07.58 u. Slecht nieuws. Het uit Afrika afkomstige Usutuvirus is nu ook in Noord-Nederland aangetroffen. Mogelijk zijn er al honderden vogels aan bezweken. Vooral merels zijn de klos. Zo las ik in de Leeuwarder Courant vanochtend. ‘De ziekte kan grote gevolgen hebben voor de broedvogelstand. Zo stierven in Duitsland in 2012 al meer dan 300.000 vogels. Op sommige plaatsen was het zo erg dat er praktisch geen merels meer in de steden voorkwamen.’ Je moet er toch niet aan denken.

08.45 u. Koos definitief voor optimisme.

16.04 u. Schreef een e-mail:

Beste O.,

Of ‘kunst per definitie een elite-aangelegenheid’ is, vroeg je me vorige week, naar aanleiding van mijn opmerking dat poëzie vandaag de dag verworden is ‘tot een zaak voor en door hogeropgeleiden.’ (1) Ik geloof dat kunst tegenwoordig, met uitzondering van een aantal muziekstromingen, inderdaad niet is bedoeld voor iedereen, maar voorbehouden aan, gericht op een elite. Meer dan voorheen in elk geval.

‘Ik ben ook met deze kwestie bezig,’ schreef je, ‘over hoe er een steeds substantiëler deel van “de” poëzie de kant van de entertainment opgaat (Tim Hofman, Rupi Kaur, Jan Terlouw).’

Opvallend in deze formulering vind ik het gebruik van het woord ‘entertainment’, waarmee je de gedichten van Hofman, Kaur en Terlouw rangschikt in de klasse amusement/vermaak/vertier. Volgens het etymologisch woordenboek is ‘entertainment’ ‘een van de vele Amerikaanse en Engelse woorden uit het gebied van het amusement die in de jaren 1950 en 1960 via radio en televisie in het Nederlands zijn gekomen.’ In datzelfde woordenboek lees ik dat ‘amuseren’ o.a. is ontleend aan het Franse wederkerend werkwoord ’s’amuser’, wat ‘zijn tijd verbeuzelen’ betekent.

Wie entertainment zegt, bedoelt geen kunst met een grote K, maar hooguit iets kunstigs. Vaker dan me lief is wordt ‘entertainment’ zelfs met een zeker dedain uitgesproken, gebaseerd op de gedachte dat het louter volksvermaak zou zijn.

Wellicht is ‘light verse’ – ‘poëzie geschreven om de lezer te amuseren’ (Van Dale) – een betere classificatie van Hofmans en Terlouws werk dan ‘entertainment’. Een kenmerk van light verse is dat het toegankelijk is, en daardoor ook te begrijpen voor mensen zonder een academische graad in literatuur of filosofie.

Ik kan me de tijd nog herinneren waarin light verse (met vertegenwoordigers als C. Buddingh’, Drs. P en Annie M.G. Schmidt) ook door literatuurcritici als subgenre serieus werd genomen. Dat is, helaas, niet meer het geval.

Meer dan eens heb ik de afgelopen jaren de veronderstelling gelezen dat wel één miljoen Nederlanders poëzie zouden schrijven; ik geloof er geen snars van. De jaarlijkse verkoop van poëziebundels geeft in mijn ogen een betere stand van zaken weer: ‘poëzie betreft slechts een verwaarloosbare 0,25 procent van de totale boekverkoop in Vlaanderen en 0,38 in Nederland.’ Voor 2017 betekent dit dat er in Vlaanderen 35.000 poëziebundels zijn verkocht en in Nederland bijna 156.000.

Dat is, op zijn zachtst gezegd, niet veel. Slechts een handjevol mensen houdt zich vandaag de dag nog met deze kunstvorm bezig. Wie beweert dat het goed gaat met de poëzie lult uit zijn of haar nek. Poëzie in de openbare ruimte = ambtenaren die goede sier willen maken.

Om de huidige Nederlandstalige poëzie staat een hoog hek.

Oké, ik moet nu stoppen, anders draaf ik door. Over de vraag of bovenstaande ‘verelitairisering’ ernstig is, denk ik verder na. Al lijkt buitensluiting me per definitie een serieuze zaak.

Hartelijke groet,

Ton

(1) Volledige uitspraak: ‘Poëzie is vandaag de dag verworden tot een zaak voor en door hogeropgeleiden. Om tot poëziekringen door te dringen die er toe doen, is een academische graad geen must maar wel een pre. Dat veel moderne poëzie vaak moeilijk wordt gevonden, is niet verwonderlijk.’

PS Ik neem dit antwoord op, tenzij je daar bezwaar tegen heb, in mijn online dagboek vanavond, onder de titel ‘Beste O.’

16.27 u. Heb mijn hyperrealistische werk ‘Na museumbezoek aan Morandi’ laten afdrukken en inlijsten:

5CA07504-FC00-45DE-877F-3B1B1133ED94
‘Na museumbezoek aan Morandi’, 2018 © Ton van ’t Hof (40 x 40 cm)