Laat ik hetgeen ik enkele dagen geleden aantrof, en toen als een raadselachtige kwestie aanmerkte, nog even op een rij zetten. Geert Leupen was mijn overgrootvader. Zijn vader (mijn betovergrootvader) heette Jan en zijn grootvader (mijn oudvader) Hindrik. Tegen de gewoonte in vernoemde Jan geen van zijn zonen naar zijn vader Hindrik. De vraag die ik me vervolgens stelde luidde:

Waarom gaf Jan zijn eerste zoon de naam Geert in plaats van Hindrik mee en liet zichzelf op Geerts geboorteakte Jan Geerts noemen?

Twee dagen graven hebben een schat aan informatie opgeleverd:

  • Hindrik Leupen trouwde in mei 1834 met Willemtje Sloots. Hindrik was op dat moment 23 en wever van beroep, Willemtje 25 en huisvrouw. Het stel vestigde zich in Gasteren (DR). In augustus van datzelfde jaar werd zoon Jan geboren, vernoemd naar Hindriks vader.
  • Tussen 1837 en 1844 bracht Willemtje nog vier dochters ter wereld, van wie er twee vroegtijdig stierven.
  • Het onheil vervolledigde toen op 1 januari 1846, om twee uur ‘s nachts, Hindrik om wat voor reden dan ook het leven liet. Hij werd 35 jaar oud. Willemtje bleef met zoon Jan en twee dochters achter. Er was gelukkig wat bezit opgebouwd: een half huis met tuin en een kwart hectare bouwland.
  • Nu had Hindrik een elf jaar jongere broer, Geert geheten, die ergens in deze jaren in Gasteren moet zijn neergestreken. Hij was evenals zijn broer Hindrik wever van beroep en hij kroop evenals zijn broer bij Willemtje in bed: in april 1854 werd hun zoon Hindrik geboren. Een maand later trouwden Geert en Willemtje.

En zo had Jan, zoon van Willemtje en overleden Hindrik, er plotsklaps (1) een stiefvader bij, Geert, de broer van zijn vader, en (2) een halfbroer, Hindrik, die was vernoemd naar zijn vader. Daarenboven scheelden Jan en stiefvader Geert slechts dertien jaar.

Je wordt toch gék van al die namen! Enfin.

Jan vernoemde zijn oudste zoon dus naar zijn stiefvader. Hij moet meer met zijn stiefvader Geert dan met zijn vader Hindrik op hebben gehad, denk ik dan. Het feit dat hij zichzelf Jan Geerts noemde op de geboorteakte van zijn zoon kan in deze context worden opgevat als een eerbetoon aan stiefvader Geert. En dat doe ik dan ook maar.

Tot slot ook nu weer, gelukkig maar, iets opvallends. Toen Geert en Willemtje in 1854 trouwden hadden ze geen cent te makken. Ze werden zelfs middels een Certificaat van onvermogen vrijgesteld van de kosten die de gemeente toentertijd voor een huwelijksvoltrekking in rekening bracht.

Edoch. Geert gaf in 1879 de doodsnik en Willemtje in 1887. Tot mijn stomme verbazing liet Willemtje een huis, tuin en 6,5 hectare bouwland, weide, heide en bos na die, omgerekend naar nu, een waarde vertegenwoordigden van € 38.000 oftewel f 83.000. What the fuck? Hard werken? Geluk? Een erfenis? En zo ja, van wie dan? Vragen! Heerlijk.

Nee, saai zou ik het leven van mijn betovergrootvader Jan Leupen niet willen noemen, eerder geregeld. Hij bracht het overgrote deel van zijn leven al wevend—zijn beroep—in gat Gasteren (DR) door, trouwde met de drie jaar oudere Lammigje Rigterink en kreeg met haar vier kinderen, wat in die tijd als een bescheiden aantal gold.

Maar wie op de details ingaat ontwaart naast ingedutte tijden ook voor- en tegenspoed. Zo had Jan het geluk dat hij werd uitgeloot voor militaire dienst en mocht blijven weven. Jaren later daarentegen werden hij en Lammigje door een zeer ongelukkig lot getroffen: in 1866 overleed hun enige dochter, Annigje, nog geen tien maanden oud.

Wat ik ook opmerkelijk vind is dat Jan geen van zijn zonen naar zijn vader Hindrik vernoemde, zoals toentertijd gebruikelijk was. Waarom gaf hij zijn eerste zoon de naam Geert mee en liet zichzelf op Geerts geboorteakte Jan Geerts noemen? Een raadselachtige kwestie die om opheldering vraagt.

Nog meer treurigheid: (1) toen Lammigje in 1890, pas zestig jaar oud, de geest gaf, en (2) toen Jan anderhalf jaar later het vertrouwde Gasteren al dan niet gedwongen (werkgelegenheid?) inruilde voor het onbekende Peest (DR), kilometers verderop.

Tot slot Jans nalatenschap. Nadat Jan in 1893 op 59-jarige leeftijd voor Gods rechterstoel was verschenen, mochten zijn drie jongens ‘eenige meubelen van geringe betekenis’ verdelen alsmede 26 are bouwland en 59 are heide in de buurt van Gasteren. Hoe waren die lapjes grond Jan ooit deelachtig geworden? Wordt vervolgd.

Hieronder een recente foto van de nog altijd bestaande woning in Peest waarin Jan, samen met zijn twee jongste zonen, zijn laatste dagen sleet.

