Haarscherp

Hennie en ik wonen links van de ‘Drooglijn’, leerde ik vanochtend, waar het water, de zee, in steeds hogere mate de agenda zal gaan bepalen. Ons huis staat nu nog op een terp, straks eiland.

Schrijvers zijn exhibitionisten, beweert Thomas Rosenboom.

Op deze grijze ochtend hing ik een televisietoestel op in onze slaapkamer en sloot haar aan: haarscherp beeld.

Schrijvers menen dingen te zien of te weten, die anderen niet zien of weten, zegt Thomas Rosenboom.

Op een gezinskaart kwam ik het adres tegen waar mijn grootouders van vaderskant in 1931 naartoe verhuisden: de Lange Bisschopstraat te Deventer. Ook het beroep van mijn grootvader in die jaren wordt vermeld: kantoorbediende, volgens overlevering bij een schoenenzaak. Eindelijk heb ik het adres gevonden waar mijn vader in 1933 het levenslicht zag. Hieronder een foto van de Lange Bisschopstraat, eerste helft twintigste eeuw.

Devotiekaarsjes, gezegend bier

Tot mijn verrassing ontdekte ik gisteren dat ik nóg een stel overgrootouders heb die een café hadden. Twee van mijn vier overgrootvaders – vijftig procent dus – waren kroegbaas. Het drankduiveltje zit in mijn genen.

Toen mijn grootmoeder van vaderszijde in 1899 werd geboren was haar vader, Lambertus Petrus Verstraaten, koster van de Sint-Catharinakerk in het gat Ledeacker, dat midden in de Peel ligt. Hij kwam zelf uit Sint Anthonis, een dorp ten zuiden van Ledeacker, en was zijn werkzame leven als landbouwer aangevangen.

Maar Lambertus was een smart cookie. Toen in Ledeacker de functie van koster vrijkwam aarzelde hij geen moment en solliciteerde: je verdiende als koster meer, werd minder moe en je bestaanszekerheid was groter. Vanuit deze optiek was het overigens ook slim dat mijn overgrootmoeder Anna Maria, indien gepland, maar twee kinderen baarde.

Terwijl mijn overgrootvader dagelijks voor kerkgebouw en kerkdienst zorgde, was mijn overgrootmoeder als winkelierster aan de slag gegaan. Het is onduidelijk of ze zelf een winkeltje had of bij iemand in dienst was getreden. In elk geval beschikte het gezin begin twintigste eeuw over twee inkomensstromen.

Terwijl mijn grootmoeder en haar jongere broer Petrus Antonius de lagere school doorliepen, hebben mijn overgrootouders zuinigjes geleefd en plannen gesmeed, want in 1909 lieten ze vlakbij de kerk een woonhuis met winkel en café bouwen, inclusief twee gastenkamers.

Dat dit een gouden greep is geweest leid ik uit twee dingen af. Ten eerste was Ledeacker eind negentiende eeuw tot bedevaartsoord gepromoveerd, waar katholieken de Heilige Donatius, beschermer tegen onweer en blikseminslag, konden vereren en een volle aflaat verdienen. Daar kwamen pelgrims op af.

Ten tweede verkochten mijn overgrootouders hun woonhuis met winkel en café al in 1915, vertrokken richting Eindhoven en hebben, zover ik weet, nooit meer een beroep uitgeoefend. Mijn overgrootvader was op dat moment 55 en mijn overgrootmoeder 61 jaar oud. Kennelijk hadden ze in zes jaar tijd voldoende geld aan de pelgrims verdiend om al vroeg met pensioen te kunnen gaan.

Op de ansichtkaart hieronder is het complex afgebeeld dat mijn grootouders in 1909 lieten bouwen. Op de voorgrond poseert volgens bijschrift de familie aan wie het geheel werd overgedaan.

Een winkeltje waar je beeldjes van de Heilige Donatius kon kopen, en devotiekaarsjes. Zoiets. En in het café vloeide het gezegende bier uiteraard rijkelijk.

Winkelier in schoenen

Toen mijn grootvader van vaderszijde, Theodorus Antonius van ’t Hof, in 1926 te Eindhoven trouwde met Johanna Maria Verstraaten, woonde hij, 29 jaar oud, bij zijn moeder thuis, aan de Hoogstraat 225 te Gestel. Zijn vader was in 1923 overleden.

Op moment van trouwen oefende grootvader Theo het beroep van ‘winkelier in schoenen’ uit en grootmoeder Jo dat van ‘winkeljuffrouw in een banketzaak’.

In het bevolkingsregister van Gestel ontdekte ik dat Theo in augustus 1919 weer bij zijn ouders was ingetrokken. Vreemd genoeg wordt ‘Hollogne aux Pierres’ als zijn vorige woonplaats vermeld, een dorp ten westen van Luik. Nog gekker is het eerst opgegeven, later doorgehaalde beroep: ‘Religeuze’, waarmee, naar ik aanneem, religieuze wordt bedoeld. Kwam mijn grootvader op 23-jarige leeftijd als geestelijke terug uit België? Had hij wellicht een opleiding gevolgd aan het grootseminarie te Luik? En ingezien dat het priesterschap toch niks voor hem was?