Op 22 november 1963 werd president John F. Kennedy in Dallas, Texas, door Lee Harvey Oswald doodgeschoten. Oswald haalde driemaal de trekker over – ‘bang, snap, crack’. Deze moord greep mensen over de hele wereld aan, sommigen werden gek van verdriet. De Amerikaanse dichter Jack Spicer (1925-1965) schreef er een kort titelloos gedicht over, dat eerst in Language (White Rabbit Press, 1965) en later in My Vocabulary Did This to Me: The Collected Poetry of Jack Spicer (Wesleyan University Press, 2008) werd opgenomen. Het luidt als volgt (plus mijn werkvertaling):

Smoke signals
Like in the Eskimo villages on the coast where the earthquake hit
Bang, snap, crack. They will never know what hit them
On the coast of Alaska. They expect everybody to be insane.
This is a poem about the death of John F. Kennedy.

Rooksignalen
Zoals in de Eskimodorpen aan de kust waar de aardbeving plaatsvond
Knal, knak, krak. Ze zullen nooit weten wat hen trof
Op de kust van Alaska. Ze verwachten dat iedereen krankzinnig zal zijn.
Dit is een gedicht over de dood van John F. Kennedy.

Ik heb dit gedicht inderdaad altijd gelezen als een gedicht over de dood van Kennedy, die ongetwijfeld ook Eskimo’s in Alaska niet onberoerd heeft gelaten. Totdat Ron Silliman me op The Great Alaskan Earthquake wees, die op 27 maart 1964, enkele maanden na de moord op Kennedy, verwoestend toesloeg in het zuiden van Alaska. Het was met een kracht van 9,2 op de schaal van Richter de op één na zwaarste aardbeving ooit gemeten. Aan de kust werden enkele Eskimodorpen weggevaagd door de tsunami’s die erachteraan kwamen.

Ik wist dit niet. De ‘aardbeving’ in Spicers gedicht kan niet alleen figuurlijk maar dus ook letterlijk gelezen worden. Spicer schreef het vers nadat het noodlot zo plotseling in Alaska had toegeslagen. Niemand die de aardbeving had zien aankomen. De rook had geen dreigingssignaal afgegeven. De paniek na de ‘knal, knak, krak’ moet groot zijn geweest, evenals het verdriet dat daar weer op volgde. Deze abrupte lotswending heeft Spicer vast doen denken aan de onverwachtse dood van John F. Kennedy, enkele maanden daarvoor. En dat pende hij neer. Waarna hij het gedicht bruusk liet eindigen.

Als ik naar Schiphol moet, sta ik om 04:30 uur op: om files voor te zijn en bij tijds op m’n werk te verschijnen. Ik loop zo wel wat uren slaap per week mis. Waar je blijkbaar weer van alles van kunt krijgen: concentratiegebrek, lusteloosheid, geprikkeldheid, depressies, hartaanvallen, obesitas, kanker, alzheimer etc.

Lekker dan, dacht ik vanochtend in de auto en herinnerde me een quote die ik van de week las: ‘Tenzij je er heel bewust voor kiest om slapen tot een prioriteit te maken, ga je er namelijk niet voldoende van krijgen.’

Tja … En toen?

Toen volgde de ene gedachte de andere op. Waarom, dacht ik, vindt er in de VS al enkele jaren een heropleving van laatmodernistische dichters plaats (George Oppen, Charles Olson, James Schuyler, Cid Corman, Jack Spicer, Frank O’Hara etc.) en in Nederland niet? Ligt hier een (al dan niet academisch) cultuurverschil aan ten grondslag?

Toen ik me afvroeg welke Nederlandse laatmodernistische dichters weleens voor een heropleving in aanmerking zouden kunnen komen, kwam er geen enkele naam in me op.

Wat me irriteerde.

Toen ik probeerde om ‘laatmodernistische poëzie’ te definiëren, begon ik gevaarlijk te slingeren.

Wat me deed schrikken.

Waarna ik snelheid terugnam, mijn aandacht weer op de weg vestigde en vloekte.

