dat van een aantal van uw tijdgenoten is mij zeer sympathiek, maar komt me ook voor als een dead end: spraakverwarring lijkt me een gegeven. Geen reden overigens om als dichter bij de pakken neer te gaan zitten. Integendeel. Spraakverwarring is een uitgangspunt. Spraakverwarring kan ook vruchtbaar zijn.

‘The limits of my language mean the limits of my world.
And to imagine a language means to imagine a form of life.’
– Ludwig Wittgenstein

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-11-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)