Over hebzucht, wat filosofen doen (met o.a. John Cleese), app 4’33” & landschap 10

Als ik thuis ben, begin ik de dag vaak met enkele yoga- en meditatieoefeningen. Daarna open ik mijn iPad en neem via Feedly, Blendle en Facebook het laatste nieuws tot me, espressootje binnen handbereik. Alleen op zaterdag kopen we nog een krant van papier.

Vanochtend las ik in Trouw, via Blendle, een interview met de Amerikaanse filosofe en econome Deirdre McCloskey. Ze relativeert het graaigedrag van hooggeplaatsten door hebzucht als een menselijke eigenschap voor te stellen, die ons allen in meerdere of mindere mate kenmerkt:

‘We zijn allemaal vatbaar voor hebzucht. Als consumenten kunnen we net zo goed onmatig zijn. Ik wil maar zeggen dat hebzucht niet exclusief hoort bij een klein clubje bankiers en investeerders. Het hoort nu eenmaal bij mensen, net als woede en afgunst.’

Wat ik niet ontkennen zal. Maar mijn woede richtte zich bij aanvang van de crisis niet alléén op het bancaire graaien, maar op de excessiviteit ervan in combinatie met de minachtende waar-maken-jullie-je-druk-om reacties van nogal wat bankiers. Dat vond en vind ik nog steeds ongehoord. Je weten te matigen is een deugd. Evenals je fatsoen bewaren. Enfin.

Daarna naar een hilarisch filmpje van John Cleese en Jonathan Miller gekeken, uit 1977, waarin ze zich, als filosofen, afvragen wat filosofen eigenlijk doen. Ze komen tot de conclusie dat filosofen taalspelletjes spelen om uit te vogelen welk spelletje ze nu precies spelen.

Op Open Culture kwam ik een artikel tegen over de app 4’33”, die je in staat stelt om je eigen versie van het beroemde werk van John Cage op te nemen en, als je dat wil, te uploaden naar een bibliotheek, waarin ook alle andere opnames zijn verzameld en die via de app toegankelijk is.

Ik heb de app voor $ 0,99 gedownload en een opname gemaakt in mijn woonkamer. Op de opname zijn o.a. geluiden te horen die afkomstig zijn van een vaatwasmachine en, heel in de verte, van een F16 die opstijgt van de vliegbasis Leeuwarden.

img_0761img_0763

Tussendoor ook nog een stukje gefietst, boodschappen gedaan en een champignonquiche gebakken.

img_0759
Landschap 10, Leeuwarden, 2016 © Ton van ’t Hof

Nuttige kritiek

In 2011 verscheen onder redactie van Craig Dworkin en Kenneth Goldsmith de bloemlezing Against Expression: An Anthology of Conceptual Writing bij Northwestern University Press. Het bijna zeshonderd bladzijden dikke boek werd door velen positief ontvangen:

‘Against Expression is a very exciting book.’ – Peli Grietzer, Los Angeles Review of Books

‘Is Against Expression worth reading? Absolutely. Few literary collections have left me so breathlessly excited.’ – Brian M. Reed op Project MUSE

‘Deze rijkdom maakt Against Expression tot een feest.’ – Samuel Vriezen op de Reactor

Op Goodreads waardeerden inmiddels zeventig mensen de bloemlezing met gemiddeld vier sterren. Maar nu is er dan ook scherpe kritiek: in een uitgebreide bespreking noemt Richard Kostelanetz Against Expression een ‘disaster’.

Schrijver/criticus Kostelanetz (1940) is ‘a passionate defender of the avant-garde’ en heeft verschillende bloemlezingen van innovatieve literatuur samengesteld. Hij zet in zijn bespreking van Against Expression regelmatig zijn eigen carrière in om zijn competentie op het gebied van de conceptuele kunst en daarmee zijn geloofwaardigheid te onderstrepen. Laat ik zijn bezwaren tegen de veelgeprezen bloemlezing op een rijtje zetten.

