Gisteravond lag ik op de bank te switchtasken: las de laatste Poëziekrant keek dan weer naar Voetbal Inside op tv. Maakte aantekeningen.

Zocht naar overeenkomsten tussen Jules Deelder en Johan Derksen en vond er eentje: allebei in hun nopjes met zichzelf.

Daarna veel keurige recensies. Dacht: wanneer schrijft Jeroen Dera nou eens op wat ie écht denkt?

Vervolgens: Jezus, die gedichten van Jozef Deleu!

Herkauwde een frase maar bleef haar niet begrijpen: ‘Het is precies wat goede poëzie, kunst in het algemeen doet: zowel de maker als de ontvanger ervan een moment doen uitstijgen boven elke persoonlijke (tijds)ervaring.’

Ging naar bed.

Vroeg me vanochtend af, toen ik bovenstaande kritische noten herlas, of het eten gisteravond wellicht verkeerd gevallen was. Twijfelde of ik ze zo zou moeten publiceren. Je kwetst mensen toch.

Aan de andere kant: Deelder en Derksen krijgen een koekje van eigen deeg. De opmerking over Dera is als aansporing bedoeld: als hij zijn intelligentie weet te koppelen aan een grotere mate van originaliteit kan hij waarlijk interessant worden. En Deleu is oud genoeg om zich niets van mij aan te trekken: mijn mening is er maar eentje tussen vele.

Besloot om niks terug te nemen. Stond (en sta) achter alles wat ik hierboven gezegd heb.

Bladerde verder in de Poëziekrant. Dacht: Jezus, die column van Kees ’t Hart! (Ik rook spruitjeslucht.)

Knikte bij Ron Elshouts opmerkingen over het broddelwerk van ILP. (Et cetera.)

Verander de wereld, schrijf een gedicht!

‘Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen,’ claimt Ilja Leonard Pfeijffer merkwaardig genoeg in de voorlaatste regel van zijn apocalyptisch-Messiaanse gedicht, nadat hij eerst de geboden Pfeiffers heeft uitgevaardigd:

Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.

Wat verontrustend is, iemand die onmiddellijk vergeet wat hij zojuist gezegd of geschreven heeft. Tenzij hij of zij opzettelijk ontregelend bezig is, natuurlijk. Enfin. Terug naar de tekst. Uiteraard vraagt Pfeijffer iets, wil iets, eist iets, heeft ons iets uit te leggen. Hij doet er alleen zo godvergeten moeilijk over.

Profeten staan niet op een rots in de woestijn / om eenzaam kemelharig ongehoord te zijn. / Wanneer de wereld doldraait van de gekkenpraat, / zal hij op prime-time uitleggen waar het om gaat / en in de modder met een fluorhesje aan / met nabestaanden zeer eendrachtig nabestaan.

Doet wat oubollig aan, de dichter als profeet. Nou ja. Ach. Ik denk dat Pfeijffer hier een plek zoekt voor de poëzie in de openbare ruimte of zoiets, waar zij door iedereen kan worden gehoord en waar haar prognoses ter harte kunnen worden genomen. Verander de wereld, schrijf een gedicht!

Ik weet het niet hoor. En dan dat beeld dat telkens door mijn hoofd flitst: Pfeijffer die Matthijs van Nieuwkerk zijn gaven uitlegt. Dat kan toch niet waar zijn. Als dit een voorbode is van Pfeijffers nieuwe bundel dan koop ik ‘m niet.

(Dit bericht verscheen eerder, op 25-05-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (17)

Eerder schreef ik: vanuit een bezielende houding verwachten Harmens en Pfeijffer ‘van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ Dit is een functionele eis: literatuur als vehikel of drager van verandering. Hieruit spreekt een geloof in de mogelijkheden van de kunst, een vertrouwen in haar relevantie. Wat ontbreekt in Harmens’ en Pfeijffers pamflet is het hoe: op welke wijze zou literatuur haar functie als vehikel van verandering dan kunnen uitoefenen? Aan welke specificaties moet zij voldoen? In essentie zijn dit vragen naar vorm.