Dingen doen

Las een blogbericht van iemand die elke ochtend een lijstje maakt van vijf dingen die hij die dag zou willen doen. Vroeg me af wat ik, gegeven mijn lichamelijke beperkingen (hernia o.i.d.), vandaag eigenlijk zou willen doen. Wil doen. Ga doen:

  1. Gezond eten.
  2. Een artikel van Liz Kinnamon lezen: Elegant Uprooted Things: Jack Spicer, California, and Psychoanalysis.
  3. Een Kindle-editie van Koos van Zomerens Het verlangen naar klapekster aanschaffen.
  4. Een fles ‘malt’ (laten) halen, het zijn niet voor niks de wilde whisky dagen!
  5. Iemand een complimentje maken.

img_0784

En dit zijn dan de resultaten:

  1. Mijn maaltijden van vandaag: ’s ochtends: bord havermout; ’s middags: kliekje van gisteren: rijst, smoor van rundvlees, sambal goreng boontjes, pindasaus; ’s avonds: geroosterde biet met feta & tijm, pastinaak met rode ui, saucijsje; tussendoor: een banaan.
  2. Kinnamons artikel over Jack Spicer gelezen: ‘What killed Jack? Some offer the comfortable explanation that it was booze. But most who knew him well say poetry.’
  3. Van Zomerens e-boek aangeschaft: ‘Ontmoetingen met klapeksters hebben iets elektrificerends.’
  4. Het is naar aanleiding van enkele goede recensies een fles ‘Monkey Shoulder Blended Malt’ geworden, van € 31,39 voor € 27,99!
  5. Hennie een complimentje gemaakt en er een glimlach voor teruggekregen.

Heeft het maken van dit soort lijstjes zin? Jawel, is mijn eerste ingeving, mits je je voornemens ook daadwerkelijk tot uitvoering probeert te brengen. En je de resultaten naderhand evalueert, waarbij je je, in voorkomend geval, ook afvraagt waarom iets níet gelukt is. Bovenstaande opbrengst gaf me best een bevredigend gevoel.

Nog snel even gekeken wat míjn vogelgidsje, J.E. Sluiters Prisma vogelgids: Het herkennen van vogels in het vrije veld uit 1964, over de klapekster zegt:

Klapekster, Lánius excúbitor. ‘In de vlucht een zwart-wit-grijze vogel met witte stuit en lange zwartwitte staart. Op de vleugels een smalle witte vleugelstreep. De vleugels kort en afgerond. De vlucht is sterk golvend met een zwieper naar de uitkijkpost. Bidt. Jonge vogels hebben een dwarsgestreepte onderzijde en zijn grijsbruin. Geluid: De roep is ‘tsjek-tsjek’, de alarmroep een kort ‘èk-èk’. De zang is een mengeling van onderdrukte scherpe en melodieuze geluiden, met ‘tru’ en ‘kiehrr’. Imiteert. Voorkomen: Zeldzame broedvogel in het oosten en zuiden van Nederland en zeldzame, plaatselijke broedvogel in België. Waarschijnlijk stand- en zwerfvogel.’

img_0789
De klapekster. Getekend door Robert Scholz.

Het verlangen naar klapekster, Koos van Zomeren, De Arbeiderspers, 2014: via bol.com.

Auto-summarization

Aiaiai. En ik had me nog zo voorgenomen: géén bier! Maar gezellie was ’t wel, gisteravond in Perdu. Een inspirerende avond met bijdragen van o.a. Maarten van der Graaff en Frank Keizer, waarin Jack Spicer en Brian Kim Stefans aan bod kwamen. ‘Brian Kim Stefans used the auto-summarization function of Microsoft Word, set to filter at 2% of the source-text, to reduce Kenneth Goldsmith’s Soliloquy to its social essence.’ De eerste regels:

‘Uh huh. Yeah, of course. Yeah, I know. Yeah. Oh yeah. Yeah. Right, ok, right. Yeah, Willis. Right. Right. Yeah. Yeah. Eah. Yeah. Yeah. Yeah. Right? Yeah, yeah right. Yeah. Yeah, yeah I’m not interested in that. Yeah. Yeah. Yeah. Right. It’s a book, Yeah. Right. Yeah. Right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah maybe not. Yeah. Yeah, something like that. Yeah yeah yeah yeah. Yeah. Yeah. Oh right right right. Yeah. Yeah. Yeah. Yeah, I don’t know. Yeah. Yeah.’ – Brian Kim Stefans, ‘Summary,’ Kluge: A Meditation and Other Works (New York: Roof Books, 2007)

Werd vanochtend met een kater en vijf boeken wakker. De oogst van gisteravond: tweemaal Velimir Chlebnikov, Hélène Gelèns, Lieke Marsman en Alfred Schaffer. We (Johan Herrenberg, Gert de Jager, Nanne Nauta, Mark van der Schaaf, Samuel Vriezen e.a.) hebben het ook nog over uitgeven en contracten gehad, geloof ik. Puik gezelschap. Met één oog naar huis.