Muggen. Ik behoor tot het type dat door steekmuggen al op honderd meter afstand wordt waargenomen. Dwars door muren heen. Als er zich één mug in onze straat bevindt weet zij (alleen vrouwtjesmuggen steken) mij te vinden.

Om half vijf wakker. Mug. Naar beneden. Ook daar mug. Zen’sect opgesmeerd, met 40% deet, waarna er prompt een mug op mijn hand landde. Haar met andere hand doodgeslagen. Hoe oud is dat antimuggenspul eigenlijk?

De twee zorgkantoren die zich buigen over de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor ma vergen idioot veel van mijn geduld. Ik bespeur drukdoenerij zonder énige concrete output en voel aandrift om met een houthakkersbijl te gaan zwaaien. (Wees niet bang, ik kan en zal me beheersen.)

‘Er is ook een theorie denkbaar dat de kwaliteit van de boekhandel bepaald wordt door de boeken die je er niet vindt.’—Ad ten Bosch

Eindelijk heb ik ze op een rijtje: de kinderen van mijn overgrootouders Geert Leupen en Geertruid Rutgers: elf stuks. Ga er maar aan staan! Lammegien (1891-1970) was de eerste, mijn grootvader Harm Geert (1910-1992) de een-na-laatste. Daar tussenin zaten Jacob, Jan, Annechien, Willem, Roelof, Roelof, Anna en Harmina. De benjamin heette Evert Geert, die in 1911 ter wereld kwam.

Roelof 1 werd ruim dertien maanden oud en Roelof 2 stierf—waaraan is (nog) onduidelijk—op 16-jarige leeftijd. Harmina hield het al na 34 dagen voor gezien. Hoewel ik nog niet weet wanneer Jacob, Jan en Anna de geest gaven, zou het me niet verbazen als mijn grootvader als laatste van het gezin de grote reis aanvaardde. Ik zal mijn herinneringen aan hem op een later moment boekstaven.

Een vraag die me ook bezighoudt: waarom liet zijn jongere broer Evert Geert, die slechts 61 werd, zich als Geert Leupen—dus zonder Evert—begraven?

Mijn overgrootvader Geert Leupen en mijn overgrootmoeder Geertruid Rutgers trouwden op zaterdag 18 april 1891 te Rolde, in aanwezigheid van Geerts vader, Jan Geerts, en vier getuigen. De bruidegom 27 jaar oud, de bruid 23. Acht maanden ervoor had Geert zijn moeder verloren en Geertruid was al sinds 1889 wees.

Online weet ik te achterhalen dat half Europa in deze periode te maken had met een koudegolf en dat het op de 18e niet alleen ‘s nachts maar ook overdag tot diep in Frankrijk vroor. Dikke jas aan dus.

Onder Geertruids dikke jas moet overigens ook een dikke buik hebben gezeten, want nog geen drie maanden later beviel ze van hun eerste kind, dochter Lammegien.

In de trouwakte vind ik niet alleen Geerts beroep op moment van trouwen terug, dienstknecht, en hun beider woonplaats, Deurze, maar ook dat er aan de Ambtenaar van den Burgerlijken Stand zeven documenten ter hand zijn gesteld: twee geboorteakten, drie overlijdensakten en, mijn belangstelling wekkend, twee bewijzen:

  • ‘bewijs voldaan te hebben aan de wet op de nationale militie’;
  • ‘bewijs van toestemming tot het aangaan van dit huwelijk afgegeven door den Kommanderenden Officier van het eerste Regiment Veldartillerie’.

Tot mijn voldoening—alle lof voor het Drents Archief—heb ik ook de bijlagen kunnen downloaden.

In het begin van de 19e eeuw werd in Nederland—middels de ‘Wet omtrent de inrigting der Nationale Militie’—de conscriptie (dienstplicht) ingevoerd. Iedere jongeman diende zich in te schrijven, waarna door loting werd bepaald wie daadwerkelijk werd opgeroepen. Als je werd ingeloot bestond er de mogelijkheid om ‘zijne dienst [te] doen waarnemen door een plaatsvervanger’, die tegen betaling jouw plaats als militielid innam. De hoogte van dat bedrag was in 1861 een zaak geworden tussen loteling en plaatsvervanger, voor die tijd gold een tarief ‘naar mate van de gegoedheid der personen’ van f 25 tot f 75.

De dienstplicht duurde vijf jaar. De eerste achttien maanden kwam je op in werkelijke dienst, waarna je nog drie en een half jaar oproepbaar bleef.

Geert schreef zich in 1882 als negentienjarige in, maar werd uitgeloot. Hij woonde op dat ogenblik in Anloo, waar hij het vak van wever uitoefende. Zes jaar later, op 1 mei 1888, kwam hij alsnog onder de wapenen, bij het 1e Regiment Veldartillerie te Utrecht, waar hij de plaats van iemand anders innam.

Geert kon ongetwijfeld het geld goed gebruiken. Thuis hadden ze het niet breed en de toenemende mechanisering van de textielindustrie zorgde voor minder vraag naar wevers. Na zijn diensttijd zou hij niet meer achter het weefgetouw plaatsnemen.

Toen Geert en Geertruid op die koude zaterdag trouwden, was de bruidegom weliswaar niet meer in werkelijke dienst, maar nog wel oproepbaar. Daarom had hij van zijn commandant toestemming voor het huwelijk nodig.

Ik ga ervan uit dat ze na afloop van de plechtigheid een goed glas bier of wijn hebben gedronken in de plaatselijke herberg.