Voor Badiou is vorm ‘wat de kunstzinnige daad aan nieuw denken mogelijk maakt.’ Kunst dient de mens ‘tot enige buitensporigheid tegenover zichzelf’ te dwingen.

Buitensporigheid = breken met ‘wat er is’ = doorbreken van de gelederen van de Symbolische Orde.

Poëzie waarin

‘een generieke “sensitieve” lyrische spreker een facet van zijn of haar wereld overpeinst en daar opmerkingen over maakt, het heden met het verleden vergelijkt, een aantal verborgen emoties openbaart of tot een nieuw begrip van de situatie komt, en waarin de taal meestal concreet en gemeenzaam is, ironie aanwezig en metaforen talrijk, de syntaxis eenvoudig, het ritme gedempt, ingetogen,’

leidt vandaag de dag niet of nauwelijks meer tot buitensporigheid.

(Dit bericht verscheen eerder, op 06-05-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (4)

In De twintigste eeuw betoogt Alain Badiou:

‘Het Manifest getuigt juist van een hevige spanning waarmee men beoogt alle vermogens van de vorm en van de schijn in dienst van de werkelijkheid te stellen.’

In deze zin is Harmens’ en Pfeijffers proclamatie een heus avant-gardistisch manifest: als pleidooi voor een creatieve aanpak van maatschappelijke problemen. Maar ze ontketenden geen storm. Door de afwezigheid van esthetische richtlijnen lijkt Manifest voor een riskante literatuur een lege huls. En als we Socrates mogen geloven is zelfs die pretentieus:

‘Ook over de dichters kwam ik dus al heel gauw tot de slotsom dat ze niet werken met bewust inzicht maar krachtens een bepaald instinct en in goddelijke vervoering, zoals de godsprofeten en waarzeggers. Die zeggen immers ook veel moois maar ze weten niet waarover ze het hebben. Aan een dergelijk euvel bleken ook dichters te lijden. En bovendien merkte ik dat zij vanwege hun dichtkunst meenden ook op alle andere gebieden de knapsten te zijn, wat niet het geval was.’

Badiou merkt daarentegen op: ‘De essentie van het denken zit altijd in de macht van de vormen.’ Literatuur is vorm. Harmens en Pfeijffer ageren tegen de hedendaagse gelatenheid, onderworpenheid aan de leegte. Maar ze zijn niet radicaal genoeg.

(Dit bericht verscheen eerder, op 15-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)

Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis (3)

In hun roep om een strijdbare literatuur omschrijven Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer de toestand die een verandering moet ondergaan als volgt:

‘Deze tijden van globalisering, immigratie, toenemende religieuze spanningen, oorlog, uitholling van de democratie onder druk van populisme, verkwanseling van grondrechten onder het mom van bevordering van de veiligheid, ecologische rampspoed en economische crisis zijn bijzondere en bijzonder gevaarlijke tijden die bijzondere eisen stellen aan de kunst.’

Een eis die zij stellen is een andere houding tegenover verandering: ‘Nonchalance in de literatuur is een misdaad.’ Vanuit een bezielende houding verwachten Harmens en Pfeijffer ‘van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ Dit is een functionele eis: literatuur als vehikel of drager van verandering. Hieruit spreekt een geloof in de mogelijkheden van de kunst, een vertrouwen in haar relevantie. Wat ontbreekt in Harmens’ en Pfeijffers pamflet is het hoe: op welke wijze zou literatuur haar functie als vehikel van verandering dan kunnen uitoefenen? Aan welke specificaties moet zij voldoen? In essentie zijn dit vragen naar vorm. Volgens Harmens en Pfeijffer is de beantwoording ervan een individuele aangelegenheid, het voorrecht van en tegelijkertijd de opgave voor iedere kunstenaar:

‘Kunst is vrij, maar niet vrijblijvend.’

(Dit bericht verscheen eerder, op 14-04-2011, op 1hundred1.blogspot.nl.)