(Dit bericht verscheen eerder, op 22-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Maar we ontkomen niet

MAAR WE ONTKOMEN NIET

Huiskamerlezing, gehouden op 1 februari 2014 op een bovenkamer aan de Potgieterstraat te Utrecht

We staan vanavond in een opwindende internationale traditie, zetten deze voort. Omdat we buiten het reguliere literaire circuit bij mekaar komen, hebben huiskamerlezingen iets opstandigs, revolutionairs: ze bieden ruimte aan afwijkingen van de norm. En wie mij en/of mijn werk kent, weet dat ik daar in ben geïnteresseerd: het abnormale, ongewone, als mogelijke belichaming van een baanbrekende propositie.

‘The events known as Spicer’s Vancouver Lectures took place in Warren and Ellen Tallman’s home beginning on Saturday, June 13, 1965. “Jack set up these three evenings in which he went through The Holy Grail and so on.” Robert Blaser described them. “There were three lectures in which Jack Spicer gives the first real description of his […] later poetics – dictation and the serial poem.”‘ – Poet Be Like God: Jack Spicer and the San Francisco Renaissance, Lewis Ellingham and Kevin Killian, Wesleyan University Press, 1998

Twee maanden later stierf Spicer aan de gevolgen van zijn alcoholisme, 40 jaar oud. De geluidopnames van de Vancouver Lectures zijn de enige opnames waarop we Spicers stem nog kunnen horen.

Maarten van der Graaff en Nanne Nauta, de onvolprezen organisatoren van deze avond, hebben mij gevraagd om in twintig minuten iets te vertellen over mijn band met het werk van George Oppen, over zijn ‘Zes en twintig fragmenten’ die ik vertaalde, en om wat voor te dragen uit mijn nieuwe reeks antwoordgedichten op Oppens fameuze ‘Of Being Numerous’. Dat wordt proppen. Ik zal noodgedwongen kort en onvolledig zijn, en beginnen met mijn eerste antwoordgedicht, waarin mijn poëtica, dat wil zeggen de stand van zaken op dat gebied op dit moment, zich lijkt samen te ballen:

1

De toestand
waarin we verkeren en die doorzien
is onszelf leren kennen

de gebeurtenis
die het evenwicht breekt

de zonderlinge loop der dingen

waarvan is gezegd
onze lange mars naar vervolmaking.
Maar we ontkomen niet.

‘Ze vragen je “maar wat was er dan zo bijzonder” en het bijzondere was, weet ik nu, dat ik niet alleen bij al die anderen maar ook bij mezelf een heimwee bespeur, niet naar barricaden of politiecharges, niet naar ellenlange verklaringen en politieke chicanes, niet naar de opwinding van de opwinding, naar het zelf beleefde journaal of de uitgekomen onheilsprofetie maar wel naar die vreemde, onuitlegbare tinteling die in de lucht hing, die bijna aanraakbare verwachting, die in de lucht hing, die totale, ontroerende openheid van iedereen tegen iedereen, het mengsel van hoop, naïviteit, tactiek en eerlijkheid, alles wat nu, nu de wereld er weer uitziet als de wereld, onzichtbaar is geworden.’

