‘Kijk,’ zei mijn moeder

‘Kijk,’ zei mijn moeder en wees naar een toerende motor. ‘Een Harley-Davidson,’ verduidelijkte ik. ‘O,’ zei mijn moeder, ‘heet-ie man zo?’

Joachim du Bellay (1522-1560) vond dat gedichten niet per se in het Grieks of Latijn hoefden te worden geschreven, maar beschouwde het Frans, mits goed gehanteerd, ook als een optie.

‘Kijk,’ zei mijn moeder en wees naar een gevechtsvliegtuig in de landing. ‘Een F-16,’ verduidelijkte ik. ‘O,’ zei mijn moeder, ‘zitten daar zestien mensen in?’

Door mijn voorouders aan de vergetelheid te ontrukken, trek ik het verleden in de persoonlijke sfeer, doorbreek abstracte historische schema’s, consolideer iets van wat werkelijkheid is geweest.

Tussen Brantgum en Foudgum, waar ik ook keek, strak gemaaid gras.