Op 22 november 1963 werd president John F. Kennedy in Dallas, Texas, door Lee Harvey Oswald doodgeschoten. Oswald haalde driemaal de trekker over – ‘bang, snap, crack’. Deze moord greep mensen over de hele wereld aan, sommigen werden gek van verdriet. De Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965) schreef er een kort titelloos gedicht over, dat eerst in Language (White Rabbit Press, 1965) en later in My Vocabulary Did This to Me: The Collected Poetry of Jack Spicer (Wesleyan University Press, 2008) werd opgenomen. Het luidt als volgt (plus mijn werkvertaling):

Smoke signals
Like in the Eskimo villages on the coast where the earthquake hit
Bang, snap, crack. They will never know what hit them
On the coast of Alaska. They expect everybody to be insane.
This is a poem about the death of John F. Kennedy.

Rooksignalen
Zoals in de Eskimodorpen aan de kust waar de aardbeving plaatsvond
Knal, knak, krak. Ze zullen nooit weten wat hen trof
Op de kust van Alaska. Ze verwachten dat iedereen krankzinnig zal zijn.
Dit is een gedicht over de dood van John F. Kennedy.

Ik heb dit gedicht inderdaad altijd gelezen als een gedicht over de dood van Kennedy, die ongetwijfeld ook Eskimo’s in Alaska niet onberoerd heeft gelaten. Totdat Ron Silliman me op The Great Alaskan Earthquake wees, die op 27 maart 1964, enkele maanden na de moord op Kennedy, verwoestend toesloeg in het zuiden van Alaska. Het was met een kracht van 9,2 op de schaal van Richter de op één na zwaarste aardbeving ooit gemeten. Aan de kust werden enkele Eskimodorpen weggevaagd door de tsunami’s die erachteraan kwamen.

Ik wist dit niet. De ‘aardbeving’ in Spicers gedicht kan niet alleen figuurlijk maar dus ook letterlijk gelezen worden. Spicer schreef het vers nadat het noodlot zo plotseling in Alaska had toegeslagen. Niemand die de aardbeving had zien aankomen. De rook had geen dreigingssignaal afgegeven. De paniek na de ‘knal, knak, krak’ moet groot zijn geweest, evenals het verdriet dat daar weer op volgde. Deze abrupte lotswending heeft Spicer vast doen denken aan de onverwachtse dood van John F. Kennedy, enkele maanden daarvoor. En dat pende hij neer. Waarna hij het gedicht bruusk liet eindigen.

Cashen

Het zou me niet verbazen als Kenneth Goldsmiths Seven American Deaths and Disasters (powerHouse Books, 2013) een bestseller wordt, ook gekocht door mensen die niks op hebben met poëzie. Ik vraag me af wie begrijpt dat dit poëzie is: transcripties van radio- en tv-programma’s waarin live verslag wordt gedaan van de moorden op John F. Kennedy, Robert F. Kennedy en John Lennon, het ongeluk met de Space Shuttle Challenger, de aanslagen op Columbine High School en World Trade Center, en de dood van Michael Jackson. Door en door Amerikaanse tragiek in een handzame, 176 pagina’s dikke pocket voor nog geen twintig dollar. Als verse broodjes over de toonbank wellicht.

Ik ben halverwege gestopt met lezen. De verrassing van Goldsmiths concept is er bij mij wel af. Vanessa Place zei onlangs al: ‘Kenneth Goldsmith [is now] a part of poetry history.’ Bovendien stoorde ik me aan het idee, terecht of onterecht, dat hij met deze bundel ordinair aan het cashen is. Voorheen plaatste Goldsmith het alledaagse in een andere context, waardoor het zichtbaar werd, zich ging onderscheiden. Dat heeft bij het onalledaagse geen enkele zin. Wat ongewoon, abnormaal, bizar is, herken je direct. Daar heb je geen transcriptie voor nodig. Alan Davies: ‘A concept is a structural device – only. / It takes rather more than that to make a habitable space.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 03-05-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)