Over mijn band met George Oppen en zijn invloed op mijn bundel Aan een ster/ she argued (Uitgeverij Stanza, 2009) hield ik in november 2010 een lezing in Perdu onder de titel ‘A sense of being in the world’. Oppen werd in 1908 geboren en stierf in 1984, 76 jaar oud, mede aan de gevolgen van Alzheimer. Hij ontving in 1969 als nog tamelijk onbekende dichter voor Of Being Numerous onverwacht de Pullitzer Prize. Wat mij aantrekt in Oppens werk formuleerde ik eerder zo:

‘Voorwerpen, feiten, omstandigheden, brandbommen, de Koude Oorlog, Agent Orange, Auschwitz. Te midden hiervan speurt de dichter Oppen naar waarheid. Of, zoals hij zelf aangeeft in zijn essay “The Mind’s Own Place” (1963): “It is a part of the function of poetry to serve as a test of truth.” […] Als laatmodernist blijft Oppen geloven in een gesprek met de geschiedenis, wil de deur niet definitief dichtgooien, maar de confrontatie aangaan en consequenties trekken uit het menselijk falen. Hij wil herstellen van de shock en weer gevoel krijgen er te zijn, “a sense of being in the world”. […] Oppen is zich verdomd goed bewust van de talige betekenisinflatie. Wat mij intrigeert is dat hij het niet laat zitten bij het postmoderne onthullen ervan, wat hij zeker ook doet, maar tegelijkertijd blijft zoeken naar mogelijkheden tot deflatie, tot het herwinnen van een betekenisvolle basis van waaruit kan worden gesproken over waarheid en zingeving. Maar waarom heeft hij bij dit alles gekozen voor de kunst als toetsinstrument en niet, bijvoorbeeld, de filosofie of de politiek? Hierop geeft Oppen zelf het volgende antwoord: omdat “het goede leven”, dat hij definieert als “the thing wanted for itself”, een puur esthetische aangelegenheid is. Ik geloof dat we hier de fundamentele opvatting en tegelijkertijd de uitdaging te pakken hebben waarop Oppen zijn oeuvre bouwt. Hij wil, te midden van de fnuikende storm van het vooruitgangsgeloof, opnieuw betekenis geven aan het leven en zoekt daartoe houvast bij de kunst en de esthetische ervaring. […] Er valt af te dingen op Oppens definitie van “het goede leven” als “het verlangen naar het ding zelf” en op zijn mening dat het een puur esthetische aangelegenheid is, maar zijn vertrouwen in het gedicht als laboratorium waarin mede vanuit de materialiteit van de taal zinnig onderzoek naar existentiële kwesties kan worden gedaan, deel ik volkomen. Of, zoals Wittgenstein zegt: “And to imagine a language means to imagine a form of life.”‘

Oppen had de gewoonte om invallen op papiertjes te krabbelen om ze te kunnen bewaren. Na zijn dood werden er tientallen op en in zijn bureau gevonden. De meest interessante krabbels werden onder de titel ‘Zes en twintig fragmenten’ gepubliceerd als laatste deel van zijn totale oeuvre. Joost Baars vroeg mij in 2011 om ze voor het online magazine blue-turns-grey te vertalen. Telkens als ik ze weer lees komt de gedachte op aan een met zijn geheugen worstelende George Oppen totdat Alzheimer hem het schrijven volledig onmogelijk maakt. Fragment 17 kent drie variaties van wat de aanzet tot een nieuw gedicht lijkt te zijn. Het is een bijzonder fragment omdat het wel eens Oppens afsluitende woorden zouden kunnen zijn over wat poëzie voor hem was, betekende. Hiertoe kroop hij in de huid van de Spaanse conquistador Hernán Cortés, die tussen 1519-1521 Mexico veroverde.

Cortez komt aan.
hij is volstrekt verdwaald
op een onbekende kust.
en hij is verrukt

(dit is de aard van poëzie

Het gedicht:

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volstrekt verdwaald
en hij is verrukt

Cortez komt aan op een onbekende kust
hij is volkomen verdwaald
maar hij is verrukt

Onder het genot van een espresso formuleerde ik op 25 december 2013, eerste kerstdag, de volgende overweging:

Elk gedicht maakt op zijn minst één statement. / In het licht van het statement dat een gedicht maakt is al het andere techniek. / Elk gedicht nodigt ook uit om over de poëzie te praten. / Elk gedicht wacht op antwoord.

