Artiest met ballen

Kwestie van kunst (3)

Marina Abramović (1946) wilde een artiest met ballen zijn. Deze gedachte vatte post tijdens haar studie aan de kunstacademie in Belgrado. Stoer als ze was. In zijn boek When Marina Abramović Dies: A Biography suggereert James Westcott dat haar strenge moeder, die geen liefde of genegenheid kon tonen, hier voor een deel debet aan is geweest. Marina zou evenals haar moeder niet met zwakheid kunnen omgaan, niet in haarzelf, niet met die van anderen.

In 1973 bracht Abramović enkele maanden in Schotland en Engeland door. Tijdens het Edinburgh Festival gaf ze haar eerste publieke performance, ‘Rhythm 10’, waarin ze direct haar fascinatie met pijn zou tonen. De performance was gebaseerd op een oud Slavisch dronkenmansspelletje, waarbij deelnemers zo snel mogelijk met een mes tussen de vingers van hun opengespreide hand moeten prikken. Tijdens haar optreden speelde Abramović het spel tweemaal met tien verschillende messen. Haar hand lag op een wit laken. Regelmatig prikte ze mis. Elke sessie werd met een bandrecorder opgenomen. Na het prikken speelde ze de twee opnames tegelijkertijd af en liet de verbijsterde bezoekers met ritmische tikgeluiden en het met bloed besmeurde laken achter. Ze zou deze performance in de loop der jaren nog enkele malen herhalen. Er is een klein stukje film van, waar ik niet zonder afgrijzen naar kijken kan. Precies zoals Abramović dat voor ogen moet hebben gestaan.

Al mijn berichten over Marina Abramović vindt u hier.

Zien en gezien worden: Marina Abramović

Kwestie van kunst (2)

In 2002 bracht Marina Abramović (1946), ‘de oma van de performancekunst’, twaalf dagen zonder te eten of te spreken in een New Yorkse kunstgalerie door. Publiek mocht toezien hoe ze in een toneeldecor deze zelfgekozen beproeving – douchen, plassen, zwijgen, verhongeren in het openbaar – doorstond. Abramović staarde op haar beurt ook bezoekers aan. Een korte impressie van ‘The House With the Ocean View’:

Momenteel lees ik James Westcotts When Marina Abramović Dies: A Biography (MIT Press, 2010) en hoop daarin iets meer te weten te komen over Abramovićs drijfveren. Haar performancekunst boeit me enorm, vooral de sociaalpsychologische facetten ervan. Regelmatig maakt het publiek zelf deel uit van een performance, is er een kritiek onderdeel van, waardoor de uitvoering een onvoorspelbaar karakter heeft. ‘Rythm O’, waar ik hier al eerder over schreef, is daar een voorbeeld van.

De komende dagen neem ik u mee op mijn reis door dit boek.

Wat een gewone geperformance leek, ontaardde in een gevaarlijk experiment

Hoorde vanochtend op de radio dat, wetenschappelijk bewezen, liefdesverdriet met een paracetamolletje kan worden verzacht. Naar de precieze werking wordt nog gegist.

Nu heb ik gelukkig geen liefdesverdriet maar wel steeds, bij staan en lopen, hevige spierkrampen in mijn rechterbovenbeen. Wat op ischias zou kunnen wijzen. Ter vermindering van de pijn maar een paracetamolletje genomen. Enfin.

Toegetakeld met een mes, de kleren van het lijf gerukt. Dat overkwam de Servische kunstenares Marina Abramović tijdens haar performance ‘Rhythm 0’ in 1974. Het blog The Partially Examined Life wijdt er een artikel aan: ‘Wat eerst een gewone performance leek, ontaardde al snel in een gevaarlijk antropologisch experiment.’

rhythm0_marinaabramovic_passive

De performance vond plaats in een kunstgalerie in Napels. Bij aanvang stond Abramović volledig gekleed in de galerieruimte. Op een tafel lagen allerlei zorgvuldig gekozen voorwerpen, waaronder een roos, een veer, honing, een mes, een scheermes en een geladen pistool. In de verder lege ruimte mocht publiek plaatsnemen. De performance zou precies zes uur duren. Op tafel lag ook nog een kaartje met de volgende aanwijzingen:

Er liggen 72 voorwerpen op tafel die naar believen op mij kunnen worden gebruikt.

Performace.

Ik ben het object.

Gedurende deze periode neem ik de volle verantwoordelijkheid op me.

De eerste paar uur verliepen relatief rustig. ‘Iemand draaide haar rond. Iemand stak haar armen in de lucht. Iemand raakte haar ietwat intiem aan.’ Daarna werd het publiek vrijpostiger en escaleerde de zaak. Mensen sneden kleding van Abramović’s lichaam, schreven op haar lichaam, gooiden water over haar hoofd en staken rozendoornen in haar buik. Iemand sneed met een mes lichtjes in haar hals en likte het bloed op. Anderen betastten haar seksueel. Sommigen veegden haar tranen weg.

Op een gegeven moment legde iemand het geladen pistool in haar hand, plaatste haar vinger op de trekker en richtte de loop op haar hals. Op dat moment duwde iemand anders het pistool weg, waarop er ruzie ontstond tussen twee partijen: zij die het welletjes vonden en zij die haar nog meer pijn wilden doen.

Toen er zes uur waren verstreken, stond Abramović op en liep op het publiek af. Zelf schreef ze dit over dat moment:

‘Na zes uur, om twee in de ochtend, stopte ik, omdat dat nu precies mijn besluit was: zes uur. Ik liep op het publiek af en iedereen rende weg, niemand durfde me in de ogen te kijken. De les die ik trok uit dit stuk was dat je in je eigen perfomances heel ver kunt gaan, maar als je beslissingen aan het publiek overlaat, dan kan dat je dood betekenen.’

Ongelooflijk. Hoe bizar.

Op The Partially Examined Life plaatsen ze de gebeurtenissen in het licht van enkele ideeën die Sigmund Freud in zijn boekje Totem und Tabu (1913) uiteenzette: als we diepe gevoelens van eerbied voor mensen koesteren en ze tegelijkertijd als geprivilegieerder dan onszelf zien, dan is er volgens Freud ‘in ons onderbewuste een tegenkracht van intense vijandigheid aanwezig’ en worden we geconfronteerd met ‘een situatie van emotionele ambivalentie.’

Een interessante invalshoek, die wellicht meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Enfin. Waar ik wel volledig in meega is dit: ‘At the end of the performance, Abramović might have been left with no clothes on, but it was she who stripped the public bare to its most rudimentary impulses.’

When Marina Abramovic Dies: A Biography, James Westcott, Mit Press Ltd, 2014: via bol.com.