Scherpen en amuseren

Ik lees alweer numero 9 van de 10-delige serie The Grand Piano (Mode A, 2006-2010), een experimentele collectieve autobiografie, geschreven door 10 auteurs die worden gerekend tot de grondvesters van de Language poëzie: Rae Armantrout, Lyn Hejinian, Ted Pearson, Tom Mandel, Carla Harryman, Ron Silliman, Steve Benson, Barrett Watten, Bob Perelman en Kit Robinson.

De titel – The Grand Piano – verwijst naar een koffiehuis in San Francisco, dat in de jaren 1976-1979 onderdak bood aan een serie performances & lezingen, waarin ook alle GP auteurs participeerden. Het koffiehuis ontleende zijn naam weer aan een Steinway uit 1911, die in het restaurantgedeelte stond en nog van de oma van de eigenaresse van de zaak was geweest. De collectieve autobiografie zelf beslaat de periode 1975-1980.

‘De Language dichters benadrukten de willekeur van betekenis en het constructieve karakter van betekenisgeving. In hun handen was taal noch een mimesis van het leven, noch een vehikel voor levensverhalen, mededelingen of gevoelens. Het was eerder een medium: grondstof om te worden geformeerd, gedeformeerd en opnieuw geformeerd; een tekensysteem waarvan de grondstoffelijke basis en sociale functie onderwerpen waren van ludiek onderzoek en serieuze kritiek (The Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics, 4e editie, Princeton University Press, 2012).’

In de periode 1975-1980 rondde ik de middelbare school af en verliet het ouderlijk huis. Ik herinner me grensverleggende tv-programma’s als Waldolala die met de burgerlijke cultuur wilden breken. In de poëzie grijpt Gerrit Komrij ‘over de Vijftigers en de dichters uit de jaren zestig heen terug naar de traditie van vormvaste poëzie, zelfs naar de negentiende eeuw (Altijd weer vogels die nesten beginnen, Hugo Brems, Uitgeverij Bert Bakker, 2006).’ In zijn verantwoording van De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (Uitgeverij Bert Bakker, 1979) schrijft Komrij dat hij verzen wilde die:

‘het verstand scherpen en amuseren – zonder dat het verstand tot religie wordt. Het accent ligt, om een indruk te geven, hier meer op het vakmanschap, de smaak en het volwassen gezicht dan op het stamelen, de vulgaire sentimenten en het simpeldom. Meer op satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’

Zowel in de VS als in Nederland wordt in deze jaren afstand genomen van poëtische voorgangers om de eigen gedachtegang te kunnen ontplooien, maar oh mijn God wat is het verschil tussen de poëtica van de Language dichters en die van Komrij toch groot! In de VS staat een nieuwe poëzie op, in Nederland wil de liedjesschrijver van ‘Kinderballade’ (muziek Boudewijn de Groot) oude tradities in ere houden.

Ida Gerhardt ontving in 1979 de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre. Niet veel later publiceerde ze het volgende gedicht:

HET VERSTOORDE WERELDBEELD

Hoe kán dat: dagpauwogen in de hof
van Breeklenkamp naast ons? – Niet te geloven.
Hun wiekenpracht gaat het verstand te boven:
vier zonnen op een veld van sterrestof.

Hij had dit jaar brandnetels in het gras,
de oude boer, wat achterop met werk,
daar er een erfenis met ruzie was:
pauwogen fladderen van perk tot perk.

Hij cijfert achter de gordijnen uren
terwijl ze nectar uit zijn tuintje puren.
Zondags zit hij – zijn zaak is vóór geweest –

stil op de bank voor huis, verkalkt en blauw;
dan zitten er pauwogen op zijn mouw,
wier tekenen hij bevreemd en bevend leest.

1975-1980 ademt voor mij een unheimliche sfeer uit. Het is de periode waarin ik op school en in dienst tot een nummer word gedegradeerd. Pas later, veel later durf ik me de vraag te stellen aan welke wereld ik wil deelnemen, ook met mijn schrijverij.

(Dit bericht verscheen eerder, op 01-08-2013, op 1hundred1.tumblr.com.)