Enkele dagen later drong het idee voor een nieuw project zich op: andermans cyclus antwoord geven, gedicht voor gedicht. Dit idee eenmaal omarmd liet ik mijn keuze al snel vallen op George Oppens reeks ‘Of Being Numerous’, die uit veertig gedichten bestaat. In dit monumentale werk dat hij halverwege de jaren 60 van de vorige eeuw schreef, doordenkt Oppen de verhouding tussen zichzelf als individu en de werkelijkheid van zijn tijd, ook vanuit ontologisch oogpunt, waarbij Heidegger een belangrijke aangever is geweest. Om Oppens verzen gepast te kunnen beantwoorden, kom ik niet onder een herlezing uit van wat er sinds Heidegger op ontologisch gebied aan nieuwe inzichten verkregen is. Ik ben begonnen bij Alain Badiou en lees nu Bruno Latour; beiden hebben inmiddels hun sporen in mijn antwoordgedichten achtergelaten.

Elk antwoordgedicht is een reactie op het gelijkgenummerde gedicht uit ‘Of Being Numerous’, waarbij ik me op mijn verhouding tot mijn tijd tracht te bezinnen, maar de teugels wel in handen zijn en blijven van de antwoordgedichten zelf. Ik lees er tot besluit nog twee voor.

3

‘Wat geen verandering ondergaat
is de wil tot verandering’ – het verzet

tegen dat wat wordt waar-
of aangenomen: we kwamen
tot stilstand

stichtten een stad

verdienden een woordenschat aan activiteiten
tulpomanie bijvoorbeeld. Dan weer

in opstand

tegen verkalking
oude antwoorden
de vleesetende bloem.

4

Als de stad nog grijs en leeg is
en de jeugd zich realiseert dat het leven
dat van hun in elk geval, is

wat er is

en ook wel betekenis genoemd wordt

dan is een breuk
waardoor de wereld met andere mensen
nieuwe vormen krijgt waaruit van alles kan voortkomen
onvermijdelijk, oudje

en bijtende humor zal niet helpen.

(Dit bericht verscheen eerder, op 02-02-2014, op 1hundred1.tumblr.com.)

Onhandiger/stunteliger

Ik lees het ergens online en krabbel het in mijn notitieboekje neer:

‘Naarmate zijn werk onhandiger/stunteliger werd, troostelozer, verlossing geen doel op zich meer was, werd hij een betere dichter.’ – Maria Damon over Jack Spicer

En vraag me af of dit waar is. Zelfs zou kunnen worden veralgemeniseerd.

Beland ondertussen op de nieuwe website over het werk van Jeroen Mettes. Wiens onvoltooide proefschrift ik interessant vind. En ‘N30’ problematischer. Begrijp nog niet goed waarom en door wie hij nu precies tot ‘grootste revelatie van de Nederlandse poëzie van het afgelopen decennium’ is uitgeroepen. Zijn hier institutionele krachten aan het werk geweest? Een behoefte aan een eigen gesneden beeld?

Ik bedoel: Wie heeft het overzicht? Leest elk jaar alle nieuwe Nederlandstalige uitgaven? Welke aanmatiging nemen we hier nu waar?

Opmerkelijk ook is Rutger H. Cornets de Groots ellebogenkritiek op Robert Anker:

‘Gebrek aan professionele scrupules en onvermogen om elementaire letterkundige principes op concrete uitingen toe te passen staan bij hem in nauw verband met bekrompen literaire normen, de drang om lezers daarmee naar de mond te praten en een agenda waarin niet zijn onderwerp, maar zijn eigen naam bovenaan staat. Kritiek betekent voor hem niet: vragen hoe iets in elkaar zit, hoe het functioneert en of dat in orde is, maar: de dingen als feiten aannemen en er dan je smaakoordeel op loslaten.’

Wauw. Hier wordt een moker gebruikt. Welk voordeel moet dit opleveren?

En eh zouden ook kritieken beter worden naarmate ze onhandiger/stunteliger worden neergezet, wat troostelozer, zonder al te veel hoop op enige verlossing?

(Dit bericht verscheen eerder, op 04-11-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Onder de fracties

Wat ben ik waard in de pobiz?

Welk kapitaal kan ík mobiliseren? Heb Von Clausewitz bestudeerd.

Vom Kriege.

In míjn canon Ashbery, Spicer en Oppen. Voor Komrij is geen plaats. Wat niets met Komrij heeft te maken.

Maar met hoe de toekomst zich zal gedragen als we verder zijn gegaan.

