Vissende voorouders

Al eerder berichtte ik dat mijn betovergrootvader Albert Spann en zijn zonen Carl en Willem, mijn overgrootvader, beroepsmatig zalm en paling uit de Rijn haalden. Maar Albert is, in tegenstelling tot zijn zonen, niet zijn hele werkzame leven riviervisser geweest.  Toen hij op zijn 34ste trouwde, in 1869, was hij nog arbeider, pas daarna zou hij van beroep veranderen. Hoogstwaarschijnlijk leerde hij het vak van zijn schoonvader, Bernardus Driessen, die evenals zíjn vader en schoonvader riviervisser was.

Voorts las ik vanmiddag in Het Millings Jaarboek 2006 dat mijn overgrootvader Willem ook nog eens met een dochter van riviervisser Jacobus van Eerden in het huwelijksbootje stapte. Tjonge. Dit alles betekent dat twee van mijn oudvaders, twee betovergrootvaders en een overgrootvader hun boterham met hengelen op de Rijn hebben verdiend. Ergens bevalt me dat wonderwel.

Op de foto hieronder vaart Carl, de broer van mijn grootvader, met zijn zoon Albert de rivier op.

Carl Spann met zijn zoon Albert in een vlieger, ca. 1935

Als ik over mijn eigen leven schrijf of praat, ben ik een gluurder die vertelt wat hij gezien heeft. En als mijn autobiografische schrijfsels al een doel hebben dan zou dat acceptatie kunnen zijn, van mijzelf en de wereld waarin ik leef, en dan niet halfhartig en met pijn en moeite, maar totaal en met vuur.

Thans zie ik iemand die, al zijn leven lang, in weinig tot niets trots is op zichzelf. Die dikwijls angstig is. Cynisch ook. Maar niet onvriendelijk. Eigenwijs soms, maar niet laconiek. Hij kan hiervoor geen diepere oorzaken aanwijzen.

In 1908 waren mijn betovergrootouders, Jacobus Eerden en Margaretha de Bruijn, veertig jaar getrouwd. En ik heb het dan over de ouders van de moeder van mijn grootmoeder van moederskant. Bij die gelegenheid lieten ze zich, vermoedelijk voor hun huis in Millingen aan de Rijn, samen met hun negen kinderen fotograferen. Mijn betovergrootmoeder zit in het midden, haar echtgenoot staat, voor de kijker, links achter haar. Mijn overgrootmoeder, Maria, naar wie mijn moeder is vernoemd, zit, voor de kijker, uiterst rechts.

Mijn grootmoeder, die ik goed heb gekend, had haar pinnige mond, zie ik nu, van mijn betovergrootmoeder.

6428B25D-9A3E-48B1-AC7F-03008B0ED364