Kostelanetz’ eerste en voornaamste bezwaar is dat het kloeke boek nauwelijks conceptuele teksten bevat: ‘The principal problem with Against Expression is that while the title is accurate, the subtitle isn’t. Very little here could be called Conceptual by anybody who knew what he or she were talking about.’ Kostelanetz betoogt dat conceptuele kunst in oorsprong draait om het vorm geven aan afwezigheid, meer gewicht geeft aan het idee dan de uitvoering, suggereert in plaats van realiseert. Hij geeft verschillende voorbeelden van dergelijke teksten, waaronder Kenneth Burke’s ‘Project for a Poem on Roosevelt’, dat zich beperkt tot aantekeningen voor een gedicht dat nooit is voltooid.

Volgens Kostelanetz is een deel van de verzamelde teksten in Against Expression geen conceptuele kunst maar ‘Appropriation Art’ (Ap Art) – toe-eigeningskunst: het kopiëren/hergebruiken van andermans werk – een begrip dat eind jaren 70 zijn intrede deed in de wereld van de beeldende kunst, maar daarbuiten niet of nauwelijks is gebezigd. Dworkin en Goldsmith hannesen maar wat, volgens Kostelanetz, en dat zit hem goed dwars:

‘Also consider that whereas Minimal arts and then Conceptual Art represented developments within high modernism, Ap Art arrives as a species of Postmodernism, which was then and is still now wholly something else–an inferior tradition in my considered opinion that depends upon opposition to Modernism. Confusing the two is to the cognoscenti the equivalent of today confusing, say, Language Poetry with Ap Poetry. This editorial dithering between contrary esthetics is one way to account for why very little here approaches the radical resonance of Cage’s 4’33’. Indeed, perhaps D&G don’t know what truly Conceptual Writing can be–indeed, wouldn’t recognize a masterpiece of the genre if it struck them on their heads.’

Vervolgens vraagt Kostelanetz zich af welke keuzegronden Dworkin en Goldsmith eigenlijk hebben gebruikt bij het selecteren van Conceptual Writing/Ap Art, geeft enkele voorbeelden van Conceptual Writing/Ap Art teksten die volgens hem onterecht in de bloemlezing ontbreken en herclassificeert en passant twee wel opgenomen bijdragen van Conceptual Writing/Ap Art tot ‘self-documentation’, waaronder Goldsmiths eigen ‘Soliloquy’. Op dit punt, op twee derde van zijn bespreking, is het reeds overduidelijk dat Kostelanetz alle vertrouwen in de redactionele capaciteiten van Dworkin en Goldsmith heeft verloren:

’[T]his book demonstrates a point I’ve made before–that composing a strong anthology requires more thought and, yes, experience than some beginners think.’

In wat nog volgt dikt Kostelanetz zijn standpunt aan met minder relevante zaken. Zo beticht hij Dworkin van het ‘stelen’ van andermans idee (gebruik ervan zonder bronvermelding) en valt over enkele spelfouten die in de bloemlezing zijn gemaakt. De paragrafen waarin hij zijn teleurstelling uitspreekt over het feit dat hij voor deze bloemlezing niet door Dworkin en Goldsmith is geraadpleegd, had hij beter kunnen weglaten. Wat niet wegneemt dat ik Kostelanetz kritiek nuttig vind; het biedt aanknopingspunten om de samenhang tussen conceptuele teksten en aanverwante vormen verder te verduidelijken en het gesprek erover te vergemakkelijken. Deze recensie heeft me meer inzicht gegeven in de klus – een Nederlandstalige bloemlezing op dit gebied – die Uitgeverij Stanza in de komende jaren wil klaren.

What was ‘Conceptual Writing’?, Richard Kostelanetz, Journal of Poetics Research.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-10-2015, op ollauogalanestas.tumblr.com.)