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-06-2012, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Zich uitstrekken naar buiten toe

In Radical Affections (The University of Alabama Press, 2010) bespreekt Miriam Nichols zes dichters die in hun werk prospectief onderzoek verrichten: dit doen we (wij mensen) en dit zouden we (wij mensen) kunnen doen. Werkelijkheid versus mogelijkheid. Het onderzoek naar ‘wat we doen’ strekt zich niet alleen uit tot wat is, maar ook tot hoe het zo gekomen is, de oorzaken, menselijke drijfveren. En hoe meer grond in kaart wordt gebracht, hoe groter het potentieel aan mogelijkheden. Het is vervolgens aan de dichter om de mogelijkheden die in de verbeelding voorhanden zijn (‘dit zouden we kunnen doen’) te verruimen en te articuleren.

De zes dichters die worden besproken zijn Charles Olson, Robert Creeley, Robert Duncan, Jack Spicer, Robin Blaser en Susan Howe. Allemaal dichters die zijn geboren in de eerste helft van de vorige eeuw en na de Tweede Wereldoorlog nadrukkelijk worden geconfronteerd met de vraag hoe de mens zijn menselijkheid zou kunnen herwinnen. Zij zijn ervan overtuigd dat mogelijkheden daartoe moeten worden gezocht in particulariteit en niet universaliteit: ‘[W]hat we share is our particularity; persons, places, things, events make up the common rather than universals like “the people.”‘

En al deze dichters geloven dat we onze menselijkheid alleen maar kunnen herwinnen, onze ‘plek’ kunnen hervinden, als we vanuit onze particulariteit het ‘kosmische’, ‘heilige’ respecteren en vanuit die positie ons leven overwegen en aansluiting zoeken bij de ander.

Ik voel me verwant met deze poëtica en met de uitwerking ervan in verzen door vooral Olson en Spicer. Deze poëzie zal geen vrede stichten of tegenstellingen de wereld uit helpen, maar laat me de kracht van de verbeelding zien bij het zoeken en bewandelen van mijn weg in de wereld. Of die weg ook fundamenteel anders zou zijn geweest zonder poëzie? weet ik niet. Jack Spicer zou zich overigens rot hebben gelachen om al deze theoretische speculatie.

EEN RODE KRUIWAGEN

Stop even en kijk naar deze verdomde kruiwagen. Wat
Het ook is. Honden en krokodillen, uv-lampen. Niet
Vanwege hun betekenis.
Vanwege hun betekenis. Vanwege het mens-zijn
Ontsnappen je de tekens. Jij, niet erg snugger
Bent een signaal voor hen. Niet,
Bedoel ik, de honden en krokodillen, uv-lampen. Niet
Hun betekenis.

Jack Spicer
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-07-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Mijn vocabulaire heeft me dit aangedaan

Jack Spicer werd slechts veertig jaar. Hij zoop zich dood. Zijn gedichten zijn gebundeld in My vocabulary did this to me: The Collected Poetry of Jack Spicer (Wesleyan University Press, 2008). Alhoewel hij zichzelf als dichter slechts zag als een doorgeefluik van wat ‘marsmannetjes’ hem influisterden, heeft hij een hoogst persoonlijk oeuvre nagelaten, waarin vooral de thema’s eenzaamheid en de dood worden uitgediept. Zijn gedichten zijn flitsen waarin een kwetsbare wereld oplicht, die maar al te vaak van haar menselijkheid lijkt beroofd. De lezer wordt met tal van ethische kwesties geconfronteerd. Ik vind zijn korte serie ‘Golem’ van wereldklasse. Hieronder het tweede gedicht daaruit:

Golem, geschreven op de avond na Jom Kippoer

Jouw leven telt niet. Dat zijn de regels van
         de stam. Nee
Jouw leven telt niet.
Alles tellen telt niet. Het zijn de regels
         van de stam dat jouw leven niet telt.
Nummeren telt niet. Krankzinnigheid
         telt niet.
Gek zijn op nummers telt niet.
Dat is de regel van de stam (dood als ze zijn)
         verteld boven de uitgedoofde kampvuren
Dat het niet telt.
Dat jouw leven niet telt.
Gravin de Dood geef me Wat leven in dit
         kleine vlakke land waarin we leven van begin tot eind
Laat me hun kelen doorsnijden en hun hoofden verbrijzelen op
De steen

Jack Spicer
Vertaling Ton van ’t Hof

(Dit bericht verscheen eerder, op 16-10-2010, op 1hundred1.blogspot.nl.)