Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Gedicht James Schuyler

James Marcus Schuyler (1923-1991) was kort W.H. Audens secretaris, ging regelmatig op stap met John Ashbery & Frank O’Hara en won in 1980 de Pulitzer Prize voor poëzie. Geen idee of hij Hollandse voorouders had. John Latta vond onlangs twee nog niet eerder gepubliceerde gedichten van Schuyler, waar ‘Sooner or Later’ (augustus 1973) er eentje van is.

VROEG OF LAAT

Het loopt tegen de avond.
Mijn kamer is warm.

De ochtend was heerlijk.
Mijn kamer was koel.

Een kardinaal zit op een rozenstruik.
Roder dan de roos.

Een jongeman leest op het grasveld.
Zijn drankje is koel.

Naast hem een boxer
hijgend in de zon.

De zon die naar het westen koerst
roert mijn gezicht.

Gisteren regende het.
‘Een fijne dag om te werken.’

De dag gaat voorbij en
de avond daalt.

Avonden gaan voorbij
en ochtenden breken aan.

Alles wat ik hoop is
een goede nacht slaap

en grootse dagen.

James Schuyler
Vertaling Ton van ’t Hof

Tot aan de laatste twee strofes heb ik eerder het idee dat ik een kennisgeving lees dan een vers, een mededeling die op vormelijke wijze kond doet van iets als het aaneenrijgen van de hondsdagen. In korte slagen wordt een contrastrijk beeld opgebouwd en een spanning die zich vroeg of laat moet ontladen: waar wil dit gedicht heen? In de afsluitende zin wordt met de ‘hoop’ plotsklaps een hoge lyrische versnelling ingeschakeld. Ik kan me het verlangen van de ik-figuur naar voldoende nachtrust nog indenken, maar ‘grootse dagen’ … WTF? Mijn sluis is volledig opengezet.

(Dit bericht verscheen eerder, op 05-08-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)